Ons werk in India
30 juni 1972
Ons evangelisatiewerk onder rooms-katholieken en anderen is voorspoedig. We hebben hier wel een twintig huissamenkomsten en langzamerhand is er een kleine gemeente ontstaan van mensen die, voorzover wij dat kunnen beoordelen, werkelijk tot bekering zijn gekomen. Ik houd straatprediking in het Engels en in het Marathi- Hindi. We verspreiden het Evangelie van Johannes gratis. Onder de vele persoonlijke kontakten bevinden zich hindoes, mohammedanen, buddhisten en roomskatholieken. Ik heb reeds honderden Evangeliën weggegeven; ik had liever dat het er duizenden waren, maar we kunnen dat niet bekostigen.
Maar wat is het heerlijk, wanneer wij dit rijke Evangelie om niet aan alle mensen mogen verkondigen! O wat zou het geweldig zijn, wanneer nog eenmaal de volle gloed van de apostolische tijden zou terugkeren, wanneer er nog eenmaal een grote herleving zou komen en de liefde van de eerste christengemeenten weer zichtbaar zou worden in deze laatste periode van de geschiedenis — tot lof en eer van onze God en onze Zaligmaker, Jezus Christus. Laten wij daarvoor bidden.
Uuhasnagar
Douglas Rodricks
N.B. Zijn getuigenis hopen we in een volgend nummer te publiceren.
27 juli 1972
Met tranen in de ogen schrijf ik mijn geschiedenis neer, die ik hier (door ons kort samengevat. H.J.H.) laat volgen.
Ik ben gedurende 15 jaar priester geweest in de congregatie van Maria Onbevlekt Ontvangen. Ik ben secretaris geweest van de provinciale overste, leraar aan een gymnasium, retraite-prediker enz. Maar nu ben ik in ongenade gevallen. Sinds vier jaar is mij elk werk ontnomen. Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar de oorzaak daarvan ligt in het nepotisme (het voortrekken van familie-leden) en in een vrij willekeurig beleid van gunsten-uitdelen door de oversten.
Ik kreeg wel te eten, maar overigens zat ik gevangen tussen de kloostermuren. En dat is toch zeker niet het doel van mijn leven? Daarvoor heb ik toch niet die lange vóóropleiding gehad, dat ik voortaan maar wat zit te vegeteren in het klooster, wachtend op de dood die eenmaal komen zal?
Op 20 mei van dit jaar ben ik dan ook uit het klooster ontsnapt. Ik verblijf nu bij mijn broer in K. Ik zou mijn leven toch graag dienstbaar willen maken, ook voor de vele armen van India.
Het verblijf bij mijn familie kan niet al te lang duren, want ook zij zijn zeer arm. Ik zou een nieuw bestaan moeten kunnen opbouwen. Kunt u mij daarbij helpen?
Kottayam
M. Lachumthara
Ik ben een jezuiet, priester gewijd in 1966. Zeer tot mijn spijt kwam ik echter tot de ontdekking van de duidelijke onrechtvaardigheid en onwaarachtigheid in mijn kloosterorde. (De beschrijving daarvan laten we liever achterwege. H . J. H . ). Ik ben er tegen gaan strijden. Ik kón niet anders; mijn geweten verplichtte mij daartoe. Twee en een half jaar heeft die strijd geduurd, en ik heb zelfs de Congregatie voor de Kloosterlingen in Rome (= een departement van de Curie. H.J.H.) gesmeekt om een onpartijdig onderzoek. Ik kreeg geen antwoord. Daarom heb ik tenslotte mijn orde verlaten en heb mijn priesterambt neergelegd. Ik wil nu de strijd verder voeren, maar niet meer van binnen — dat was dus onmogelijk — maar van buiten.
Ik hoorde dat u ex-priesters en ex-nonnen in India steunt. Mag ik ook van u hulp vragen? Ik zou een beweging willen starten, die zich keert tegen dat onrecht, dat via deze kloosterorde ook aan de armen van India wordt aangedaan.
Krishna
Thomas J. MnPhukattil
N.B. Zoals de lezers van IRS bemerken, zijn het niet steeds geloofsmotieven, waarom priesters hun ambt neerleggen en hun kerk verlaten. H.J.H.
