In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Van achter de IJZEREN muren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van achter de IJZEREN muren

15 minuten leestijd

Korte samenvatting van het voorafgaande:

Zr. Joseph Sarto (thans: mevr. Thottil) had eindelijk het ontslag van haar kloostergelofte weten te krijgen van Rome. Ze is geroepen naar de kamer van de overste, waar men nog een laatste poging doet om haar in het klooster te doen blijven.

Om half vijf in de namiddag werd ik „gedagvaardigd" naar de kamer van de overste, waar de provinciale overste en de raad van het klooster bij elkaar waren gekomen. Toen ik voor de deur stond, kon ik duidelijk hun gedempte stemmen horen. Het leek wel of er een samenzwering tegen mij gesmeed werd. Ik vroeg mij af, wat ze in hun schild voerden.

Met bevende handen klopte ik aan: klop …… klop. Het leek alsof die houten deurflanken hardop in spottend lachen antwoord gaven op mijn angstig kloppen. Hoe vaak had ik niet aan die levenloze dorre deur aangeklopt. Achter die deur, daar in die kamer, bevond zich de troon van God voor mij. Op die troon had zich de vertegenwoordigster van mijn hemelse Bruidegom neergezet. Hoe dikwijls was ik niet genaderd tot die troon om er de orakelspreuken aan te horen, die vanuit mijn Bruidegom in de hemel neerkwamen naar mij, Zijn bruid op aarde. En ik had slechts één antwoord te geven nl. „fiat" d.i. mij geschiede naar Uw woord.

Ik had over dat „fiat" gelezen in het begin van de Bijbel. Daar was dat „fiat" het scheppende Woord Gods dat alles uit niet heeft gemaakt. Mij werd gezegd dat ik dat woord „fiat" steeds opnieuw zou moeten herhalen, zodra ik een voet had gezet over de drempel van het klooster in juni 1961. Ik zou het Maria, dei dienstmaagd des Heeren, moeten nazeggen, zoals zij het had uitgesproken voor de engel Gabriël. Dat „fiat" van Maria, zo werd mij geleerd, was de onmisbare „Sleutel" geweest voor het Koninkrijk Gods, de onmisbare schakel in de keten des heils, de noodzakelijke voorwaarde om de zaligheid van de mens mogelijk te maken. Dat „fiat" heeft het eeuwige Woord Gods doen neerdalen in de schoot van Maria. Dat „fiat" heeft de menswording bewerkt. En ook ik werd ertoe geroepen om het Lam Gods mijn eeuwige Bruidegom, te doen neerdalen in mijn menselijke vlees door middel van mijn „fiat" aan Zijn vertegenwoordigster op aarde. Zo zou ook ik een vleeswording van het Woord Gods in mij kunnen bewerkstelligen.

Maar deze avond leek het of alles veranderd was. Dat geluid, die klop… klop…, klonk als een echo hamerend in mijn hoofd met een bibberend rythme. Het bleef doodstil in de kamer van de overste. Die stilte deed mij huiveren.

Ik wachtte met spanning op het teken dat ik naar binnen mocht gaan. Volgens de regels van het klooster moesten wij minstens twee minuten wachten wanneer de overste geen antwoord gaf, voordat we weer op de deur mochten kloppen. En als er dan nóg geen uitnodiging kwam om binnen te gaan, moesten wij weer vertrekken. Dan moesten we aannemen dat moeder-overste in beslag werd genomen door andere bezigheden.

Een heel lange minuut ging voorbij. Een storm van angsten stak in mij op. Ik trilde over mijn hele lichaam.

Met spanning had ik de laatste drie maanden uitgezien naar dit ogenblik. Sinds ik mijn aanvrage om dispensatie van de gelofte naar Rome had gezonden via onze kardinaal-aartsbisschop, was er een vreemd gevoel van ontspanning en vrijheid over mij gekomen. Ik was vol vertrouwen, dat ik van achter deze ijzeren muren' vandaan zou komen, ook al wist ik dat vele andere nonnen het ook geprobeerd hadden en er niet in geslaagd waren.

Maar die vreemde stilte die volgde op mijn aankloppen aan de deur van de overste, bracht mijn vertrouwen aan het wankelen. Ik werd bang dat er op het laatste moment tóch nog iets verkeerd was gegaan. Dat zou verschrikkelijk zijn. Uit mijn hart steeg een intens gebed op naar de Heere, die mij tot op dat moment op wonderbare wijze had bijgestaan.

Ik vatte weer moed en klopte weer aan …… klop …… klop. Plotseling leek het of de kamer weer tot leven kwam. Ik hoorde het gewone fluisteren en de lange h'm, h'm …… van binnen de kamer. Ik proefde de vijandigheid uit die geluiden. Maar misschien was die indruk te wijten aan mijn angst. Met loden stappen kwam ik de kamer binnen.

