In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

PIJN WAS FIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PIJN WAS FIJN

5 minuten leestijd

In „Mijn weg naar het licht" heb ik eenvoudig verteld over de praktijk van de geseling en het dragen van bodekettingen in het klooster, waartoe ik behoorde. Sommigen hebben mij dat zeer kwalijk genomen; anderen beweerden zelfs dat mijn verhalen daarover op pure fantasie berustten.

Het verblijdde mij dat ik in een aan mij toegestuurd krantenknipsel van de Telegraaf (20-1-73) een uiteenzetting las van pater franciscaan Zacheus van Heerlen, die precies hetzelfde zegt.

En ook thans wil ik dezelfde vraag stellen als ik deed in mijn boek: Als die geseling en dat dragen van de boetekettingen zulk een schande was, dat er angstvallig over gezwegen werd, waarom heeft men dat dan tot 1950 volgehouden? Draagt de Bijbel ons praktijken op, die het licht niet mogen zien?

„Pijn was fijn vroeger. Niet in de perverse betekenis, maar omdat je een beetje boete mocht doen voor al het kwaad in de wereld. Pijn was fijn, omdat het van God kwam, of omdat het als straf op de zonde een zuiverende funktie had. Pijn was fijn als je je hartstochten moest leren beheersen. Pijn joeg de geest uit het lichaam.

De dokters vonden dat wel eens gek. Wat heb jij daar nou voor strepen op je achterwerk, vroegen ze dan. En dan zei je maar: ach dokter, dat betekent niks. Maar het kwam van het geselen. Tweemaal in de week moesten wij onszelf geselen. Om de hartstocht eruit te krijgen. De braafste partners deden het wel elke dag. Je mocht vér gaan. Als je maar zorgde niet ziek te worden.

Die dokter keek mij alleen maar aan, toen hij die striemen bij mij zag. Ik geloof dat hij er weinig van begreep. Ik was blij, dat hij mijn armen niet hoefde onderzoeken. Om mijn armen droeg ik elke dag een paar uur van dat fijne prikkeldraad.

Offeren

Ja, pijn was fijn. Je had wat te offeren aan God. Je kon zeggen: nou God, de pijn die ik vandaag lijd, is voor de heidenen. Misschien werd er dan iemand bekeerd. Of voor de zondaar naast de deur. Of, als je zélf gezondigd had, als boetedoening. Ergens had je het gevoel: als ik zóveel lijd, is die schuld ook weer vereffend.

Onderling werd er bijna nooit over gesproken. Je hoorde wel eens wat van andere kloosters, orden en congregaties, hoe ze het daar deden, die zelfkastijding. Wij moesten het twee keer per week doen, laten we zeggen tot omstreeks 1950, al ben ik er bijna zeker van, dat er nu nóg priesters zijn, die zich regelmatig kastijden. Maar officieel werd het stilaan na de tweede wereldoorlog afgeschaft. Eerst in Duitsland.

Misschien hadden de Duitse priesters en paters iets van de oorlog overgehouden. Ik weet dat ook niet precies. Je hoorde van Duitse paters die dat geselen té fijn vonden, die kregen daar sadistische of masochistische, hoe noem je dat nou, neigingen van. En dat was de bedoeling natuurlijk niet. Dat zagen wij er hier helemaal niet in. Wij werden door het lijden gelouterd.

Hoe braver, hoe harder

Twee keer in de week, bij de franciscanen zelfs drie keer per week, alle paters naar boven. Voor het bed of in de gang met het nachthemd aan. Touwen die aan de uiteinden uitgesponnen waren, of leren riemen in de hand. Dan ging het licht uit en zongen we de psalm Miserere, Ontferm U. En dan, in het stikdonker, het nachthemd omhoog en pats, pats, pats op de blote billetjes. De ondeugd en de hartstocht eruit slaan. Dat deed pijn.

Hoe braver je was, des te harder je sloeg. De allerbraafsten deden het vaak in hun kamertjes nog eens dunnetjes over. Ik niet. Ik was niet zo brave. Maar hard of zacht, dat werd aan je eigen beleefdheid overgelaten. Je hoefde nooit hard te slaan en langer dan vijf minuten duurde zo'n kastijding nooit. Maar strepen liet het altijd wel na, zodat zo'n dokter later vreemd stond te kijken als hij je voor iets anders moest onderzoeken.

Ik heb nooit zo erg van die zelfkastijding gehouden, al begreep ik wel dat die nodig, nuttig en door God gewild was. Ik werd er altijd een beetje nerveus van, vooral van dat prikkeldraad om je armen, dat heb ik nog veel langer dan 1950 volgehouden. De nonnen, heb ik gehoord, deden het weer anders. Die sloegen op hun schouders en rug. Tot er dokters kwamen die zeiden, dat dat slecht was voor de longen. Toen is dat, na de oorlog, ook afgeschaft al zal het hier en daar nog wel voorkomen. Maar je ziet het: de nonnen lopen nu ook al zonder kap en met korte rokken.

Modernisme

In dit klooster lijd ik ook. Het barst hier van de modernisten en niemand wil nog met me praten. De andere paters negeren me, nemen me niet serieus, uitschelden doen ze me niet, ze pesten anders. Misschien hangt het tóch allemaal wel samen: toen wij ophielden ons uit vrije wil te kastijden en te versterven, veranderde de wereld. De genietingen werden hoger genoteerd dan de pijn. Er kwam een golf van verslapping, vindt u zelf nou ook niet?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PIJN WAS FIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

In de Rechte Straat | 32 Pagina's