In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Onuitsprekelijke vreugde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onuitsprekelijke vreugde

Vraaggesprek over de rijkdommen van het evangelie

6 minuten leestijd

(VERVOLG)

54. Hoe luidt het derde gebod?

„Gij zult de Naam des Heeren, uw God, niet ijdel gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt".

55. Kunnen wij ooit de Naam Gods met voldoende eerbied uitspreken?

Neen, en wel om verschillende redenen.

a. Wij zijn tijdelijk, vergankelijk van aard; „Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden en zij zullen in Hem gezegend worden" (Ps. 72:17);

b. Wij zijn duisternis of althans nauwelijks een schemering van licht, maar „God is een Licht en in Hem is gans geen duisternis" (1 Joh. 1:5);

c. Wij zijn zondig en onrein, maar „heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die was en die is en die komen zal" (Openb. 4:8);

d. Wij zijn zeer begrensd in ons bevattingsvermogen en kunnen „de Naam Zijner heiligheid" (Ps. 105:3) nooit doorgronden. Daarom roepen we vol aanbidding uit: „O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen. . ; want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen" (Rom. 11:33, 36).

56. Mogen wij nochtans de Naam des Heeren op onze lippen nemen?

Ja, want:

a. „Gij die eertijds geen volk waart, zijt nu Gods volk" ( 1 Petr. 2:10);

b. „Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten; hoe zwak van moed en klein wij zijn van krachten en dat wij stof van jongsaf zijn geweest" (Ps. 103:7 ber.).

57. Mogen wij God onze Vader noemen?

Ja, indien wij erkennen dat wij „kinderen des toorns" (Ef. 2:3) waren, maar door genade kinderen Gods zijn geworden.

58. Hoe worden wij kinderen van God?

a. Van Gods kant, doordat Hij ons genadig als Zijn kind aanneemt op grond van het offer van Jezus Christus: „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden" (Gal. 4:4-5);

b. Van onze kant, doordat wij wedergeboren worden onder de werking van Gods Heilige Geest.

59. Is het misbruik van Gods heilige Naam „doodzonde?"

Elke zonde verdient Gods vervloeking (Gal. 3:10) en dus de eeuwige dood; maar het kan ook nog „doodzonde" genoemd worden vanwege deze bepaling in het O.T. over het misbruik van Gods heilige Naam: „En wie de Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden; de ganse vergadering zal hem zeker stenigen" (Lev. 24:16).

60. Wat is „de zonde tot de dood"?

Over die zonde zegt Johannes: „..voor die zonde zeg ik niet dat hij bidden zal". Ze is de zonde tegen de Heilige Geest. Daarover zegt Christus: „Alle zonde en lastering zal de mens vergeven worden, maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden" (Matth. 12:31).

61. Wat is de zonde tegen de Heilige Geest?

Ze is de zonde, waardoor men bewust aan de boze geest toeschrijft, wat geschiedt door de Heilige Geest, want Jezus zegt dat als antwoord op de lastering van de farizeeën die beweerden dat Hij wonderen verrichtte in de kracht van de duivel. Het is dus een zonde die zeer zelden voorkomt.

62. Wat is de zonde tegen de Heilige Geest NIET?

„De lastering tegen de Heilige Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof, noch in het algemeen weerstaan en bedroeven van de Heilige Geest noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder meer" (Bavinck III p. 157).

Wij bedrijven die zonde dus ook niet, wanneer er allerlei godslasterlijke gedachten in ons opkomen en zelfs niet, als we zouden menen dat we daaraan enigszins hebben toegegeven. „Haar wortel is de welbewuste en opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk erkende" (Bavinck).

63. Kunnen zij die zich zorgen maken of zij misschien de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven, zich daaraan werkelijk hebben schuldig gemaakt?

Neen, want dan zou het geen welbewuste haat tegen en lastering van de Heilige Geest kunnen zijn. Wie zich daarover zorgen maakt, geeft blijk dat er toch nog ergens in hem een verlangen is naar de gemeenschap met God. Zulk een verlangen is onmogelijk bij degenen die werkelijk de zonde tegen de Heilige Geest bedreven hebben.

64. Kunnen wij schuldig zijn aan de zonden van anderen?

Ja, als wij instemmen met de zonde van anderen of, wat betreft het derde gebod, wanneer wij onze stem niet verheffen tegen het vloeken en lasteren van Gods Naam, wanneer dat door anderen gebeurt. Zie Spr. 29:24 en Lev. 5:1.

65. Hoe moet onze levenshouding zijn?

„Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil"

(Ps. 115:1).

66. Gewetensonderzoek

Bent u voldoende doordrongen van de heiligheid van Gods Naam, wanneer u die in het gebed op de lippen neemt? Is er dan in heel de houding van uw lichaam en uw ziel de stilte van het ontzag voor Gods grootheid? Vraagt u ook voortdurend vergeving om het misbruik van Gods Naam of althans omdat u die Naam niet met eerbied uit hebt gesproken, waarop de Heere recht heeft?

Wanneer u in polemieken en in twistgesprekken de Naam van God bezigt, doet u dat dan omdat „de ijver voor Gods Huis u verteerde" (zie Ps. 69:10) of omdat de ijver voor uw naam als bekwame theoloog u verteerde?

67. Wat is onze troost en rust bij het gebed?

„Gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!"

(Rom. 8:15, 16; 26). (wordt vervolgd)

Aan onze r.-k. lezers

Wij hebben nu reeds drie geboden besproken en wellicht hebt u bemerkt dat wij dit heel anders hebben gedaan dan in uw kerk gebruikelijk is. Wij probeerden steeds door te dringen tot de kern van het gebod en hebben ons niet bezig gehouden met een uitpluizerij van wat mag en wat niet mag. Dan maak je Gods geboden zo gauw tot een soort politionele verordening en dan wek je de begeerte op om tussen de mazen van Gods wet door te glippen.

Als u dit derde gebod overdacht hebt, dan zult u wellicht zelf wel de konklusie hebben getrokken dat het misbruiken van Gods heilige Naam geen geringe zaak, niet zo maar een dagelijkse zonde, is. Dan zult ook u begrepen hebben dat je Gods Naam alleen maar met diepe eerbied mag uitspreken en in geen geval die Naam in uw gesprekken ertussendoor mag gooien om aan uw beweringen kracht bij te zetten. En dan zult u wellicht ook iets vermoed hebben van de vreugde en de troost die die Naam betekent voor hen die zich door Jezus Christus geborgen weten in Gods barmhartige liefde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Onuitsprekelijke vreugde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's