Het godsdienstonderwijs en de moderne gelovige mens
Bij een gesprek over het godsdienstonderwijs op de scholen zei me onlangs iemand: „Dat onderwijs bezorgt me tegenwoordig nogal wat „extra avondwerk". Ik moet namelijk iedere avond bij mijn kinderen weer uit het hoofd proberen te praten wat de godsdienstleraar op school er overdag heeft trachten in te praten! Mijn kinderen vragen daarom trouwens zelf. Want mijn kinderen zijn gezonde, vrolijke, idealistische, moderne jonge mensen, en daarom zijn ze met de theorieën van hun godsdienstleraar helemaal niet gelukkig. Sommige klasgenoten zijn er wél gelukkig mee. Maar dat zijn precies diegenen, die je eigenlijk niet meer „gelovigen" kunt noemen. En „modern" zijn ze feitelijk nog minder!"
Mijn zegsman had het bij dit alles vooral over het godsdienstonderwijs op de middelbare school. En ik moet zeggen, dat ik zijn opmerkingen daarover heel erg goed kon begrijpen. Want ook ik ben van mening, dat hoe langer hoe meer godsdienstleraren geen flauw idee blijken te hebben van het werkelijke „moderne" levensbesef van de jonge gelovige mensen van tegenwoordig. Want als ze dat idee wél hadden, dan zouden ze deze jonge mensen niet zo herhaaldelijk te lijf durven gaan met opvattingen en theorieën, die misschien wel ooit indruk gemaakt hebben op cerebrale „verlichte" jonge mensen van de 19e eeuw, maar die helemaal niet meer passen bij het idealisme en het frisse, gezonde levensgevoel van de jonge moderne mensen van tegenwoordig, die zeer bewust niet meer leven in de 19e eeuw, maar met hart en ziel in de 20ste eeuw van nú!
En dat geldt niet alleen voor de gelovige jonge mensen, maar zelfs óók voor de ongelovige. Want, behoudens enkelen die zó afkerig zijn geworden van de denkrichting van deze tijd, dat ze dan maar een stap terug hebben gedaan en de oplossing van hun problemen zijn gaan zoeken in het verouderde rationalisme van een vorige eeuw, zien toch óók onder hén de meesten daarin de oplossing niet. Want als jonge mensen, die volop leven in de 20ste eeuw, zijn ook zij zich meer dan ooit tevoren maar al te zeer bewust van het vele boeiende, geheimzinnige, geestelijke, wonderbare, ondefinieerbare en ongrijpbare in het mensenleven. Vandaar dat zij meer dan ooit tevoren de winkels bestormen, waar Iektuur te koop is over „occulte verschijnselen" of geheimnisvolle levensbeschouwingen, in de hoop dat ze daarin de oplossing van hun harts- en geestesproblemen zullen vinden.
Welnu, met de gelovige jonge mensen is het niet anders!
Ook zij hebben precies hetzelfde levensbesef en ze zijn precies evenzeer als welke andere jonge mensen ook met hart en ziel behorend tot de 20ste eeuw. En ook zij zijn daarom voortdurend op zoek naar de oplossing van dezelfde problemen als waarvoor de ongelovige jonge mensen de oplossing proberen te vinden in boeken over occultisme, spiritisme, astrologie enz.
Met deze jeugd van de 20ste eeuw krijgen we te doen bij de godsdienstlessen op school. En dan bedoel ik nu verder speciaal de gelovige jonge mensen van de 20ste eeuw. Want zij zijn het hoofdzakelijk die op school de godsdienstlessen volgen of moeten volgen.
Daarom zou het dan ook vanzelfsprekend moeten zijn, dat het godsdienstonderwijs op school zou worden afgestemd op deze moderne gelovige jeugd.
Maar dat is helaas dikwijls helemaal niet het geval. Want hoe aftands en achterlijk en ouderwets het toch allang is geworden, het gebeurt toch nog op grote schaal, dat godsdienstleraren deze jeugd van de 20ste eeuw, die met hart en ziel gelooft in puur geestelijke, mystieke, ongrijpbare, ondefinieerbare, wonderbare en onbewijsbare werkelijkheden, te lijf durven gaan met allerlei koud en dor en doods rationalistisch gedaas uit de 19de eeuw, zonder daarbij rekening te houden met de levendige, originele, romantische, moderne geestelijke mentaliteit van degenen, die gedwongen zijn om naar dit „achterlijke" gedaas te luisteren.
Het gevolg daarvan is, dat het wantrouwen tegen en de afkeer van het godsdienstonderwijs bij de gelovige jonge mensen steeds meer groeit, omdat ze dit onderwijs voelen als een direkte aantasting van hun jonge, moderne, 20ste-eeuwse levensbesef en als een poging om hen juist die dingen te ontnemen, waarvan zij verwachten, dat die hun geweldige honger naar het levende, onzienlijke, troostende, ongrijpbare, geestelijke, romantische, wonderlijke en goddelijke in het leven zullen stillen. En daarom is aan deze moderne, mondige, zelfdenkende jonge mensen van de 20ste eeuw met hun moderne levensgevoel voor het warme, mystieke en wonderbare in het leven, het kille, platvloerse, rationalistische gedoe van de 19de eeuw niet meer te verkopen!
