In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

één in HEM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

één in HEM

10 minuten leestijd

In ons februarinummer stelden wij aan pater dr. B. Naaijkens enkele vragen naar aanleiding van zijn prachtige artike! in „Waarheid en leven", getiteld: „Een zijn met Hem". Wij ontvingen een antwoord, waarin dr. Naaijkens niet rechtstreeks inging op onze vragen, maar dat we toch graag plaatsen vanwege de positieve bijbelse inhoud.

Het is ongetwijfeld verre van gemakkelijk, bij de ontmoeting van iemand die mystiek begenadigd is, te zeggen hoe hoog zo iemand is gestegen. Zuiver geestelijke zaker. zijn zo moeilijk te rubriceren. En zeker is het moeilijk de graad van innerlijk leven te bepalen die Paulus had bereikt.

Op welk niveau van innerlijk leven bewoog hij zich? Vanzelfsprekend zijn desbetreffende studies van groot nut om de grote Apostel beter te verstaan, maar het laatste woord spreekt hijzelf en de Heilige Geest die bij gebed en overweging steunt en onderricht. Bij wijze van inleiding (!) zou men dit mogen zeggen: deze grootste van alle apostelen is zó vol van de Heer Jezus dat hij er niet over zwijgen kan. Hij kan namelijk niet zwijgen over Hem, over Jezus' verlossing door Zijn bloed, (Rom. 3:25) over „Christus die is gestorven en weer levend geworden om Heer te zijn over levenden en doden" (Rom. 14:9); anders „laat niemand u leraar noemen, slechts één is uw leraar" (Matth. 23:8); „gij die anderen onderricht, gij onderwijst niet eens uzelf" (Rom. 2:21). „Ik heb het (Evangelie) ook niet van een mens ontvangen of geleerd maar door een openbaring van Jezus Christus (Gal. 1:12). „Zelf heb ik van de Heer vernomen wat ik u ook heb meegedeeld" (1 Kor. 11:2).

Het is haast eindeloos wanneer men een inventaris gaat opmaken van de gedachten, de geloofswaarheden, de ervaringen van Paulus, waarbij de Heer Jezus een beslissende rol heeft gespeeld. Jezus is voor hem en voor ons Verlosser, Leraar, voorbeeld; offer in waarborg van eeuwig heil.

Maar vergissen wij ons niet: hij was vanaf het begin van zijn apostolische loopbaan, dat is, het moment van zijn bekering, het uitverkoren vat om Jezus' naam te verkondigen, „om Mijn Naam uit te dragen onder de heidenen, koningen en de zonen van Israël" (Hand. 9:15). Alles wat Paulus zegt, probeert hijzelf in dienst te stellen van het Evangelie, zeker als hij uitdrukkelijk daarover schrijft. Geeft hij iets van zijn innerlijke ervaringen weer, dan staat altijd daarbij op de achtergrond: „weest navolgers van mij" zoals ik het ben van Christus" (1 Kor. 4:16).

Als hij de naam van de Heer Jezus niet verzwijgen kan, omdat hij van hem overvol is, betekent dat alleen reeds dat ook wij vol moeten zijn van Jezus: het is immers de samenvatting van het gehele christen-zijn, en het is uiterst aktueel in alle tijden. Dat dit vol-zijn van de Heer Jezus zich o.a. voltrekt in geloof, hoop en liefde tot de Heer, is, men zou geneigd zijn te zeggen, een automatische, althans een onontkoombare konsekwentie. Dit vervuld zijn van de Heer vertolkt Paulus dus onder meer door telkens over Jezus te spreken. En zijn geliefde formule is dan: in Hem, in Jezus, in Christus, of een aequivalente uitdrukking.

Laten we een mogelijke proeve om theoretisch te schetsen welke graad van intensiteit wij bij Paulus' innerlijke omgang met de Heer moeten voorstellen, ter zijde, dan kunnen we op eenvoudige wijze konstateren: hij leeft van Christus, in Christus, en de apostel wil dat OOK WIJ dat willen doen. Dat leven in Christus begint volgens Paulus bij en door het gedoopt worden, maar dit leven in Christus moet dagelijks toenemen, totdat wij werkelijk van Hem vervuld zijn, de mannenmaat van de volwassen Christus hebben bereikt en het Paulus kunnen nazeggen: „Niet ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20).

