In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

HALLUCINATIES VAN PAULUS?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HALLUCINATIES VAN PAULUS?

16 minuten leestijd

Drs. Baarda meent de evangelisten erop betrapt te hebben dat ze met onwaarheden gewerkt hebben. Hij meent tot die ontdekking te zijn gekomen door een vergelijking van de vier Evangeliën.

Maar wie garandeert mij dan nog dat de gedeelten, waarin de Evangeliën gelijkluidend zijn, de feiten en de woorden van Christus juist weergeven? Als blijkt dat ze afzonderlijk al aan de feiten en de woorden van Christus hebben zitten te veranderen om de lezers tot geloof in Christus te brengen, dan kunnen ze dat evengoed gezamenlijk hebben gedaan. Dan heb ik geen enkele waarborg meer, dat het geloof, zoals dat in het Nieuwe Testament beschreven wordt, een betrouwbare grond heeft. Het kan dan allemaal een projektie, een wensdroom, zijn geweest van de discipelen.

Al die verhalen over de opstanding van Christus kunnen dan berusten op fantasie. Dat zwaar-verzegelde en bewaakte graf kan uit de lucht gegrepen zijn óm de lezers te doen geloven dat er echte objektieve getuigen zijn geweest. En als zou blijken dat in de kring van de discipelen van Christus, waaruit de evangelisten zijn voortgekomen, toch enigszins werd goedgevonden dat men handelde vanuit de overweging: „Het doel heiligt de middelen", — waarom zou men dan ook niet het lichaam van Christus hebben weggehaald óm het geloof aan de opstanding van Christus ingang te doen vinden? Een schrijver die er niet voor terugschrikt om, als hij in zijn bronnen leest over één dier, er toch maar twee van maakt om een profetie te doen kloppen, zal zeker ook bereid zijn om in de feiten zelf in te grijpen, als hij daartoe de kans zou krijgen, bv. door het weghalen van het lichaam van Christus; overigens met de beste vrome bedoelingen.

En van Paulus kunnen (en moeten) we dan met nog veel meer redenen de mogelijkheid aannemen, dat hij volstrekt persoonlijke interpretaties heeft gegeven van de betekenis van Christus. We kunnen hem dan zien als een mens die door schuldgevoel werd gekweld om de christenen, met name om de ootmoedige, geduldige en stralende getuige van Christus, de martelaar Stephanus, die hij ter dood had laten brengen. Op de weg naar Damascus is dan dat schuldgevoel verlossend doorgebroken in de hallucinatie (zinsbegoocheling) van de verschijning van Christus. En later heeft hij zijn belevenissen verder uitgewerkt in de leer van de rechtvaardigmaking door genade en geloof alleen.

Neen, als we Baarda volgen op zijn weg, dan zijn we op de duur alles kwijt. Dan wordt elke grond voor de enige troost in leven en sterven ons ontnomen.

Dan zijn wij de woorden van de Here — en dus Hemzelf — kwijt

In het r.-k. tijdschrift „Schrift" van dec. 1970 schreef drs Baarda: „Dat ze (= de formuleringen van Gods wil) niet eeuwig zijn, heeft misschien ook Mattheüs duidelijk gemaakt, toen hij, naar men algemeen en niet zonder reden aanneemt, de radicale formuleringen van Jezus ten aanzien van de scheidbrief voor zijn leefmilieu afzwakte door de toevoeging 'om een andere reden dan ontucht' ". Zie Mt. 5:32. Wanneer het in één geval bewezen zou zijn, dat de evangelisten ons de echte woorden van Jezus hebben onthouden en aan de lezers hun eigen mening hebben willen opdringen door eigenmachtige toevoegingen, dan kunnen wij nooit helemaal zeker zijn of we met de woorden van Jezus te doen hebben of met een draai die de evangelist eraan heeft gegeven. En als we de woorden van Christus kwijt zijn, dan zijn we ook Hemzelf kwijt, want we kennen Hem alleen maar door Zijn Woord.

Dan wordt de dreigende taal, waarmee de Openbaring sluit, gewoonweg een lachertje: „Ik betuig aan een ieder die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn" (Openb. 22:18-19). Wie kan nog enige waarde hechten aan de Bijbel, wanneer de Bijbelschrijvers zelf de ernstigste bedreigingen die erin geuit worden, luchtigjes naast zich neerleggen?

De evangelisten valse profeten?

Wanneer iemand hier in Nederland het voorstelt dat hij een ander letterlijk citeert, terwijl hij in feite er iets aan toevoegt, waardoor hij datgene wat de ander werkelijk heeft gezegd, afzwakt of overdrijft, dan noemen wij dat zonder meer „knoeierij". Nu zal men misschien antwoorden: Ja, maar in die tijd sprong men veel gemakkelijker om met citaten. Men nam dat allemaal niet zo serieus als bij ons.

