Gods soevereine genade
Altijd weer wordt het Evangelie van Gods soevereine genade bedreigd. Soms gebeurt dat uit bewuste menselijke zelfhandhaving. Dan proef je in de uiteenzettingen van hem die dit Evangelie afwijst, heel duidelijk zijn verzet tegen deze totale ontluistering van de mens. Soms echter gebeurt het op vrome wijze door mensen, die toch écht wel Christus willen verheerlijken en die ook bereid zijn de vernedering te ondergaan dat ze hun eigen zondigheid moeten erkennen. Maar juist dan kan de dwaling het gevaarlijkst zijn, omdat ze zich hult in een vrome kleding. En juist dan moet zo iets ontmaskerd worden niet als een zonde van deze christen, want zij willen niets liever dan de zonde zoveel mogelijk uit hun leven bannen, maar als een list van de Boze, die er altijd op uit is de eer van Christus zoveel mogelijk te roven.
Beste Vriend en Broeder,
Ik ben erg geschrokken van uw getuigenis, dat u mij liet toezenden. Ik neem aan, dat u het accepteert, dat ik overeenkomstig de opdracht van de Bijbel en overeenkomstig een van de grondbeginselen van de reformatie heel eerlijk mijn mening hierover zeg. Welnu ik vind uw uiteenzettingen volkomen onbijbels. Heel uw getuigenis wordt op deze manier — zonder dat u dat bedoelt — een lofzang op wat u hebt gepresteerd. Bijna met nadruk wordt de mogelijkheid van de roem van Christus uitgesloten, doordat u zo duidelijk stelt, dat u dat alles met uw vrije wil hebt gedaan. Het was dus een prestatie van uw wil. Als dat zo is, dan volgt onmiddellijk de konklusie van Paulus: „Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God" (Rom. 4:2). Dan is ook uw getuigenis een verhaal van eigen roem.
In uw uiteenzetting staat u volkomen aan de kant van de humanist Erasmus tegenover Luther, aan de kant van de r.-k. kerk tegenover de reformatie. Nee, ik kan daar beslist niet in mee gaan. Zelf heb ik daar al te veel onder geleden in de r.-k. kerk. Ik heb daar ook alles geprobeerd om een heilige te worden. En overeenkomstig de leer van de r.-k. kerk was dat een zaak .van genade en van de vrije wil. Het werd dan wel eens populair zó voorgesteld: 95 % genade (= een bovennatuurlijke kracht, die je aan je eigen vrije wil kreeg toegevoegd) en 5 % vrije wil. Maar juist die 5 % gaf mij stof tot eigen roem. En tóch wilde ik daar niet aan toegeven. Waarom? Was dat een onbewust bijbels besef van de grootheid Gods en van eigen zondigheid? Maar van de andere kant wilde ik ook niet toegeven aan een valse nederigheid en wilde ik vóór alles eerlijk zijn. En als werkelijk 5 % van mijn levensheiliging een prestatie van mijn kant zou zijn, dan moest ik eerlijk zijn en erkennen dat daarvoor roem aan mij toekwam. En tóch wilde ik die zelfroem niet en leed er onder. En nu komt u met een leer die precies hetzelfde beweert. „Ik heb een vrije wil", zo roept u uit. U vergelijkt de vrije wil om God te kiezen met de vrije wil om allerlei andere dingen in het leven te kiezen. Maar daar zit nu juist de fout in uw redenering. Ik ben bijna zeker dat u de belijdenis van de gereformeerde gezindte nooit echt begrepen hebt. Hebt u de Dordtse Leerregels wel eens goed bestudeerd? IJ maakt er een karikatuur van. U stelt het voor alsof onze leer is, dat de Heilige Geest ons behandelt als stokken en blokken, terwijl de Dordtse Leerregels dat juist met nadruk ontkennen. Wij zijn van nature onmachtig (en onwillig) om God te kiezen. Die onvrijheid is van een heel andere aard dan de vrijheid, waarover u het hebt: „als ik wil, kan ik mij in Holland of in Canada vestigen". Maar ik heb de indruk dat u dat verschil niet eens GEZIEN hebt.