Het is goed te bedenken dat dit leven in Christus evenveel graden bezit als er personen zijn die Hem aanhangen, Hem liefhebben, en één met Hem willen zijn. Maar voor allen geldt vanaf het begin: „Als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping" (2 Kor. 5:17). De apostel gebruikt bij voorkeur de uitdrukking „in Christus" zijn. „Christus in u", en „Christus in mij" komt aanzienlijk minder voor. Waar het om gaat is de eenheid met de Heer Jezus, door alles heen, in alles, overal, in liefde. En deze eenheid behoort voortdurend intenser te worden, sterker, zelfs voelbaarder. Dit laatste neemt niet weg dat men er dikwijls volstrekt niets van zal voelen. Op zich is immers het „geestelijke" zintuigelijk niet waarneembaar. We zullen bovendien door woestijnen van troosteloosheid, dorheid en eenzaamheid moeten trekken (die zeer louterend zijn) om de volle eenheid te kunnen bereiken die voor ons is weggelegd.

Maar dagelijks wil Hij bij ons zijn, IS Hij bij ons, is Hij in ons. Hij is voor ons allen geworden: wijsheid en gerechtigheid, heiliging en verlossing (1 Kor. 1:30). Hij de ware (de enige!) bron van vreugde en kracht, van troost en bemoediging, van ijver en van volharding tot het uiterste. Waarom spreekt Paulus bijna altijd van „in Christus zijn?" De gedachte ligt voor de hand: de apostel beleeft eenheid met de Heer, als „een-zijn in Hem". Hij heeft de Heer Jezus leren kennen op de weg naar Damascus als de Verheerlijkte, de Verrezene, wiens lichaam aan geen zwaartekracht of lokale begrenzing was gebonden. Paulus heeft op wonderbare wijze in Hem Gods Zoon erkend; zijn Godheid is zoals die van de Vader, overal. De apostel is Jezus binnengegaan, tredend in een oeverloze zee van schoonheid, geluk en kracht, terwijl hij desondanks niet gevrijwaard bleef tegen harde en pijnlijke ervaringen van allerlei soort. „Christus in ons" is niet meer dan een variant, een andere uitdrukking dus, om de eenheid met de Heer tastbaar te maken.

Maar het „MET Christus" en „BIJ Christus" zijn, heeft een vrijwel exclusiefeschatologische betekenis. „Zo zullen wij (na dit leven) altijd bij de Heer zijn" (1 Thess. 4:17).

Het leven met Christus is een uitgesproken christelijke, Paulinistische leer. Dit leven kan iedere dag toenemen in kracht en vruchtbaarheid. De leer van de apostel is zuiver evangelisch. De Heer Zelf zegt ons: „Blijft in Mijn liefde" (Joh. 15:9), en vergelijkt ons „zijn en blijven in Hem", met de rank op de wijnstok (de Griekse tekst heeft: de rank IN de wijnstok), alle leven, alle schoonheid, bloei, vruchtbaarheid puttend uit Hem. De twee uitdrukingen van de apostel „in Christus zijn", en „Christus in ons", worden door Jezus Zelf samengevat in de wonderbare uitspraak: „Wie in Mij blijft en in wie Ik blijf, die draagt veel vrucht" (Joh. 15:5). De grootste troost van ons leven is Jezus' onmiddellijke aanwezigheid, die wij in geloof aanvaarden en in liefde beleven.

ONS WEERWOORD:

Misschien is het artikel van dr. Naaijkens voor sommige lezers wat zwaar. Maar in elk geval kunt u er toch duidelijk zijn diepe eenheid met Christus in lezen en zijn verlangen naar steeds meer groei in geloofsvertrouwen op de Heere Jezus en in liefde tot Hem. En daarin voelen wij ons met dr. Naaijkens verbonden.

Toch wilden wij graag nog een paar opmerkingen eraan toevoegen, omdat hier een heel belangrijk onderwerp wordt aangesneden, namelijk dat van de mystiek. We willen echter het woord „mystiek" maar liever vermijden, want dat heeft bij de rooms-katholieken een andere inhoud dan bij ons. Dat hebt u wellicht reeds kunnen bemerken aan die enkele keren dat dr. Naaijkens dat woord gebruikt. Het gaat hier om de vraag van de verhouding tussen de persoonlijke beleving en de objektieve (voorwerpelijke) waarheid buiten ons, en van de verhouding tussen de Geest en het Woord.

Het Woord: bron en norm

Elke religieuze beleving moet haar bron en haar norm vinden in het Woord van God. Anders worden we een prooi van allerlei dwalingen en vervallen tot vele vormen van valse mystiek en geestdrijverij. Wij moeten dus nooit proberen rechtstreeks tot God op te stijgen. De weg naar God is het Woord.

