Enkele getuigenissen
van taalkundige aard over de komst van het Evangelie in Spanje
Het is buiten twijfel, dat er reeds vroeg, in de tweede eeuw, kerken gesticht zijn. Er is althans door Irenaeus in zijn boek „Tegen de ketterijen" (±180) melding gemaakt van gemeenten in Spanje.
Hij schrijft:
„Noch de in Germanië gevestigde gemeenten hebben iets anders geloofd of iets anders overgeleverd dan de prediking der apostelen, noch die in Spanje, noch die onder de Kelten." (Adversus haereses 1, 10, 2).
Irenaeus constateert daar de trouw van de Spaanse gemeenten aan de leer der apostelen. Maar hij zegt niets over de vraag lang welke weg het tot stichting van deze gemeenten, die dus in zijn dagen reeds bestonden, is gekomen.
De mogelijkheid dat het a.h.w. dochtergemeenten van de Keltische groep van Gallië, met name Lyon en Vienne zijn geweest, is gering. En wel om de eenvoudige reden, dat de laatstgenoemde, Keltisch sprekende gemeenten waren, afkomstig uit Galatië, waar ze Grieks spraken. De oudste vondsten van grafschriften en martelaarsacten e.d. bewijzen echter, dat in de Spaanse Christengemeenten Latijn werd gesproken.
De taal van de grafschriften wijst er zelfs op, dat er in Spanje al vroeg zich een eigen, onafhankelijk kerkelijk leven heeft ontwikkeld. Termen als „famulus Dei" (dienstknecht Gods, slaaf), „famulus Christi" komen praktisch alleen in Spanje voor. Niet in Afrika, niet in Italië.
Evenzo is het gesteld met uitdrukkingen als „obdormivit in pace", „requievit in pace" (ontslapen in vrede), om niet meer te noemen.
Gezien het grote verschil in de terminologie der opschriften tussen het gebied van Mauretania, Algiers èn Baëtica is het ook uitgesloten te achten, dat de kerkstichting vanuit of via Noord-Afrika plaats vond. Zeer lang werd er in de Afrikaanse gemeenten Grieks gesproken. En in Spanje vanaf het eerste begin Latijn.
De oudste Spaanse Bijbelvertaling was de „Vetus latina", zoals uit de Mozarabische liturgie blijkt, Latijn. De brief van Cyprianus aan de gemeenten van Leon, Astorga en Merida was in het Latijn gesteld. Enz.
Het is daarom het meest waarschijnlijk, dat de stichting van de gemeenten al vroeg, reeds in de le eeuw of in het begin van de 2e eeuw, rechtstreeks vanuit Italië is geschied. Er was een zeer druk handelsverkeer tussen Baëtica, Gades met name, Tarragona en Rome. Vele Spanjaarden zochten hun geluk in Rome en bleven daar, Seneca o.a.; anderen keerden terug. Handwerkslieden, soldaten van de Romeinse cohorten, kooplie den zullen mogelijk reeds in Paulus' dagen of zelfs voordat Paulus in Rome kwam - dat kan ook - het in Rome of elders gehoorde Evangelie in de Spaanse steden, waar zij verbleven, hebben verkondigd.
En het verschil in terminologie tussen de Spaanse en Italiaanse kerken - voorzover er verschil is - kan wijzen op een vroege vestiging van een eigen kerkelijk leven - onafhankelijk van Rome.
De overheersing door de Roomse hiërarchie is uit later tijd en is zeer beslist niet-apostolisch!
Berichten over de Christelijke kerken van de eerste eeuwen
Wanneer we ons hiervoor beperken tot de betrouwbare gegevens, is het resultaat vrij sober. We lazen reeds wat Irenaeus vermeldde van de trouw der in Spanje gevestigde gemeenten. Hij noemde niet de namen van de gemeenten.
Eusebius zegt er in zijn „Historia ecclesiastica" in het geheel niets over. Wel worden er namen genoemd in het z.g. Martyrologium, dat op bevel van paus Gregorius XIII in 1586 door Baronius uitgegeven werd en waarin de legende van Torquatus en zijn metgezellen - de z.g. zeven mannen - voorkomt.