We moeten naar elkaar luisteren; dan word je door elkaar verrijkt en vooral dan vermijd je om een karikatuur van de opvattingen van een andere christen te maken. En dat doet u beslist in uw strijd tegen de reformatorische opvattingen. Als u die leer wat beter bestudeert, dan zult u bemerken, dat ook wij van een vrije wil spreken, maar dan van een wil die door Christus is vrijgemaakt en die dan als herboren wil vanuit zijn diepste wezen „ja" zegt tegen Christus en Hem aanneemt. Wij kunnen onze wil niet vrijmaken; dat kan alleen Christus (Joh. 8:30-36).
Ik beluister bij sommige predikanten of evangelisten uitdrukkingen, die mij onprettig en onbijbels aandoen. Zo hoorde ik onlangs een dominee zeggen: „Toen knielde ik samen met die of die neer en nam hij Jezus aan". De bekering, het aannemen van Jezus Christus, kan in een moment gebeuren, dat erken ik ten volle; de Heilige Geest is vrijmachtig. Maar de bekering is iets van onze diepste persoonlijkheid; ze raakt het innigste van onszelf; het is een wonder Gods, waar je stil van wordt. En door er zo over te spreken is op hetzelfde niveau, zoals iemand ook kan besluiten om beter zijn best te doen op school, zijn driftbuien wat meer te beheersen, minder of helemaal niet meer te roken, enz.
Maar ik dacht altijd: als dergelijke broeders zich overigens zo dicht mogelijk bij de Bijbel houden, dan kan het geen of weinig kwaad wanneer ze soms uitdrukkingen bezigen, die ons niet zo liggen. Maar u verwijdert u ver van de Bijbel. U gaat een hele filosofie opbouwen over de vrije wil. En dan zou ik u willen vermanen: Schoenmaker, blijf bij je leest. Het probleem van de vrije wil en Gods aloorzakelijkheid is iets, waar velen, ook niet-christelijke filosofen, mee geworsteld hebben.
Ik meen zelfs dat we dat probleem nooit met de rede kunnen oplossen. Ik heb filosofie en geschiedenis van de filosofie gedoceerd. Ik weet er dus wel het een en ander van af. En ik ben juist vanuit de filosofie tot de overtuiging gekomen dat filosofisch dat probleem niet is op te lossen. En daarom maakte het een beetje een kinderlijke indruk op mij, dat u meende even in een handomdraai, met een paar vergelijkingen, dat probleem wél te kunnen oplossen. Want u was aan het redeneren over dat probleem. En dan ben je meteen op filosofisch terrein.
U zult mij nooit in een preek horen zeggen dat de wil van de mens niet vrij is. Ik vind dat dat te filosofisch klinkt. Maar dat gaat evenzeer op van de stelling: De menselijke wil is wél vrij (bedoeld dan in de zin van: vrij om God te kiezen). Ik zal wel verkondigen dat de mens dood is in zonde en ongerechtigheid en dat niemand tot Christus kan komen, tenzij de Vader hem trekke; en dat slechts als de Zoon ons heeft vrijgemaakt, wij waarlijk vrij zijn. Dat allemaal zijn immers uitdrukkingen van de Bijbel. Maar ik roep evenzeer op tot bekering, tot geloof in Jezus Christus en leg de volle verantwoordelijkheid voor het niet-aannemen van Christus bij de zondige mens. Niemand gaat verloren, tenzij door eigen schuld, niet door Gods schuld.
Ik ga mij echter niet verdiepen in filosofische achtergronden van die bijbelse gegevens. Ik probeer zo dicht mogelijk bij de Bijbel te blijven. Een van die bijbelse gegevens is dat alle roem aan Christus moet worden toegebracht. Ook ik zal zeggen: „Komt allen tot Mij.."; dat is een oproep van Christus. Een dergelijke oproep van de Bijbel is krachtig genoeg in zichzelf; u hoeft dan niet filosofisch te gaan doordazen over een vrije wil. Gods Geest werkt door dat Woord heen en keert niet ledig weer. Of denkt u dat Gods Geest niet nodig is om een mens tot bekering te brengen? Is Gods Geest alleen maar nodig om een beetje sfeer te scheppen op de samenkomsten? Heus, dat is de Heilige Geest Gods niet, zoals Hij Zich in de Bijbel openbaart en zoals Hij door de kerk der eeuwen steeds beleden is, n.l. als de soevereine derde Persoon van de Drieënige God, de levenwekkende Geest, die door het Woord Gods doordringt tot het diepste van onszelf en daar alles blootlegt. Ik houd van getuigenissen, wanneer die één en al verheerlijking zijn van Jezus Christus. Dan is het voor mij net of ik de roem, die de Bijbel voortdurend aan Christus toekent, naar buiten zie treden en zich zie weerspiegelen in de harten van kinderen Gods, die in hun bekering de vrucht zijn van het verlossende werk van Christus.