Dan zou onze repliek zijn: Inderdaad, dat weten ook wij, maar, al moeten we hen dat dan minder streng aanrekenen vanwege de toenmalige opvattingen, het blijft op zich2elf knoeierij met de woorden van een ander, in dit geval met die van onze Here Jezus, wanneer iemand bewust daaraan een andere zin gaat geven door toevoegingen en dus aan de Here andere woorden in de mond legt dan Hij werkelijk gezegd heeft. Dan zouden de evangelisten zich hebben schuldig gemaakt aan valse profetie, want profeet-zijn betekent mond Gods zijn. Maar zij zouden dan Christus woorden in de mond hebben gelegd, die Hij niet heeft gesproken en die zelfs in strijd zijn met Zijn eigenlijke bedoeling.

Bovendien de Heilige Geest, die de Bijbelschrijvers geïnspireerd heeft, is niet aan een bepaalde tijd gebonden. Het Griekse woord „theoupneustos", waarover we in de vertaling lezen dat het „Schriftwoord van God is ingegeven" (2 Tim. 3:16), betekent letterlijk: „door God geademd". Welnu zou die adem Gods dan niet elke onwaarachtigheid van de Bijbelschrijvers hebben geweerd? Wat betekent dan nog dat de Bijbel werkelijk Woord van God is? Raken we dan niet het typische inspiratiekarakter van de Bijbel kwijt en wordt de Schrift daardoor niet getrokken naar hetzelfde niveau als andere religieus-geïnspireerde boeken?

Dan is de synode en dan zijn vooral ook de ambtsdragers in de gemeente volledig hun gezag kwijt. Immers volgens een grondbeginsel van de Bijbel en van de reformatie ontvangen de ambtsdragers hun gezag slechts van het Woord Gods. Maar, als dat Woord Gods zelf op sommige punten duidelijk onbetrouwbaar is gebleken, dan is ook het gezag van de ambtsdragers, dat aan dat Woord ontleend wordt, van elke betrouwbare grond ontbloot en wordt pure menselijke aanmatiging. Zij kunnen dan een gemeentelid nooit meer vermanen op grond van de Schrift om hem terug te roepen van zijn afdwaling en zondig leven. Hij kan dan altijd zeggen: „Wie geeft mij de garantie dat dat woord uit de Schrift, op grond waarvan u meent mij te moeten vermanen, een getrouwe weergave is van de woorden van de Here? Dat zou ik dan op uw gezag moeten aannemen, want zelf erkent u dat in bepaalde gevallen de Bijbelschrijvers de woorden van Christus onjuist hebben weergegeven. Maar ik weiger een vermaning te aanvaarden op grond van uw vermeende juiste inzicht in wat de Here werkelijk gesproken heeft".

Ons gelovig hart zegt..

Wanneer men nu vanuit de V.U. of vanuit Kampen blijft aandringen: „Ja, maar de wetenschap zegt…", dan willen wij vanuit de gemeente antwoorden: „Ja, maar ons gelovige hart zegt…"

Wij erkennen dat drs Baarda vaak knappe betogen heeft opgezet in zijn boekje. De oplossing die hij bv. voorstelt om uit de moeilijkheid van de twee dieren in Mt. 21:1-9 te geraken, is een originele wetenschappelijke vondst. Maar je kunt ook „verliefd" worden op zulke dergelijke vondsten. Ook de wetenschapsmens wordt geleid door zijn hart, zijn liefde voor de wetenschap. De huidige dieptezielkunde heeft afdoende aangetoond dat de pure wetenschapsmens niet bestaat. En de Bijbel had dat reeds lang verkondigd; immers de Here wijst ons in de Schrift voortdurend op de duistere afgronden van onze verzondigde existentie: „Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?" (Jer. 17:9). Ook wij hebben in dit geding ons voortdurend moeten afvragen: Here, wat drijft ons? Is het liefde voor Uw Koninkrijk? Of is het er ons om te doen dat onze eigen haan koning kraait?

We kennen maar al te zeer de waarheid van het psalmvers: „Als Gij, Here, da ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan?". Maar we kennen ook het vertroostende antwoord: „Maar bij U is vergeving" (ps. 130:3-4) en we kennen ook de belofte dat de Heilige Geest ons zal leiden in alle waarheid, wanneer wij daar ootmoedig en gelovig om vragen.

Paulus zegt: „De ongeestelijke mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen i s " (1 Kor. 2:14). Pascal heeft diezelfde stelling aldus geformuleerd: Het hart heeft zijn redenen, die de rede niet verstaat.