Zij zouden in Carthagena aan wal gestapt zijn en naar het oude Acci (Guadix) getrokken zijn. De bevolking, die buiten de stad een feest vierde ter ere van Isis en Nethas, stormde op hen los en zou hen op hun vlucht naar de stad gedood hebben als niet - aldus de overlevering - de brug het onder de last van de vervolgers begeven had. Door dit teken van God - zo werd het beschouwd - vond de prediking van Torquatus ingang. Hij zou opziener geworden zijn te Acci, de andere zes: Ctesiphon te Vergium, Secundus te Abula, Indaletius te Urci, Caecilius te Illiberis, Hesychius te Carteja en Euphrasius te Iliturgi. In hoeverre deze legende die uit de Mozarabische liturgie stamt, betrouwbaar is, is niet na te gaan. Het zou aan het einde van de eerste eeuw gebeuld zijn en de eerste vestiging van Christengemeenten betekenen.
Wel is het zeker, dat reeds 150 jaar later te Merida, Leon en Astorga gemeenten met voorgangers aan het hoofd bestaan hebben. Dit blijkt uit de brief van Cyprianus, bisschop van Carthago, mede uit naam van 36 ambtsdragers ge richt „aan de presbyter Felix, en de gemeenten welke zich te Legio en Asturica bevinden, evenzo aan Laelius, de diaken en aan de gemeente welke zich te Emerita bevindt…" Deze brief dateert van het jaar 253 of 254.
Kennelijk is in die eeuw het Evangelie met kracht over het gehele land voort gegaan, want op de synode van Elvira (306) zijn daar 19 bisschoppen en 21 presbyters uit het gehele land samen. Maar de meesten waren afkomstig uit dc steden van het Zuiden, van Baëtica. Waarschijnlijk waren enkele gemeenten uit het Noorden om de grote afstand of de tijdsomstandigheden niet aanwezig. Zowel echter de naamlijst van Elvira als de opschriften op monumenten uit de vroegste tijd wijzen uit, dat de eerste Christengemeenten zich hoofdzakelijk in het Zuiden bevonden, in en rondom Merida, Sevilla, Cordoba, Malaga. In de eerste vier eeuwen heeft het Christendom zich, waarschijnlijk van twee zijden tegelijk, in Spanje een weg gebaand: vanuit het zuiden, uit Cordoba, Sevilla over Merida en Salamanca naar het Noorden en vanuit Tarragona in Westelijke richting langs de Ebro over Zaragoza.
Te Leon ontmoetten de beide stromen elkaar.
Reeds geruime tijd voor het midden van de 3e eeuw was zo het Evangelie over heel het land gepredikt. Al beteken: dat niet, dat Spanje toen reeds een Christelijk land was. Want het 13e Concilie van Toledo (683) nam nog besluiten tegen de afgodendienaars en in de canone: van het Concilie van Toledo dat onder leiding van Rekkared gehouden werd (589) staat te lezen: „Quoniam paene per omnem Hispaniam idolatriae sacrilegium inolevit…", wat betekent: aangezien bijna door geheel Spanje de heiligschennis van de afgodische eredienst zich heeft vastgezet…
Helaas geldt dit, zij het in andere vorm, heden ten dage nog. Spanje heeft zich maar voor korte tijd in de rechte kennis des Heren mogen verheugen.
ZO ZIJN ONZE MANIEREN…
In Confrontatie van april 1973 gaf pater dr. A. Emmen een vertaling van een pauselijke toespraak, waarbij aan de paus woorden in de mond worden gelegd, die echter door de paus zijn bedoeld als citaat. Die zogenaamde woorden van de paus worden zelfs vet gedrukt. Ze luidden: „Ja, wij roepen zelfs op tot een punktuele naleving e r v a n . . " (bedoeld zijn de voorschriften van Trente over de biecht). Maar in het Italiaans staat: „si richiama" en niet „richiamiamo" zoals dr. Emmen blijkbaar heeft gedacht. Wij hebben in een brief hem op die vergissing attent gemaakt en verwachtten dat hij deze vetgedrukte vergissing zou laten rectificeren. Dat is echter niet gebeurd. Integendeel, ik kreeg niet eens antwoord. Zo zijn de manieren van hen die er blijkbaar niets om geven al of niet vet gedrukte onjuistheden aan het goed-gelovig publiek voor te schotelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