Ze bevonden zich allemaal in de kamer: de provinciale overste en de raad van het klooster. Ik voelde mij als een vreemde temidden van al die nonnen, ook al droeg ik nog steeds datzelfde donker-bruine kleed van de karmelitessen, dat rondom het middel werd vastgehouden door een leren ceintuur met een grote rozenkrans, die een twinkelend geluid voortbracht bij de geringste beweging, en al had ik nog steeds dezelfde zwarte sluier en dezelfde zwarte kap op mijn hoofd. Maar in die ogen die mij trachtten te doorboren, las ik een wanhopige frustratie en tegelijk een arrogante verachting. Ik voelde me te zwak om lang in hun ogen te kijken. Het leek of de grond onder mijn voeten vandaan schoof. Het leek alsof de muren rondom mij krakend in elkaar stortten. Ik haalde breed adem en slaakte een diepe zucht. Alle kracht die ik voor dat moment had geprobeerd op te sparen, stroomde zo maar weg uit mijn zwakke vlees.

Ik ging naar de troon. Ik knielde ervoor neer, zoals ik ontelbare malen vroeger gedaan had. Zoals gebruikelijk nam ik het scapulier van degene die op de troon zat. Ofschoon ik niet had durven opzien, wist ik wie op de troon zat: de provinciale overste. Ik kuste die kwalijk riekende scapulier zoals de gewoonte was. Het was mijn laatste symbool van kloosterlijke gehoorzaamheid. Het kussen van dat scapulier verleende mij opnieuw 300 dagen aflaat, die volgens een genadige beschikking daaraan verbonden is door de paus, die daarbij kan putten uit de onuitputtelijke schat van de verdiensten van Christus, Maria en de andere heiligen, waarover de katholieke kerk beschikken kan.

Twee of drie tranen welden op uit mijn ogen en druppelden neer op dat bruine scapulier van de karmelitessen. Dat scapulier was een heilig voorwerp. Het was vanuit de hemel gebracht door Maria zelf als de moeder en de koningin van de Karmel als speciaal teken van bijzondere voorliefde, die zij heeft voor de karmelitessen en karmelieten. Maria zou dat persoonlijk overhandigd hebben aan Sint Simon Soek van Ailsford in een tijd die zeer kritiek was voor de roomse kerk, zoals eenmaal de Heere persoonlijk de stenen tafelen aan Mozes had geschonken, waarop de tien geboden gegrift waren. Toen ik zag dat ik met mijn tranen dat scapulier bevochtigd had, kwam ik tot mezelf. Ineens kwam de hele situatie mij uitermate komisch en paradoxaal voor. Met smekende ogen zag ik de overste aan. Ik bad dat heel die affaire spoedig zou zijn afgelopen.

Maar zij lazen in mijn ogen iets meer dan dat. Nog steeds koesterden ze de hoop dat ze mij van gedachten zouden kunnen veranderen. Het was hun laatste kans. Moeder D. kwam snel naar voren. Volgens kerkelijk recht was D. geen moederoverste meer, maar wij moesten haar nog steeds aanspreken met de titel moeder, omdat ze eenmaal overste was geweest. Dat was een gevestigde gewoonte. Als je daar tegen in ging, dan zou je hemelse Bruidegom dat als een grove oneerbiedigheid beschouwen, die Hemzelf was aangedaan.

Moeder D. kwam met uitgestrekte handen op mij af en deed mij opstaan. Haar ogen glinsterden vol verwachting en geveinsde vreugde. Ze begon mij met lieve stem toe te spreken, terwijl ze haar linker arm om mij heen had geslagen:

„Arme, kleine Sarto…… hoe pijnlijk, hoe verschrikkelijk, hoe onrustig moeten deze dagen voor jou geweest zijn! Maar je hoeft je geen zorgen meer te maken over die dagen. Dat is allemaal voorbij. We zullen er nooit meer over praten".

Ik vroeg mij af, waar ze naartoe wilde. Een ogenblik was ik mijn zelfbeheersing kwijt. Waarom kreeg ik nu ineens zoveel liefde? Waar haalde zij die lieve toon in haar stem en die warme gevoelens ineens vandaan? Ik had haar nooit zo teer horen praten. Maar naarmate ze verder ratelde, werd het mij duidelijk. Haar woorden hadden slechts één bedoeling. Het was hun laatste poging om mij van gedachten te doen veranderen. Het was hun laatste kans.

