In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

IK BEN GEEN BRAVE HENDRIK"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IK BEN GEEN BRAVE HENDRIK"

6 minuten leestijd

Vaak hebben wij in ons blad onze grote bewondering uitgesproken voor de Dordtse Leerregels, die op een grandioze wijze de volstrekte genade Gods verkondigen. Dat belijdenisgeschrift zet de gevallen mens op zijn plaats tegenover God, laat hem zien als een onmachtig, onwillig wezen dat zich krachtens eigen overgeërfde zondige aard alleen maar tegen God verzet en zich zoveel mogelijk ingraaft in het bederf. Daartegenover wordt God getekend, niet als Iemand die wraak wil nemen op deze zondige, Hem vijandige mens, maar als Iemand die ondanks Zijn gerechtvaardigde toorn toch nog een middel wist te vinden om ons, schuldigen en verlorenen, te redden nl. door Zijn uitverkiezende genade in Jezus Christus, Zijn Zoon.

Bezit ik deugden?

Maar er is één uitdrukking in die Dordtse Leerregels, waar ik het niet mee eens kan zijn of die ik althans niet begrijpen kan. En dat is, wanneer in 4:11 wordt gezegd dat God in de wedergeboorte „nieuwe hoedanigheden in de wil stort."

Het kan zijn dat ik het verkeerd versta, maar die uitdrukking komt bij mij in deze zin over dat God mij bij de wedergeboorte bepaalde deugden zou schenken, zodat ik daardoor dus een deugdzaam en braaf mens zou worden. Deze gedachte lijkt mij in strijd met heel de geest van de D.L., waarin juist de volstrekte afhankelijkheid van de mens voortdurend beleden wordt. Maar als mijn wil door de wedergeboorte bepaalde goede hoedanigheden krijgt ingestort, dan zou ik daar immers enigszins op kunnen gaan rusten.

Ik meen echter dat de Bijbel mij laat zien dat ik in mijzelf een zondaar blijf tot de laatste snik. Wat dát betreft, kan ik met een eerlijk hart zeggen dat ik mij geen haar beter weet dan de mens van de wereld. Ik ben geen „brave Hendrik" tegenover de „boeven". Ik voel nog steeds in mij de mogelijkheid tot de meest gruwelijke misdaden.

Wat is in mij veranderd?

Wat is er dan in mij veranderd? Christus is in mij komen wonen door Zijn Woord en Zijn Geest. En door het geloof weet ik dat Hij altijd in mij zal blijven met Zijn heilige en omvormende werkzaamheid.

In Gal. 5:22 worden allerlei prachtige deugden genoemd, die een christen bezit, nl. liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Maar… er wordt bij gezegd dat dat alles „de vrucht van de Geest" is die in ons woont. Dat betekent dat het eigenlijk geen deugden moeten genoemd worden, want al die heerlijke en mooie dingen verdwijnen naar de mate dat ook de Geest Zich in ons zou terugtrekken.

De Bijbel geeft ons daar ook duidelijke voorbeelden van. David, dit sublieme kind Gods, die Zijn geloof in de trouwe God zo prachtig wist uit te drukken in zijn psalmen, is desondanks toch tot de vreselijke zonde van echtbreuk en moord gekomen. Hij liet de wettige man van de vrouw, waarmee hij overspel had bedreven, ombrengen om daarna met haar te trouwen. En Petrus, de Rotsman, was ineens alle trouw kwijt, toen hij de Heere tot drie maal toe verloochende. En wat is de reden, waarom ik, ook al mag ik mij dan een kind van God weten, zo diep niet zou kunnen vallen? De reden zou misschien kunnen zijn dat ik te zeer psychisch geremd ben om tot zulke misdadige explosies te komen. Maar remmingen zijn nog geen deugden.

