GODS HEILSPLAN
Bestaat dat heilsplan hierin:
God heeft Zijn Zoon gezonden om de schuld van zondige mensen uit te boeten, en die uitdelging van de schuld voltrekt zich aan een mens, wanneer hij de beloften in de Bijbel leest en die aanvaardt?
Nee, beslist niet. Gods heilsplan is veel en veel rijker. De Heere wil dat persoonlijk aan elk mens die Hij uitverkoren heeft, zeggen: Gij zijt van Mij, gij zijt gekocht door het bloed van Mijn Zoon.
Hoe doet de Heere dat? Door een bijzondere openbaring? Door een visioen? Door een hoorbare stem?
Nee. De kerk der eeuwen heeft die opvatting steeds met klem afgewezen. Zo verwerpen de Dordtse Leerregels hen „die leren, dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring; want door deze leer wordt de vaste troost der ware gelovigen in dit leven weggenomen". Toch moeten we eraan toe voegen dat in sommige kringen het erop lijkt, alsof men wél zulk een bijzondere openbaring verwacht en niet eerder de vreugdevolle heilszekerheid durft smaken.
Hoe zegt de Heere dan wél tot Zijn uitverkorenenen dat ze voor eeuwig in Zijn handpalmen gegrift zijn? Hij doet dat door Zijn Woord, zoals dat in de Schrift is opgetekend. Maar dan niet als een woord dat daar zo maar zakelijk voor ons ligt. Hij doet dat doordat Hij in en door dat Woord tot ons persoonlijk spreken gaat. Dat is wat Paulus bedoelt met het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten. Die Geest begint niet zo maar in het wilde weg in onze harten te getuigen. Hij doet dat steeds door het Woord van Christus heen, „want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken". „Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen" (Joh. 16:13, 14).
Het is dus niet juist, wanneer wij tegen zoekende mensen zeggen: Het staat in de Bijbel, dat wie in Christus gelooft, het eeuwige leven heeft. Geloof dus maar in Christus en dan mag je zeker zijn dat je een kind van God bent.
Aan zulk een geloof als wilsbeslissing van de mens heeft niemand iets. Zulk een geloof biedt je geen enkel houvast, wanneer de verzoeking komt en de twijfel ons bestormt. Zulk een geloof leidt tot teleurstelling en ontgoocheling.
Vreemd is dat dergelijke christenen soms op ander gebied wél voortdurend uitzien naar aanwijzingen van God. Bij allerlei beslissingen in hun leven willen ze graag een innerlijke zekerheid van de Heere hebben dat Hij op een of andere manier konkreet Zijn wil openbaart. Maar bij deze diepste en eigenlijke beslissing, de overgave in geloof aan Christus, verwachten ze niet zulk een verlichting door Gods Geest. Daartoe kun je volgens hen beslissen puur op grond van wat in de Bijbel staat, zonder enige innerlijke verlichting door de Geest.
Het is merkwaardig dat de r.-k. kerk dit bijbelse gegeven van de noodzaak van de verlichting door de Heilige Geest nooit helemaal uit het oog heeft verloren. Het Concilie van Orange heeft in 529 dít uitgesproken: „Indien iemand beweert dat een mens op grond van zijn natuurlijk vermogen in staat is iets goeds te denken dat tot het verwerven van de zaligheid en het eeuwige leven zou strekken, of op de prediking van het Evangelie zou kunnen antwoorden met een keuze die hem het heil brengt — zonder de verlichting en de inspiratie van de Heilige Geest die aan allen de zoetheid schenkt bij het instemmen met en het geloven in de waarheid —, iemand die dit beweert, is op een ketters dwaalspoor geraakt, en hij heeft niet de stem van God begrepen die in het Evangelie zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen" ( Joh. 15:5); en evenmin de stem van de apostel Paulus: „Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken als uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God" (2 Kor. 3:5)". En het concilie verwijst dan tevens naar Augustinus in „De gratia Christi 25".
Zelfs in het Concilie van Trente is hiervan nog een helaas zwakke echo terug te beluisteren.
Nee, lezers, wij mogen allen uitzien naar zulk een persoonlijk spreken van God tot ons door Zijn Woord. We worden opgewekt door de Bijbel zelf om daar voortdurend om te smeken. Ja, zulk een rijke en barmhartige God hebben wij dat Hij tot ons wil spreken niet zomaar door een Woord dat als een soort notariële akte zakelijk in de Bijbel is vastgelegd, maar door een Woord dat Hij verwarmt en verlicht door de zoete werking van Zijn Geest en persoonlijk tot ons richt.
Maar juist daarom spoort de brief aan de Hebreeën ons aan om op het „heden" van die stem Gods te letten. „Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet" (Hebr. 3:7—4:13). Zodra wij die stem van Gods Woord in ons hart horen klinken, dan moeten we op ons qui-vive zijn; dán moeten we onszelf onderzoeken, of niet de zucht naar werelds vermaak en onze zondige zelfhandhaving ons ervan wil weerhouden om aan die roepstem Gods gehoor te geven. „Verhardt dan uw harten niet!". HEDEN!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