Het is niet mogelijk om op grond van gewaagde veronderstellingen en zeer aanvechtbare argumenten aan deze jonge mensen wijs te maken, dat alle of bijna alle wonderen van het Oude Testament „sprookjes" zijn of „inkleding" of „leerverhalen", die in werkelijkheid nooit zijn gebeurd, en dat mensen, die in de werkelijkheid van de wonderen van Jezus geloven, Hem tot een soort onwerkelijke „tovenaar" zouden maken.
Zoiets slikken moderne gelovige jongeren niet. Want zij laten zich zo maar niet eventjes al het bovennatuurlijke, wonderbare en verrassende, waarvan zij in het leven houden, ontnemen!
En degenen die het wagen om de spot te drijven met de „watermuren" in de Schelfzee of met de verhalen over Simson of over Daniël in de leeuwenkuil, zullen door de moderne gelovige jeugd van de 20ste eeuw niet beschouwd worden als echte moderne godsdienstleraren van de 20ste eeuw, maar afgewezen worden en bespot als slaafse kostgangers van een „achterlijke" 19de-eeuwse filosofie!
Zo is het voor de moderne gelovige jeugd ook volstrekt niet in te zien, dat het historisch-kritisch bijbelonderzoek van Bultmann enz. meer te vertrouwen zou zijn dan het even zorgvuldig historisch-kritisch onderzoek van andere bijbelgeleer den, die intussen echter gewoon blijven vasthouden aan de historische werkelijkheid van de wonderbare feiten, die in een wonderbaar boek, dat onder de wonderbare leiding van Gods Heilige Geest is geschreven, worden verteld. En het is voor deze jeugd ook wetenschappelijk volstrekt onverantwoord als iemand de historische waarde van een verhaal (Noach) zo maar eventjes gelijk stelt met die van een gelijkenis (de verloren zoon) door te beweren, dat zoeken naar de resten van de ark van Noach even onzinnig zou zijn als gaan zoeken naar de resten van de boerderij van de vader van de verloren zoon: Dergelijke beweringen komen bij de moderne gelovige jeugd eerder over als laaghartige spot dan als ernstige wetenschapsbeoefening!
En zo geloven moderne gelovige jonge mensen ook niet, dat een feit, dat op zichzelf misschien ook wel eens een natuurlijke oorzaak kan hebben, óók niet in een bepaald geval en met een bepaald doel een bóvennatuurlijke oorzaak zou kunnen hebben, zoals de Bijbel dat over de „watermuren" in de Schelfzee vertelt.
En daarom keren deze moderne gelovige jonge mensen zich hoelanger hoe meer af van hun zogenaamde „moderne" godsdienstleraren en van de kerken, die dergelijke godsdienstleraren op hen afsturen, en vertrouwen zij zich liever toe aan mensen als de apostel Petrus, die uitdrukkelijk verklaarde: „wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd", en verder aan allen, die „gedreven door de Heilige Geest" heel lang geleden de boeken van de Bijbel hebben geschreven, maar zó, dat ze ook nu nog precies passen in het moderne levensgevoel van de moderne jonge mens van deze 20ste eeuw. Want deze jonge gelovige mens vindt het helemaal niet vreemd, dat Degene, die in de Bijbel „de God die wonderen werkt" genoemd wordt, ook werkelijk grote „ongelofelijke" wonderen heeft gedaan! Daarom ook keren steeds meer moderne gelovige jongeren zich af van de godsdienstleraren en kerken, die hen blijven ergeren en hinderen met brutale, kille, rationalistische theorieën uit een voorbije 19de eeuw, en zoeken ze steeds meer een rechtstreeks kontakt met de persoon van Jezus zelf, omdat Hij niet alleen in de heerlijke en wonderbare verhalen van de Heilige Schrift, maar ook nü nog iedere dag in het leven van de moderne gelovige jongeren van deze tijd bewijst, dat Hij nog altijd in staat is en bereid is om de warmte, de zaligheid en het geluk van het bovenaardse, wonderbare, verstandelijk wèl ongrijpbare en onbegrijpbare, maar daarom niet minder werkelijke mysterie in het leven van een jonge gelovige moderne mens te brengen.
Wie daarom met deze moderne mentaliteit van de moderne gelovige jeugd van deze 20ste eeuw geen rekening wenst te houden, is de naam van „godsdienstleraar" in onze tijd niet waard!
Die naam wordt alleen terecht en met ere gedragen door mensen, die niet de gelovige ouders van gelovige jongeren dwingen tot „extra avondwerk", maar die persoonlijk in staat zijn om op school aan de jeugd alle heerlijke, wonderbare, verrukkelijke en „ongelofelijke" verhalen van de Heilige Schrift vanuit een persoonlijk, levend geloof uitvoerig en met enthousiasme te vertellen!
En dat is hypermodern!
Want dat en dat alléén is precies aangepast aan het idealisme en aan het heerlijke, gezonde, warme, moderne levensgevoel van de moderne gelovige jeugd van deze 20ste eeuw!
Godsdienstleraar te Denderleeuw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