Nee, de eigenlijke reden, waarom ik weet dat ik niet zo erg zal ontsporen, is mijn geloof in mijn Heiland, die door Zijn Woord en Geest in mij woont. Die zekerheid is geen wiskundige zekerheid, maar de zekerheid van het gelovige vertrouwen dat Hij niet zal toelaten dat ik Hem zozeer beledig. Petrus had zijn zekerheid dat hij de Heere niet zou verloochenen, gebouwd op zijn eigen deugd van trouw en niet op de trouw van Christus. Daarom viel hij zo diep. En ieder van ons is in staat op elk moment van ons leven zo diep te vallen, wanneer hij op eigen braafheid gaat vertrouwen en niet op Christus. Wanneer iemand dan tóch nog vrij netjes blijft leven, dan is dat gewoon omdat hij belemmerd wordt in het uitleven van zijn verdorven driften door allerlei remmingen, zoals de angst voor wat „ze" zeggen, zelfhandhaving, traditie, burgerlijkheid, petieterigheid van ziel, enz.

Een dode gemeente

We zien het ook in het leven van de gemeenten. Wanneer men daar niet voldoende meer leeft uit de Heilige Geest die in de gemeente wil wonen als in een tempel, dan gaat de dood zijn intrede doen in zulk een gemeente. De Geest die hen samenbond tot één liefdegemeenschap, trekt Zich terug. De gemeente gaat uiteenvallen. Ja, er is nog wel een zekere administratieve en intellektuele eenheid, in zo verre dat ze allemaal een belijdenis onderschrijven. Maar overigens is er geen echte „band des vredes". Jaloersheid, achterdocht, kwaadsprekerij, verdachtmaking, veten en andere splijtzwammen hebben zich op het lichaam van de gemeente vastgezet. Dan worden we weer vlees, en het is duidelijk wat de werken van het vlees zijn: overspel, hoererij, onreinheid, ontucht, afgoderij, venijnigheid, vijandschappen, twisten, afgunst, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke (Gal. 5:20-21).

Het leven van een christen is een voortdurend wandelen in de ootmoed, in het besef van eigen zwakte, maar tegelijk in de zekerheid des geloofs dat Christus die in mij woont, mij niet loslaat (Zie ook het artikel „Volg mij", waarin ik heb geprobeerd aan te tonen dat ook de gaven van de Geest geen hoedanigheden zijn, waarover wij kunnen beschikken, maar „openbaringen des Geestes" 1 Kor. 12:7).

TEGEN DE WIL VAN DE OUDERS?

Mr. dr. de Meyere maakte mij, naar aanleiding van de bespreking van het boek „Reformatie: blijvende opdracht!" (IRS jan. p. 13), opmerkzaam op een misverstand. Zij had op het oog can. 745, terwijl ik sprak vanuit canon 750 van het r.-k. Kerkelijk Wetboek. Ik ben het met haar eens, dat canon 750 niet een direkte weerlegging is van de mening van dr. de Meyere, dat vanaf het zevende jaar het rooms-gedoopte kind, om de r.-k. opvoeding veilig te stellen, zo nodig ontnomen kan worden aan niet-r.-k. ouders of voogden. Maar wél werpt de canon daar een bepaald licht op. En we moeten niet vergeten, dat het r.-k. wetboek niet uitdrukkelijk zegt dat de kinderen om die redenen aan de niet-r.-k. ouders of voogden mogen ontnomen worden. En dr. de Meyere wekte de indruk dat het zo zou staan in het wetboek zelf.

Wél weten we dat dit ontnemen van rooms-gedoopte kinderen aan niet-roomse ouders meermalen is gebeurd in het verleden, en dat ondanks de waarschuwing van canon 750. Het lijkt mij dat ze dan echter eerder een beroep zouden kunnen doen op canon 769, waarin gezegd wordt dat de uiteraard roomse peetouders de verplichting hebben te waken over een christelijke (= roomse) opvoeding van die kinderen.

Het zou boeiend zijn geweest als dr. de Meyere wat dieper op deze vragen was ingegaan, maar ik begrijp dat zij zich beperkingen heeft moeten opleggen in haar bijdrage tot deze uitgave van „Protestants Nederland". En om de rijk gevarieerde inhoud van het boek willen wij het nogmaals aanbevelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

IK BEN GEEN BRAVE HENDRIK"

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's