In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Briefwisseling met priesters

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Briefwisseling met priesters

7 minuten leestijd

Meteen na verschijning zond ik een exemplaar van mijn boek „Hand in hand met Rome?" aan pater Beijersbergen, een van de deelnemers van de charismatische conferenties van de „kruiskring". Pater Beijersbergen reageerde daarop met onderstaande brief.

Aan ds. H. J. Hegger

Weurt, 23 januari 1974

Broeder in Christus,

Op bladzijde 106 en 107 van uw boek „Hand in hand met Rome?" wordt gesuggereerd, dat de katholieken die deelnamen aan de charismatische conferentie, de leer van de transsubstantiatie en de plaats van Maria niet ernstig namen. Deze passage heeft mij bevreemd en ik ben bang dat sommige katholieken zich daardoor van de charismatische beweging zullen afwenden.

Als medeverantwoordelijk voor de charismatische conferenties zou ik het volgende naar voren willen brengen. De eenheid tussen Jezus' volgelingen bestaat volgens Jo. 17, 20-26 niet op de éérste plaats in een eenheid van bestuur, van leer, van praktijken, noch van louter-innerlijke gezindheid. De Heer bedoelt méér: Hem zweeft een onderlinge verbondenheid voor ogen, die even intiem is als die tussen de Vader en de Heer zelf en die zo van God doortrokken is, dat de mensen daarin het bewijs van Jezus' goddelijke zending zullen zien. Ze komt tot stand doordat Jezus ons zijn Heerlijkheid, zijn Geest, schenkt (v. 22) — Die eenheid heb ik niet gevonden in het katholieke milieu, evenmin als zij aanwezig blijkt te zijn bij onze protestantse broeders. Ik heb ze pas leren kennen in de charismatische vernieuwing. Hier komen mensen samen, die zich bewust zijn van Christus' aanwezigheid in hun midden, die aan de hand van de Schrift hun inspiratie aan elkaar doorgeven, die God én persoonlijk, én gemeenschappelijk danken en prijzen, die in hun smeekbeden opkomen voor het Rijk Gods en voor elkaar, die elkaar lief hebben gekregen omdat een en dezelfde Geest in iedereen werkt. Het is een eenheid waarvan men zich geen voorstelling kan vormen, tenzij men het zelf ervaart. Ik moet erkennen dat ik me als gelovige veel meer gesteund weet door deze gemeenschappen, van welke denominatie de leden ook mogen zijn, dan door eigen geloofsgenoten, die alleen op officiële wijze met elkaar omgaan.

Dat wij daarbij de controversiële punten die u opsomt niet naar voren schuiven, wil niet per se zeggen, dat deze ons onverschillig laten. Wij vinden alleen daar dat er veel meer is dat ons bindt dan dat ons scheidt. We voelen ons aangetrokken tot allen die, vaak meer dan wij, leven uit de Geest van Christus en we zouden elkaar ondanks onze verschillende opvattingen voor geen geld van de wereld willen loslaten. Ter wille van de Heer proberen wij elkaar te begrijpen, niet om met kracht van welk argument dan ook de ander van zijn ongelijk te overtuigen, maar om met mildheid en welwillendheid te verstaan wat eigenlijk de ziel is van zijn bestaan.

Ik ben ervan overtuigd dat de eenheid tussen de christenen alleen op die manier tot stand kan komen. Wanneer wij ons openstellen voor de Geest zal Hij ons alle waarheid leren. Op die belofte van Christus vertrouwen wij onvoorwaardelijk.

Uw broeder in de Heer:

pater André Beijersbergen s.m.

Antwoord van ds. Hegger:

1. Opnieuw ben ik (en naar ik veronderstel menige lezer met mij) onder de indruk gekomen van de diep-persoonlijke geloofsbeleving, zoals die in de charismatische conferenties, en nu ook in deze brief tot uitdrukking komt. Wij kunnen zulk een getuigenis toch beslist niet zo maar naast ons neerleggen met de opmerking: Ja, maar ze geloven dan toch nog maar steeds in bepaalde dwalingen zoals de Mariologie en de transsubstantiatie.

2. Wat mij ook zeer verblijdde, was de opmerking van pater Beijersbergen dat „de eenheid tussen Jezus' volgelingen niet bestaat in … een eenheid van louterinnerlijke gezindheid", maar in het feit dat de Heere werkelijk in het midden der Zijnen is door Zijn Geest. Ook wij, gelovige protestantse kerkmensen, zijn het ermee eens, dat wat in de Bijbel staat, letterlijk waar is, wanneer het letterlijk en niet figuurlijk bedoeld is. Welnu, in 1 Kor. 6:19 zegt Paulus dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is. En dat dit niet figuurlijk, maar letterlijk moet worden opgevat, blijkt uit de kontekst, want Paulus zegt dat ze daarom niet één vlees mogen worden met een hoer. Maar hoe vaak wordt in de prediking in onze kerken gewezen op deze heerlijke werkelijkheid? Wordt deze boodschap van Paulus niet vaak vervluchtigd, ook door fundamentalisten die overigens trouw willen zijn aan de letterlijke inhoud van de Bijbel?