Maar in uw getuigenis staat voortdurend de mens in het middelpunt. De lezers krijgen te horen wat u gedaan hebt, welke offers u gebracht hebt, hoeveel strijd het ü gekost heeft. Laten we toch wijzen, op het offer dat Christus voor ons gebracht heeft, op de strijd die Hij heeft moeten strijden, vooral in Gethsemane. Dat kan een mens vervullen en troosten.
Nogmaals, ik weet dat u dat zo niet bedoelt. U wilt proberen om in eenvoud door het leven te gaan en niet uw eigen ik op de voorgrond te stellen. Maar.. de Boze kan zo geraffineerd zijn. Hij kan alles, ook onze beste voornemens, gebruiken om het werk van Jezus Christus te dwarsbomen. En daarvoor is nu juist de gemeenschap der heiligen. Wij moeten elkaar waarschuwen en opbouwen. Samen moeten we altijd weer luisteren naar wat het Woord Gods zegt. En met aandrang moet ik zeggen: uw visie is niet bijbels. Ze is een menselijke redenering.
Nog even dit: Misschien zult u tegenwerpen, dat er toch ooit een staat van rechtheid is geweest, toen de wil van Adam en Eva nog echt vrij was en niet gebonden in eigen ongerechtigheid. Oogstten zij dan geen roem voor zichzelf?
In de eerste plaats moet ik dan antwoorden, dat wij beter geen tijd moeten verliezen aan spekulaties over toestanden, waarover de Bijbel maar weinig zegt. En vervolgens: ik meen dat deze eerste mensen in hun ongeschonden staat zo dicht met de Heere wandelden, dat hun ziel doordrenkt was van ootmoedige dankbaarheid om alles wat ze van de Heere gekregen hadden, dat die vraag van de eigen roem zich daardoor niet eens stellen kón. Bij hen was er zulk een volmaakte harmonie met Gods aanbiddelijk wezen, dat hun ziel in voortdurende aanbidding verkeerde van God. (Eenmaal zal dat ook ons ten deel vallen, wanneer de voleinding der tijden is aangebroken en wij voor altijd met Christus zijn).
En vervolgens: bij ons is dat niet meer mogelijk. Ik denk dat ik daarom in het klooster steeds die weerzin heb gehad in de eigen roem, ook over mijn 5 % eigen prestatie bij mijn poging tot levensheiliging, omdat ik intuïtief aanvoelde dat deze roem in elk geval zondig was en mij van God verwijderde in plaats van dat ik daardoor dichter tot God naderde.
Ik geloof ook niet dat u de mensen van de „zware" richting goed hebt begrepen, wanneer u hen tekent. Zeker, wie in Christus is, mag zich „verheugen met een onuitsprekelijke vreugde" (1 Petr. 1:8). Maar die vreugde is een evangelische vreugde, dat wil zeggen ze komt op uit droefheid over eigen zondigheid. En die droefheid blijft een ondertoon van de vreugde. Men zegt van Petrus dat hij elke morgen weer even pijn had, als hij de hanen hoorde kraaien, want ze herinnerden hem aan zijn verloochening van de Heere. Ik kan dat goed begrijpen. Juist die herinnering maakte hem bedroefd, maar tegelijk zo uitbundig en onuitsprekelijk blij in de steeds stijgende verwondering over de Heere, die hem altijd maar weer begenadigde; ook in zijn verdere leven; ook toen Paulus tegenover hem moest staan, omdat Petrus een laf compromis was gaan sluiten met „sommigen uit de kring van Jakobus" (Gal. 2:11-14).