14 juli 1972
Dierbare broeder, wij bevinden ons in een zeer kritieke situatie. Mijn kind is 23 dagen in het ziekenhuis geweest. Wij vreesden dat we hem voor goed zouden moeten verliezen op aarde. Maar de Heere heeft hem voor ons gespaard.
Ook mijn vrouw Celine is in het ziekenhuis geweest, gelukkig maar voor een week. Toch zijn de rekeningen van het ziekenhuis opgelopen tot 800 ruees (ƒ 400,—). Nu zitten we aan de grond. Zou uw stichting ons over deze moeilijke tijd heen kunnen helpen?
Trivandrum
J.P.Th.
11 mei 1972
Ik ben hier verbonden aan een Baptist Home School. Ik preek soms 's zondags in de baptistenkerk. Ik geef les in het Engels. Men heeft mij deze betrekking gegeven met de opdracht te proberen het peil van de school te verbeteren. Maar hoe kan dat, als je niet over materiaal beschikt. Het is een moeilijk bestaan. Het salaris is zeer laag en wordt onregelmatig uitbetaald.
Ik woon hier in de staat Nagaland in het noorden van India. Die staat behoort tot de meest onderontwikkelde gebieden van India. De dorpen liggen op grote afstand van elkaar in dit uitgestrekte bossengebied.
Is het niet mogelijk dat u ons wat helpt om die school wat vooruit te helpen? Ik stuur u hierbij tevens mijn getuigenis, hoe ik als priester tot het Evangelie kwam.
Chizani
V. J. Alexander
17 juni 1972
Het is met pijn in het hart dat ik deze brief schrijf. Toch heb ik er de moed toe, want ik weet dat u eens in dezelfde situatie hebt verkeerd als zo menige ex-priester nl. dat je menselijkerwijze gesproken geen toekomst meer ziet, nadat je je priesterambt hebt neergelegd.
Angsten verlammen mij soms, als ik bemerk dat geen enkele van mijn plannen slagen. Soms komt er een straal van hoop, maar dan weer verdwijnt de zon spoedig achter allerlei wolken van moeilijkheden.
Daardoor rijzen allerlei vragen in mij naar boven, zelfs deze vraag: Heb ik er wel juist aan gedaan, toen ik de r.-k. kerk verliet? Zijn al die moeilijkheden misschien een straf van God voor mijn onjuiste stap? Die moeilijkheden duren nu al zes jaar.
25 september 1972 — Er doet zich thans deze mogelijkheid voor. Ik kan een klein stuk vruchtbare grond kopen, niet ver van het huis van een gelovige familie, vrienden van ons. Als ik dat zou kunnen kopen, dan, daar ben ik zeker van, opent zich een nieuwe weg voor mij naar een vaste toekomst. Maar ik zou dan minstens ƒ 1000,— nodig hebben.
Zou het niet mogelijk zijn om mij met zulk een gift er boven op te helpen?
Bangalore
C. Fernandez
N.B. Ons kontaktadres in India, ds. J. J. Wesley, een goede bekende tevens van ds. J. Maris van de ICCC, heeft ons gunstig over dhr. Fernandez gerapporteerd. H.J.H.
NASCHRIFT
Dat zijn slechts enkele gevallen van nood onder de ex-priesters in India, die wij deze zomer kregen. De lezers van IRS zullen het met ons eens zijn: We moeten helpen, indien maar enigszins mogelijk. Het gaat hier over India, een zeer onderontwikkeld land, en het gaat hier over ex-priesters die een grote ontwikkeling hebben gekregen: zes jaar gymnasiale studies, twee jaar filosofie en vier jaar theologie. Dat is dus een rijkdom aan ontwikkeling. Het zou onverantwoord zijn, wanneer dat kapitaal aan ontwikkeling voor India verloren zou gaan, doordat deze ex-priesters in de goot terecht zouden komen en hun talenten niet in dienst zouden kunnen stellen van hun eigen onderontwikkeld vaderland.
Maar het gaat hier ook over tientallen ex-priesters en dus moeten we ons de vraag stellen: Hoe kunnen we hen op de meest efficiënte wijze helpen? Daarom heeft het bestuur van IRS besloten dat ik binnen afzienbare tijd naar India zou gaan om samen met ds. Wesley, eveneens een Indiër, de zaak te onderzoeken en door te praten.
Mogen wij ook deze nood van India onder uw aandacht brengen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
