Ook al hebben de anderen een opwekking nodig… ik niet!
Getuigenis
Enkele weken geleden nam ik deel aan een bespreking over een opwekkingscampagne, die wij met nog enkele andere christenen wilden voorbereiden.
Die bespreking ging natuurlijk gepaard met een bidstonde, want wat helpt het, wanneer wij allerlei prachtige plannen maken en de Heere er niet Zijn zegen over gebiedt. De leider van die bespreking stelde ons deze uitdagende vraag: „Bent u bereid de prijs van de opwekking te betalen?" Die vraag drong diep door tot mijn hart en ik voelde mij niet op mijn gemak.
Vlak voor de beëindiging van de samenkomst zong het koor: „Ik heb besloten Tezus te volgen — nu kan ik niet meer omkeren, neen, er is geen ommekeer mogelijk". Van te voren vertelde de koorleider ons, dat ditzelfde lied jaren geleden gezongen werd door christenen in China, toen zij in de rij stonden om doodgeschoten te worden vanwege hun standvastige geloof in Jezus Christus. Toen ik dat hoorde, kon ik dat lied niet meer met een eerlijk hart meezingen. Het was duidelijk dat God toen reeds begonnen was tot mij te spreken, ofschoon ik Zijn stem nog niet wilde erkennen en liever niet wilde luisteren naar wat Hij mij zeggen wilde.
Niet lang daarna kwam de beslissing dat wij definitief tot zulk een opwekkingscampagne zouden overgaan en de Sutera Tweeling, die hiertoe een uitnodiging kregen, meenden ook dat de Heere verlangde dat zij die campagne zouden leiden. Mét vele anderen was ook ik overtuigd dat zulk een opwekking nodig was. Ik kon meteen konkreet aanwijzen, wie zulk een opwekking erg goed kon gebruiken. Voor die zou het goed zijn, en voor dié, en vooral voor dié….
Ik geloofde in de kracht van het gebed en daarom gedacht ik die opwekkingscampagne in mijn dagelijkse gebeden. Ik vroeg ook aan vrienden en kennissen om daarvoor te bidden, want ik was overtuigd dat een opwekking een algehele ommekeer zou betekenen in het leven van menigeen. Maar er was één persoon, die ik daarin niet betrok, omdat ik meende dat zij een opwekking helemaal niet nodig had en die persoon was …. ikzelf.
De campagne begon en de Heere, die weet wat er in de gedachten van ieder van ons omgaat en die ieders nood kent, begon de gebeden te verhoren. Hij kende ook de noden van mijn ziel, ook al wilde ik die niet erkennen en Hij begon met mij te spreken in termen die geen twijfel meer overlieten.
De eerste avond schudde de spreker ons wakker met deze oproep: „Doe uw ogen open. Luister naar wat de Heere tot u zeggen wil: Opwekking is Gods vinger, die naar u wijst". Ik hield niet van die indringende taal die ik te opdringerig vond, maar ik ging er de volgende avond toch opnieuw naar toe. De getuigenissen van hen die in vorige campagnes door de Heere geraakt waren, en ook de boodschap zelf, alles was duidelijk gericht en gevuld met kracht.
Die avond sprak de Heere met mij over het feit dat ik slechts „een stille getuige" van Hem was geweest tot dan toe. Al gedurende jaren was ik werkzaam geweest als leidster van verschillende verenigingen in de kerk. Het kostte mij geen moeite om met mijn kennissen te spreken over wat God aan mij gedaan had, toen ik tot bekering kwam, maar zodra ik op mijn werk was temidden van volkomen buitenkerkelijke mensen, dan leek het wel of de duivel een zegel op mijn mond had gelegd. De Heere onderhield mij daar ernstig over, maar ik trachtte de Heere duidelijk te maken, dat mijn korrekte gedrag toch ook al een getuigenis was en dat ik in elk geval met vrijmoedigheid van Hem getuigde tegenover mijn direkte vrienden in de kerk. Ik zei ook tegen de Heere dat dit toch niet zo'n belangrijk punt was en ik vroeg Hem mij hierover niet meer lastig te vallen en liever te spreken tot hen, die zulk een indringend gesprek met Hem werkelijk nodig hadden. Maar, Gode zij dank, de Heere luisterde niet naar mij.
De volgende avond ging de Heere verder met Zijn gesprek. Een van de punten uit de prediking die mij troffen, was: „Zich bezorgd maken is zonde". De Heere zei tegen mij: „Frieda, dat moet jij je aantrekken".
Ik had meteen mijn antwoord klaar en zei tegen de Heere: „Maar ik heb het hierin toch al een heel eind gebracht. Ik maak mij toch beslist niet zo erg nerveus meer als vroeger. En bovendien er moet toch iemand in huis zijn, die de zorg voor alles op zich neemt. We hebben toch immers twee opgroeiende teen-agers; dat weet U toch ook". En weer probeerde ik de Heere ervan te overtuigen dat dit toch maar een klein puntje was, in elk geval toch niet de moeite waard om mij daar zo ernstig over te onderhouden en dat er bij andere mensen toch heel wat ernstiger dingen zijn om aan te merken.
Maar de Heere bleef met mij spreken; Hij liet mij niet met rust, zodat ik er mij ellendig onder begon te voelen.