Ik meen dat elk kind Gods die dicht bij de Bijbel leeft, steeds duidelijker eigen duisternis ziet tegenover het licht Gods, eigen zondigheid tegenover Zijn heiligheid. Dan weet je dat de Heere je doorschouwt tot in het diepste van jezelf. Hij ziet mijn geheime beweegredenen en ik kan dan alleen maar niet begrijpen, dat Hij zolang geduld met mij kan hebben. Als ik met iemand zou moeten leven, die ik zó zou doorgronden als de Heere mij doorgrondt, dan zou ik mij steeds weer moeten beheersen; dan zou ik van zo iemand een steeds grotere afkeer krijgen. Maar waarom krijgt de Heere dan nooit genoeg van mij? Juist Hij, de volstrekt Heilige, zou Zich vol afschuw op den duur van mij moeten afwenden.
Ik weet en u weet dat ook, wat het antwoord is. Dat antwoord luidt: Jezus Christus. Gods eeuwige welbehagen rust op deze Zoon van Zijn liefde en uit pure barmhartigheid heeft de Vader dit welbehagen uitgestrekt ook over mij. De Vader heeft mij met Christus verbonden en Zijn trouw laat mij nooit meer los, want het is de trouw, waarmee de Vader verbonden is met de Zoon, die Hij verheerlijken wil.
Ik geef direkt toe, dat er in sommige kringen soms te weinig gesproken wordt vanuit die onuitsprekelijke blijdschap van het Evangelie. Maar deze mensen zijn dan fout, NIET daardoor dat ze de zonde zozeer laten zien in haar verwoestende kracht en afschuwelijkheid voor Gods ogen — je kunt de zonde nooit donker genoeg tekenen — maar daardoor dat ze te weinig naar voren laten komen wat de Bijbel zegt over de barmhartigheid Gods, die zo groot is, dat God „Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet ten verderve ga, maar het eeuwig leven hebbe" ( Joh. 3:16).
Beste broeder, laten we toch beiden luisteren naar Gods Woord met alle intensiteit. Wanneer we de kant op gaan van het arminianisme, dan betekent dat de ondergang van de Gemeente van Jezus Christus. Kijk maar naar de geschiedenis in Nederland. Wat is er over gebleven van de remonstrantse broederschap? Verreweg het grootste gedeelte is vrijzinnig geworden; zij vonden zelfs de basisformule van de Wereldraad van Kerken nog te orthodox; ze zijn echter toch lid kunnen blijven van de Wereldraad van Kerken, omdat hun de verzekering werd gegeven, dat ieder die basisformule op zijn eigen manier mocht interpreteren.
Intussen met hartelijke broedergroeten,
NASCHRIFT:
Intussen had ik een gesprek met deze broeder. En daaruit bleek - wat ik trouwens in mijn brief reeds veronderstelde - dat ook hij alle roem aan Christus wilde geven en de lof van de loutere genade wil bezingen. Hij had zich slechts willen verzetten tegen een onbijbelse vorm van lijdelijkheid, waarbij men de schuld van het onbekeerd-zijn afschuift op God. We zien hieruit opnieuw het gevaar van de reaktie. We slaan zo gemakkelijk over naar een ander uiterste en worden dan vanuit de reaktie weer zelf onbijbels.
Daarom is de waarachtige gemeenschap der heiligen zo enorm belangrijk. Dan kunnen we elkaar voortdurend korrigeren. Ook ik krijg menigmaal brieven van lezers met opbouwende kritiek over artikelen van In de Rechte Straat. Ik ben daar erg dankbaar voor en heb in de loop van de jaren daar al heel wat van geleerd.
INDIA
„De situatie van de ex-priesters in India is zeer gecompliceerd. Zonder een studie ter plaatse zult u er maar weinig van kunnen begrijpen. Het is uitermate moeilijk voor een ex-priester om hier aan de slag te komen. De sociale discriminatie van de ex-priester is hier zeer sterk en de economische druk die op hem wordt uitgeoefend, dreigt hem te verlammen. En daarom staan velen van hen aan de verleiding bloot om hun toevlucht te nemen tot oneerlijke praktijken. Verschillenden van hen missen ook voldoende moed, omdat ze geen sterke geloofsovertuiging bezitten. Vriendelijk zou ik u daarom willen verzoeken om India te bezoeken en hun treurige toestand te bestuderen".
Vijai Vilas-Kanaiambetta
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