Welnu, het gelovige hart van de Gemeente heeft de volgende redenen om met alle beslistheid de mogelijkheid af te wijzen dat haar reine hemelse Bruidegom en Zijn Heilige Geest zouden hebben toegelaten dat de Bijbelschrijvers onwaarachtigheden zouden hebben gebezigd om de Waarheid te verkondigen:

God is een verterend vuur

1. Wij zijn overweldigd door het besef dat de Here Zich verwaardigd heeft tot ons te spreken door de woorden van de Schrift. God had alle recht om ons te laten ronddolen in de duisternis van ons verstand, vervreemd van Hem, voor eeuwig wegzinkende in onze zonden en in de vervloeking die wij daardoor verdiend hadden. Vanuit deze ontferming die geen enkele aanleiding vond in ons, maar die enkel voortkwam uit Zijn uitverkiezende liefde, is Hij ons tegemoet getreden door de verkondiging van het Evangelie in de Schrift.

In de Schrift spreekt de heilige God tot ons. Daarom betreden wij heilige grond, wanneer wij Zijn Woord gaan lezen, want wij moeten Hem „vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur" (Hebr. 12:28).

Het spreken van God tot ons in de Schrift is een voortdurend wonder, waarvoor wij stil moeten worden in aanbidding voor Hem die in dat Woord sprekend aanwezig is, voor Hem die ons geschapen heeft en Zijn luister tentoonspreidt in het heelal.

Toen Petrus Gods heerlijkheid ervoer in de wonderbare visvangst, „viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here" (Lk. 5:8). En zo kunnen wij, de Gemeente van Jezus, er nooit toe komen om, staande tegenover dat wonder van Gods Woord in de Schrift, de mogelijkheid aan te nemen, dat de waarachtige God toe zou hebben gelaten dat in die Schrift Waarheid en leugen zich vermengd zouden hebben en dat wij daarom geroepen zouden zijn om uit te maken, wat in die Schrift Waarheid en wat leugen zou zijn.

Een genadegeschenk voor verloren zondaars

2. De Bijbel is een genadegeschenk van God aan ons, zondige mensen die uit onszelf alleen maar Zijn afschuw kunnen opwekken. In die Schrift worden wij ontdekt aan wat wij zijn, door en door korrupte mensen, innerlijk verwrongen en gespleten door de zonde, weerzinwekkend voor ieder die tot de bodem van ons bedorven hart zou kunnen schouwen, weerzinwekkend voor God die ons doorgrondt, met in de duisternis van ons onderbewustzijn allerlei liederlijke en agressieve driften. „God echter die rijk is aan erbarming, heeft, om Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mede levend gemaakt met Christus, — door genade zijt gij behouden!" ( Ef. 2:4-6). En „nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen had gesproken in de profeten, heeft Hij nu in het laatste der dagen tot ons gesproken in de Zoon" (Hebr. 1:1).

Zelfs als mensen onder elkaar weten wij dat in onze onderlinge omgang het hart bepaalde gedragslijnen dikteert. Een voorbeeld daarvan is het spreekwoord: Men ziet een gegeven paard niet in de bek.

Hoe kunnen wij dan de Schrift, die het genadegeschenk van de Zelfopenbaring Gods aan verloren zondaars is, in onze behandeling gelijkschakelen met andere boeken?

Vanuit wetenschappelijk standpunt bezien lijkt zulk een standpunt volstrekt ongerijmd, „doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid" (1 Kor. 2:23).

Met zijn gelovig hart kan ook een wetenschapsmens verstaan, waarom wij grenzen stellen aan sommige wetenschappelijke methoden om de Bijbel te benaderen. Het klinkt heel hard, maar wij moeten toch deze vraag stellen: Zou deze houding tegenover de Heilige Schrift niet daaruit kunnen voortkomen dat men niet voldoende doordrongen is van Gods grootheid en heiligheid en van onze schuld en zondige afzichtelijkheid. En zijn wij voldoende „dankbaar, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen"? (Hebr. 12:28). Is dit alles misschien alleen maar een taai leerstuk voor ons, zonder beleefde werkelijkheid? Zien wij misschien niet eens het bloed van Christus, Gods Zoon, in de Schrift druppelen voor de vergeving van onze zonde?

Maar mijn wetenschappelijke eerlijkheid….

Dat is inderdaad een moeilijk probleem, een kruis en een verzoeking. Ik zou ook graag begrip van de eenvoudigen willen vragen voor die moeilijkheid.

Een wetenschapsmens heeft ook zijn beroepsgeweten, zoals een arts dat bijvoorbeeld ook heeft. Hij moet eerlijk zijn. Ook bij hém heiligt het doel niet de middelen. Ook hij mag niet tegen zijn overtuiging ingaan óm de gemeente niet te verontrusten.