„Je ziet, zuster Sarto, je aanvrage aan Rome is ingewilligd. Maar je moet goed begrijpen: dit is geen bevel om het klooster te verlaten. Het is alleen maar een toestemming. Je mag van ons weggaan, maar je bent er niet toe verplicht. Deze dispensatie is door de paus met heel veel tegenzin en met grote pijn gegeven. Als je die aanvaardt, dan betekent dat een diepe wonde in het hart van onze Moeder, de Heilige Katholieke Kerk, die zoveel voor jou heeft gedaan. Ze zal altijd uit die wonde bloeden, die jij geslagen hebt in haar … Ze zal altijd verdriet hebben om jou……"

„Lieve Sarto, aan jou is nu de beslissing of je dit dokument aanvaardt ja of nee. Dit is je laatste gouden kans, mijn lieve zustertje. Je ziet, de barmhartige Moeder, de Kerk, en de Karmel-Moeder, al de bisschoppen, de kardinalen, de priesters, de kloosterzusters en zelfs de Heilige Vader zelf, zij allen wachten op dit moment vol spanning of ze misschien toch een positief antwoord van je krijgen. Als-je-blieft, liefste, pleeg geen verraad, bedroef hen niet die zoveel vertrouwen in je stellen…" Met volle stromen bleef deze zoete woordenvloed zich over mij uitstorten. Ik keek om mij heen en keek iedereen recht in de ogen. Die ogen keken naar mij, vol uitnodiging, vol belofte. In die ogen hadden ze al hun liefde en al hun medelijden neergelegd die ze maar naar boven konden halen. Ze hadden zich tot het uiterste ingespannen om deze laatste show goed op te voeren. Ze wilden mij slechts ervan overtuigen dat de ondertekening van dit dokument mijn ondergang zou gaan betekenen. Ze wilden mij terugroepen van deze heilloze weg, die ik op het punt stond in te slaan. Ze wilden dat ik bewaard zou blijven voor de hemelse Bruidegom, gered van de eeuwige hel, beveiligd tegen de verraderlijke wereld daarbuiten, beschermd tegen de diabolische listen van de vorst der duisternis.

De woordenstroom van moeder D. scheen niet te stuiten. Ze voelde zich blijkbaar aangevuurd door het instemmende hoofdknikken, het glimlachen en het goedkeurende gemompel van de andere zusters.

Maar ik had al die argumenten al zo vaak aangehoord. Ze waren tot mij gekomen uit de monden van mensen die allerlei standen en graden van de kerk vertegenwoordigden. De een had het nog ontroerender weten in te kleden dan de ander. Maar er was niets nieuws in voor mij. Het kwam steeds op hetzelfde neer. Natuurlijk de Moeder, de Kerk, kan niet veranderen! Het zou een aanmatiging zijn dat van haar te vragen.

Ik werd ongeduldig. Ik zou wel dat zo vurig begeerde dokument uit hun handen willen grissen en ermee weg willen vluchten, weg uit die kamer, die gevuld was met machten en overheden. Ik voelde het gevaar dat mij bedreigde nl. dat ik langzamerhand mijn krachten die ik voor dit moment had opgespaard, zou verbruikt hebben en in elkaar zou storten.

Met een ruk maakte ik mij los uit die omhelzing van moeder D. Met beslistheid keerde ik naar de Troon terug. De provinciale overste leunde op de tafel vóór de Troon. In haar hand hield ze een grote envelop en het dokument van de dispensatie met het gewijde zegel van de Heilige Congregatie voor de Oosterse Kerken. Daar de Syro-Malabarse kerk van India geheel en al oosters is in haar ritus en haar tradities, was zij onder dit departement van het Vatikaan ondergebracht. Dat heilige Departement van de Oosterse Kerken was het geëigende kanaal, waarlangs wij kontakten konden krijgen met de heilige Moeder, de Kerk, en met de Heilige Vader, de paus.

Zonder een woord te uiten strekte ik mijn handen uit naar de provinciale overste. Meteen namen allen een andere houding tegen mij aan. Gloeiende ogen volgden mij vanuit alle hoeken van de kamer. Vanaf dat moment verklaarden zij mij de oorlog. En ze voelden zich reeds bij voorbaat zeker van de overwinning. Ze wisten hoe ze de strijd moesten voeren en ze beschikten over allerlei middelen om mij na mijn uittreden te breken. Maar op dat grote moment van mijn beslissing kon ik daar niet meer over nadenken. Ik had lang van te voren en herhaaldelijk en heel diep mij alle mogelijke gevolgen van mijn beslissing voor de geest geroepen. Ik kon nu niet meer terugkomen op mijn beslissing, die zozeer gerijpt was. Ik was nu genaderd tot een „point of no return". Niets zou mij meer kunnen afhouden van wat ik mij had voorgenomen. Niet deze zusters of welk ander lid ook van mijn kerk had mij daartoe gebracht, maar ik was ertoe genoodzaakt vanwege dat afschuwelijke roomse stelsel, waarvan zij blinde werktuigen waren. Ofschoon ik toch ook weer medelijden had met die zusters, die toch ook weer tegelijk slachtoffer waren van dat harde stelsel, moest ik er mij op voorbereiden om als het nodig zou zijn, terug te vechten, wanneer hun oorlogsmachine tegen mij op gang zou komen. In mijn geest lag alles helder voor mij open. Er was geen aarzeling, geen twijfel en geen angst meer in mij.