Zeker, een mens kan getroffen worden door de schoonheid van de natuur en daarin de Schepper gaan loven om de majesteit, die in de schepping ons tegenstraalt. Maar de lofzang wordt veel inniger, wanneer wij die aanheffen in vereniging met wat de Bijbel daarover zegt: „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk" (ps. 19:2); of: „O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde" (ps. 8:2).

Een mens kan door de diepte van zijn eigen ziel heenzinken om te belanden in een eeuwige stilte, waar de grenzen van het kreatuurlijke denken lijken te verdwijnen. Maar veel veiliger en grootser wordt deze ervaring, wanneer we die vertolken met de woorden van de Schrift b.v. van Paulus: „Want in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij" (Hand. 17:28).

De Geest maakt levend

Wanneer het Woord Gods ons aangrijpt, dan is dat altijd door de kracht van de Geest. De Geest maakt het Woord levend voor ons. Wanneer een preek ons geroerd heeft, dan wil dat nog niet zeggen dat dit bewerkt was door Gods Geest. Dat kan vooral of uitsluitend het gevolg zijn geweest van meesleepende woorden van menselijke wijsheid. Paulus geeft dat onderscheid ook aan in de eerste twee hoofdstukken van 1 Kor. Hij schrijft dat hij tot hen gekomen is „niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht, opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods" (2:4-5). Menselijke welsprekendheid, die een tekst uit de Bijbel voor ons behandelt, kan het gevoel raken of het verstand aanspreken, maar wanneer het Woord Gods in ons werkt, dan dringt dat door tot het diepste in ons. Dan kunnen we iets van de Geest Gods ervaren, proeven, die dat Woord heeft geinspireerd en die dat Woord op dat moment uitademt over en in onze ziel. Dat kan ons zelfs zozeer aangrijpen, dat het tot een soort extase wordt. We worden dan meegedreven door die wonderbare, goddelijke kracht van dat Woord of eigenlijk door de Geest, die in dat Woord gestalte heeft aangenomen. Een mens kan daardoor zozeer vertederd of ook getroffen worden, dat hij het wil uitzingen, maar er geen woorden voor vindt. Ik meen dat de overgang naar het bidden in tongen, waarover Paulus spreekt in 1 Kor. 14, aldus verklaarbaar is.

Norm

We herhalen echter nog eens: Elke religieuze ervaring moet haar BRON vinden in het Woord van God. Gebeurt dat niet, dan gaan we zweven, vervallen tot geestelijke hoogmoed en tot allerlei andere zonden.

Maar elke religieuze ervaring moet ook haar NORM hebben in het Woord Gods ALLEEN. Het is ontzettend gevaarlijk, wanneer wij elkaar wegen of weggetjes, wetten of wetjes, gaan voorschrijven, waarlangs de Geest zou moeten werken. Het is blijkbaar voor ons heel moeilijk om ten volle de vrijmacht van de Heilige Geest te eerbiedigen. Er is in ons een zucht om over anderen te heersen, om hen te leiden naar onze eigen inzichten.

Er zijn mensen die meteen een mede-christen veroordelen, wanneer hij wat erg uitbundig juicht over het heil, dat hem in Christus deelachtig is geworden; of wanneer hij niet helemaal meer meester is van zichzelf, als hij spreekt van wat God zijn ziel heeft aangedaan. Ze doen dat meteen af met de schampere opmerking: „valse mystiek" en onder elkaar zeggen ze dan: We moeten niet de christen, maar de Christus verkondigen. En daar zit veel waarheid in, maar de hoogste waarheid kan soms de grootste onwaarheid worden.

Anderen zien verachtelijk neer op mede-christenen die geen dag of uur van hun bekering kunnen vermelden. Soms is het al voldoende voor hen om een ander af te wijzen, als hij hun geijkte termen niet gebruikt. Laten wij toch steeds de soevereiniteit van de Heilige Geest eren, want „deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan eenieder in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil" (1 Kor. 12:11). „Gelijkerwijs Hij wil..", niet dus zoals wij dat in onze eigenwijsheid willen.

O diepte!

Ik besluit met een van de meest extatische uitroepen over Gods ondoorgrondelijke en aanbiddelijke Wezen:

„O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen" (Rom 11:33-36).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

één in HEM

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973

In de Rechte Straat | 32 Pagina's