De volgende avond hoorde ik hoe twee predikantsvrouwen, voor wie ik grote achting koesterde, getuigden van de kracht Gods in hun leven. Zij vertelden, hoe de Heere haar de zonden van haar leven had geopenbaard en hoe Hij haar tot onderwerping aan Zijn stem had gebracht en hoe wonderbaar de ervaring was geweest van de genezende aanraking van Gods vergevende liefde. Zij waren vervuld met vreugde en vochten met haar tranen en dankten de Heere voor wat Hij aan haar gedaan had. En ik zal daar vol bewondering voor de moed van deze predikantsvrouwen en ik benijdde haar een beetje om haar geluk.
Die avond gebruikte de Heere de prediking om mij nog meer te overtuigen. De vraag werd gesteld: „Wat is de beweegreden van het werk dat je in dienst van God verricht?"
Ik was zelfvoldaan over alles wat ik in de kerk deed en vooral ook, omdat ik dat allemaal zo stipt mogelijk volbracht. De Heere sprak met mij vooral over ons program van de zondagsscholen die ik moest bezoeken. (De zondagsscholen nemen een zeer belangrijke plaats in bij de kerken in de Engelssprekende landen, veel meer dan bij ons. H.J.H.). Ik was streek-toezichthoudster op de verschillende zondagsscholen. Trouw bezocht ik die zondagsscholen, want ik vond dat ik een goed voor beeld moest geven aan de leiders en leidsters en we hadden een heel program van aktie opgezet om het bezoek te stimuleren.
Maar de Heere toonde mij dat de drijfveren van al die kerkelijke aktiviteit verkeer waren. Ik deed dat allemaal niet uit liefde voor Hem en uit ijver voor deuitbreiding van Zijn Koninkrijk. Ik voelde mij schuldig. Ik begreep dat de Heere van mijn diensten geen gebruik wilde maken, tenzij ze bezield werden door een hart dat vervuld is van liefde voor Hem, maar niet als er allerlei andere motieven achter zitten, hoe redelijk die ook zouden klinken.
Die avond bleven mijn man en ik achter om de „after-glow-service", de „nagloeisamenkomst" mee te maken. Daar zag ik mensen die blij waren, omdat God midden in de noden van hun hart gekomen was en er hen van had bevrijd, en zij getuigden daarover vol dankbaarheid tegenover de aanwezigen. Er werd gezongen: „Ik ben gelukkig en ik weet waarom", maar ik kon dat niet meezingen; ik voelde mij door en door ellendig.
Toen wij thuis kwamen, praatten mijn man en ik nog na over de avond, hoe mooi dat was dat de Heere zo diep binnendrong in de noden van zoveel mensen en hen ervan bevrijdde. Ik kon mij toen niet langer beheersen en barstte in tranen uit en zei tegen mijn man, dat ik zelf ook eigen noden had en dat ik sommige dingen met God in orde moest maken. Ik zei dat ik de volgende avond graag naar de gebedskamer wilde gaan om te vragen of iemand met mij zou willen bidden. Mijn man bemoedigde mij: Ja, dat moet je zeker doen, wanneer je jezelf zo ellendig voelt en meent dat dat de oplossing is.
Voor mij was dat echter een heel moeilijke beslissing. Als distriktleidster van zondagsscholen en ook vanwege de vele andere aktiviteiten in het kerkelijk leven genoot ik groot aanzien. Wat zouden mijn vrienden wel zeggen? Het zou een grote vernedering voor me zijn. Maar de Heere wist dat ik die vernedering nodig had. De volgende avond, toen gevraagd werd of er waren die wilden dat met hen gebeden zou worden, stond ik meteen op en ging naar de gebedskamer. Het kon mij nu niet meer schelen, wat de anderen van mij zouden zeggen.
Ik liet mijn tranen stromen voor Gods aangezicht en ik vroeg Hem om vergeving, omdat ik niet naar Hem geluisterd had. Ik vroeg Hem of Hij mij wilde reinigen van alle zonden en of Hij de leiding van mijn leven van mij wilde overnemen. Ik vroeg Hem of Hij mijn Zaligmaker, maar ook mijn Heere wilde zijn over mijn leven, of Hij mij kracht zou willen geven om elke dag dat op mijzelf gerichte leven af te breken en het te brengen naar het kruis en om mij het geloof te geven in de overwinning van Christus, zodat ik het Paulus zou kunnen nazeggen: „Houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus onze Heere" (Rom. 6:11).
En de Heere schonk mij niet slechts vergeving van mijn zonden, maar Hij maakte mij ook leeg van mijzelf. Hij kwam volledig in mijn hart en vervulde mij met Zijn Heilige Geest.
Sindsdien heeft de Heere mij een wonderbare vrede geschonken en alles wat ik kan zeggen, is dit: „Aan U, o God, zij de ere, want Gij hebt grote dingen gedaan". Ik ben onwaardig, maar de Heere heeft mij weer opdrachten gegeven in deze nieuwe dienst van Hem en ik vervul die graag, want ik heb Hem lief. De Heere is nu een werkelijkheid voor mij geworden en ik kan met vreugde het lied zingen: „Ik heb besloten Jezus te volgen" — altijd opnieuw. Zijn Naam zij geprezen.
Vancouver (Canada)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