De provinciale overste spreidde het dokument voor mij op tafel uit en beval mij het te lezen. Ik kende de inhoud reeds. Toch probeerde ik het te lezen. Maar ik kon het niet. Dat zo gewichtige papier verblindde mij.

Na enkele ogenblikken schoof de overste mij een ander papier voor en vroeg mij dat te tekenen. Het was een bewijs dat zij mij dat dokument van de dispensatie hadden overhandigd en dat aan Rome zou moeten worden opgezonden door de provinciale overste.

Ik had geen pen bij mij. Men bood mij een pen aan. Ik tekende dat papier met ongeloofllijke moed en koelbloedigheid. Toen gaven ze mij het dokument van de dispensatie, het schrijven van het heilige Rome. Ik greep er gulzig naar en klemde het in mijn rechterhand, zodat het niet uit mijn bezit kon raken.

Een ogenblik keek ik de kring rond en zocht in hun ogen enig teken van begrip en van verzoening. Maar reeds waren hun blikken verhard. Er lag een koud vuur in hun ogen als van staal. Ik was voor hen reeds een door God en mensen vervloekte. Zij moesten nu alleen maar zorgen hun belangen die door mijn uittreden dreigden geschaad te worden, zo goed mogelijk te verdedigen. Ze zouden alles op alles zetten om de goede naam van de orde van de karmelitessen te verdedigen, want mijn uittreden zou mede een oorzaak kunnen worden van een vermindering van kloosterroepingen vanwege de opspraak en de ergernis. Zij gingen uit van deze grondstelling: „Het is beter dat één vrouw sterft, zodat de hele orde moge leven", want de orde had immers tot heilig doel het streven naar de volmaaktheid van het christelijk leven op aarde.

Uit de diepten van mijn hart stak ineens een razende wervelwind op en verspreidde zich over mijn hele vrouwelijke wezen. Ik wist niet of die storm destruktief of konstruktief van aard was, of ik daardoor gedreven werd naar een nieuw leven of naar een nieuw sterven. Ik rende uit die duistere kerker vandaan. Ik rende naar „mijn" kamer. Nee, niet naar „mijn" kamer, want wij hadden geen persoonlijke bezittingen in het klooster. Alles was gemeenschappelijk. Wij gebruikten slechts wat de orde ons in haar grootmoedigheid had afgestaan. En wat we dan hadden gekregen, mochten we niet het „mijne" noemen, maar slechts het „onze". Ik rende dus naar de kamer die ik in gebruik had, of naar onze kamer. Toen ik daar aankwam, stond ik een ogenblik perplex. De deur was aan de buitenkant gegrendeld.


Het Evangelie is geen praatstuk, maar:

„een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft" (Rom. 1:16)


NONNEN, SYMBOLEN VAN HET HEILIGE

In L'Oss. Rom. E.E. van 10 en 17 jan. is een lang artikel verschenen van prof. dr. V. P. Miceli S.J. onder bovenstaande titel. Wij citeren daaruit:

„Vreugdevolle slachtoffers van het Heilige.

De gehoorzame kloosterzuster volgt het onderricht en de leiding van de Heilige Kerk, van haar kloosterorde en van haar oversten, want zij vereert Gods Heilige Wil in hen en zij wenst zich geheel te hechten aan Zijn hoge gezag. Bijna vanuit een natuurlijk levensrythme wil zij aan God de totale overgave aanbieden van haar persoon, zodat zij een heilig offer wordt in liefdevolle navolging van de totale overgave van Christus aan de Wil van Zijn Vader".

Dat is overigens geheel in de geest van de uitspraken van het tweede Vatikaanse Concilie over het kloosterwezen, bv.: „Door de kloostergeloften … wordt de mens volledig eigendom van God, die hij boven alles liefheeft, zodat hij op een nieuwe en bijzondere rechtsgrond in de dienst van God en van Gods eer is opgenomen"

(Dogmatische Constitutie over de Kerk, nr. 44).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Van achter de IJZEREN muren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's