3. Men kan mij, na dit schrijven van pater Beijersbergen, toch moeilijk verwijten, dat ik steeds maar negatief zou denken over de bewegingen in de r.-k. kerk. Ook bij mij is blijkbaar de wens de vader van de gedachte geweest. Tóch meende ik enige grond te hebben voor dit, vanuit reformatorisch standpunt bezien, optimistisch geluid. Want ik zag op die conferentie priesters deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal, die op protestantse wijze plaats vond. Pater Beijersbergen verzekerde mij dat hij zich daar over verwonderd had, maar dat hij daar niet aan had deelgenomen.

4. Ik ben het met pater Beijersbergen eens, dat een gesprek over verschilpunten niet beheerst mag worden door een geest van: „Ik heb gelijk en jij ongelijk". Zulk een vulgair triomfgevoel heb ik reeds meteen op p. 5 van mijn boek van de hand gewezen. Maar, wanneer de Heilige Geest ons samenbrengt, dan moeten wij toch ook in staat zijn om samen na te denken over het Woord dat door diezelfde Geest is geïnspireerd. Als we dat niet kunnen, zonder gevaar voor verstoring van de vrede, dan is de eenheid, die de Heilige Geest onder ons bewerkt, nog maar zeer aan de oppervlakte en dan moet je je wel de vraag stellen: Komt dat gevoel van eenheid werkelijk voort uit de Heilige Geest?

Pater Beijersbergen en ik hebben afgesproken dat we spoedig een gesprek met elkaar zullen hebben. Dat gesprek zullen we dan zeker beginnen en eindigen met gezamenlijk gebed. Maar we zullen zeker ook samen doorpraten over die wondere weg van het heil des Heeren, dat ons deel wordt langs de weg van geloof en genade alleen, van Christus alleen, enkel door de toerekening van Zijn gerechtigheid.

Op dezelfde dag ontving ik een brief van een vroegere confrater:

Mook, 23 januari 1974

Waarde Vriend lierman,

Toevallig krijg ik de I.R.S. in handen. Ik weet zelf niet meer hoe ik er aan kom. Voor mij ligt okt. 1973 blz. 23. U spreekt van een „weerzinwekkende foto". Ik geloof niet dat dit juist is en zeker niet oecumenisch. Als een dominee nu onder dat baldakijn liep, dan was het een weerzinwekkende foto, want hij gelooft daar niet in. Maar als een priester dat doet — de persoon van de Paus is hier bijzaak — dan ligt dat voor hem heel anders. Als ik bij de zieken de Communie breng dan, loop ik heus niet met een stukje brood in mijn zak. Als een Boeddhist knielt, bidt voor een Boeddhabeeld dan mag dat toch niet weerzinwekkend heten. Toen je vroeger bij ons in de kapel onder het Lof knielde en meezong was dat toen voor u (ik zou haast zeggen voor jou) toch niet weerzinwekkend. Als je het nu zou. doen wel, want nu denk je anders. Toevallig dat ik dit schrijf onder de internationale bidweek, waar toch zeker alle christenen aan mee doen. Oecumene kan in de rechte straat gebeuren, maar niet met éénrichtingsverkeer.

Ik sta er zelf stomverbaasd over dat ik na zovele jaren contact met je opneem. Wie geeft me dat in? Vele groeten. Je oud klasgenoot,

H. T. Zwanenburg.

Carissime,

Hartelijk dank voor je brief, waar ik het helemaal mee eens ben. Maar zo had ik het ook bedoeld. Ik schreef immers: „Deze foto is voor gelovige protestanten schokkend". Maar blijkbaar is die bedoeling niet goed overgekomen. Daarom ben ik blij met jouw verduidelijking. Overigens heb ik al eens meer in ons blad geschreven, dat rooms-katholieken niet het brood zelf willen aanbidden, maar Christus, van Wie zij geloven dat Hij door de transsubstantiatie wezenlijk en werkelijk onder de gedaante van brood tegenwoordig werd gesteld.

N.B. Ik kreeg van pater Zwanenburg verlof deze brief met mijn antwoord te publiceren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Briefwisseling met priesters

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's