Gods getuigenis
en menselijke bevinding
Iemand schreef: „Ik merk meer en meer dat er in de artikelen van uw blad een blik in eigen hart wordt geworpen en zou u daarom de vraag willen stellen: Gelooft u dat dit heilzaam is voor het doel van uw blad? IRS bedoelt toch getuigenis te zijn. Wat is getuigenis? Wel, in de allereerste plaats: het getuigenis van God, en niet het mijne of het uwe. Natuurlijk niet de ietter van het Woord, zoals dat in sommige kringen gebeurt, waardoor men dan aan de kern van het Evangelie voorbijgaat. Nee, Gods getuigenis bestaat uit het in alle nuances aan de naaste bekendmaken van de toorn van Hem over de zonde, en daaraan vast het heil in Christus".
ONS ANTWOORD:
Wij zijn steeds dankbaar voor zulke reakties. Dat is opbouw van de Gemeente van Christus; dat is gemeenschap der heiligen. Dat zijn broederlijke waarschuwingen, die wij graag ter harte nemen. Ziehier dan wat wij menen te moeten antwoorden:
Ik ben blij dat u zo duidelijk Gods getuigenis voorop stelt en ik zeg daar van harte en volledig ja op. Maar.. dat getuigenis Gods is niet abstrakt en richt zich niet zo maar algemeen tot dé mensen, maar tegelijk tot mij persoonlijk. Het getuigenis Gods tegenover „de" mensen is niet los te maken van het getuigenis van God tegenover mij.
Wanneer de Heere in de Bijbel alle mensen aanspreekt en allen in staat van beschuldiging stelt en zijn gegronde toorn over hen openbaart, dan raakt dat mij heel persoonlijk. Dan hoor ikzelf de Heere het eeuwige doodsvonnis over mij uitspreken. Dan zie ik in het licht van Zijn Woord mijn ontzettende schuld, waardoor die toorn Gods niet zo maar de willekeur is van iemand, die zich gekrenkt voelt, maar de volle gerechtvaardigde verontwaardiging over mijn zonden en zondigheid. Wanneer Gods Geest mij dat door het Woord laat zien, dan word ik daar verbroken onder. Dan kan ik alleen maar mijn schuldige hoofd buigen en ootmoedig vragen:
O God, wees mij, zondaar, genadig! Dat was het gebed van de tollenaar. Toen hij zijn schuld had gezien, bad hij niet: O God, wees ons, zondige mensen, genadig; zijn gebed werd direkt heel persoonlijk.
En wanneer ik dan in diezelfde Bijbel de oproep hoor: „En dit is de wil des Vaders die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uitersten dage. En dit is de wil van Degene die Mij gezonden heeft, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwig leven hebbe" (Joh. 6:39-40), — dan weet ik door dat Woord en door de werking van de Heilige Geest, dat die oproep tot mij heel persoonlijk is gericht. Ik bemerk (bevind) dat, omdat die oproep mij innerlijk aanspreekt, omdat de Heilige Geest mij door dat Woord Christus doet aanschouwen. En onder de drang van die Geest zeg ik dan onweerstaanbaar „ja" tegen Christus.
Maar daarom kan ik die oproep tot geloof niet losmaken van mijzelf; ik word daardoor immers zalig; ik word daardoor vrijgesproken van de eeuwige dood, die ik verdiend had. Ik ben er te diep en te persoonlijk zelf mee gemoeid.
De Bijbel is met geen ander boek te vergelijken. Geen enkel boek richt zich zo direkt, zo radikaal, zo persoonlijk en existentieel tot mij als de Bijbel. Daarom kan geen mens louter objektief-zakelijk (voorwerpelijk) over de Bijbel spreken of schrijven. Altijd zal de weerklank die het Woord in ons door de Geest heeft teweeggebracht, meetrillen.
Wanneer ieman meent tóch zakelijk-onpersoonlijk over het Woord Gods te kunnen spreken, dan vraag ik me af, of hij werkelijk wel de boodschap van de Bijbel persoonlijk heeft doorleefd, of hij door de werking van Gods Geest via dat Woord geraakt werd in zijn hart. Want dan geldt van hem: „Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn" ( 1 Kor. 2:14).
Ik ben het echter direkt met de briefschrijver eens, dat wij altijd weer die weerklank in ons hart moeten toetsen aan het Woord Gods; anders gaan we eigen (vrome) wegen op, die echter niet de wegen Gods zijn. En het is de traagheid van ons hart die er ons toe kan brengen om maar te gaan leunen op die weerklank die we eenmaal in ons hart hebben gehoord, op die persoonlijke bevindingen. Dan zijn we net eender als de mensen die konklusies trekken uit de Bijbel en dan vanuit die konklusies weer verder gaan redeneren. Altijd moeten wij terug naar Gods Woord. Dat geldt ook voor onze belijdenisgeschriften, hoe mooi die ook zijn. Het Woord Gods is het voedsel voor onze ziel en niet de belijdenisgeschriften; die zijn slechts prachtige hulpmiddelen om dat Woord te verstaan en er de samenhang in op te sporen. Maar onze zekerheden mogen nooit voortkomen uit de belijdenisgeschriften zelf, maar steeds uit de Schrift, waarnaar overigens die belijdenisgeschriften ook voortdurend verwijzen.
Helemaal verkeerd is het dus, wanneer christenen de weerklank van Gods Woord in hun hart (hun bevinding) als een regel of wet gaan voorschrijven voor de anderen. Dat is tekort doen aan de soevereiniteit van het Woord en de Geest Gods; dat is een zondig heersen over de gewetens van anderen. De Heere wil ieder van ons direkt-persoonlijk aanspreken door en in Zijn Woord en wij moeten geheel ons leven in die vredige spanning, in die intens-luisterende houding verkeren: Spreek, Heere, want Uw dienstknecht luistert. Dat is het boeiende dat de Heere ons niet als één uit de massa behandelt, maar heel persoonlijk elke dag en uur opnieuw met ons spreken wil. Maar wanneer wij gaan steunen op iets buiten Gods Woord, op bevindingen, tradities of gewoonten of wat dan ook, dan weerstaan wij de Heilige Geest en verschralen geestelijk. Daarom nogmaals, moge onze houding zijn: Spreek, Heere, want Uw dienstknecht luistert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