Ook daarin blijkt de waarheid van Gods Woord: „Want in veel wijsheid ligt veel verdriet, en als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart" (Pred. 1:18). Maar daardoor mag een wetenschapsmens zijn roeping niet ontvluchten. Jezus stelt de goede herder ten voorbeeld die zijn leven geeft voor zijn schapen. Zullen wij dan niet wat innerlijke onrust, de smart (en de vreugde) van de wetenschap op ons moeten nemen, wanneer wij daartoe door de Here geroepen zijn? Immers de kudde van Christus wordt door allerlei theorieën, geraffineerde wereldse ideeën en systemen, besprongen. De wetenschapsmens moet die wolf tegemoet treden. Dat betekent: er in gevecht, kontakt, mee geraken. Hij moet zich helemaal verdiepen in die ideologie van de tegenstander van Christus; anders zal hij er nooit een afdoend antwoord op kunnen geven vanuit de Bijbel.

Maar dat betekent ook dat de verzoeking van die andere gedachte onze ziel binnendringt en ons in een geestelijke krisis kan brengen. Wanneer wij echter niet uit liefhebberij en niet uit waaghalzerij, maar uit roeping ons in deze geestelijke strijd begeven, dan mogen wij gelovig op de Here vertrouwen, dat Hij ons zal bijstaan, zodat wij niet verslagen worden en vallen onder de verzoeking.

Maar nogmaals, laten de eenvoudigen begrip tonen voor hen die op de bres staan en op de wallen van de wetenschap strijden voor „de Heilige Stad", de Gemeente Gods. Laten wij hen omringen met onze gebeden, opdat de Here hen bescherme.

Van de andere kant hebben ook wij, krachtens ons ambt als gelovige, de broederlijke plicht om onze gelovige wetenschapsmensen een duidelijk en beslist halt toe te roepen, wanneer zij de grenzen van het belijden der Gemeente overschrijden. En wanneer het inderdaad gelovige wetenschapsmensen zijn, dan zullen zij die stem van de Gemeente volgen, want dan horen zij daar doorheen de stem van de goede Herder en van de Geest die tot de Gemeenten spreekt. Dan zullen ze weten dat er voor een gelovige andere wetten zijn dan van de wetenschap en dat die hogere Wet die ze met hun door de Geest verlichte hart zien, geen kompromis tegenover de wetenschap, geen oneerlijkheid in henzelf, veroorzaakt.

Dan is het Woord Gods KRACHTELOOS gemaakt!

Wanneer wij zo met de Bijbel mogen (en moeten) omspringen, zoals drs. Baarda c.s. dat doet, dan heeft dat Woord Gods zijn vermanende en vertroostende kracht verloren. Dan zijn wij het voedsel voor onze zielen kwijt en vergaat ons de lust naar de grazige weiden.

Wat voor zin heeft het dan nog om in de stille tijd de Bijbel ter hand te nemen om te vragen of de Here daardoor tot ons wil spreken. Immers we hebben dan eerst zoveel werk met het opruimen van allerlei leugentjes om bestwil, ombuigingen van de woorden van Christus, afzwakkingen daarvan of overdrijvingen, volksgeruchten en legenden in die Bijbel, dat intussen de hoop om eindelijk de Waarheid te vinden temidden van al dat puin en die afval, een heel eind gezakt is en in elk geval de vreugde om eventueel eindelijk echt de stem van de Goede Herder te vernemen, zeer is afgenomen.

En hoe kan de oproep tot bekering ooit met kracht tot een lezer van de Bijbel doordringen, wanneer zou blijken dat God Zelf in die Bijbel gemeenschap onderhoudt met de leugen, doordat Hij toelaat dat de door Hem geïnspireerde schrijvers feiten hebben verdraaid om profetieën te doen kloppen? Zal hij daarin dan niet een bevestiging vinden van wat atheïsten steeds hebben beweerd: Godsdienst is opium voor het volk, bedrog van de priesterklasse, propaganda die er niet voor terugschrikt om te werken met geruchten, verzinsels, verdraaiingen van feiten, knoeierij in de woorden van een Ander?

Nog eens, een gekultiveerd mens zal er rekening mee moeten houden dat men in die tijd veel slordiger omsprong met feiten, citaten en argumenten. Maar onwaarheid blijft ten allen tijde onwaarheid. Als we dat beginsel laten schieten, halen we de grond onder onze zedelijke normen vandaan. Dan wisselen onze zedelijke normen met de tijdgeest. Dan is er niet meer een eeuwig, boven elke tijd uitrijzend, spreken van God: „Gij zult…".

Zeker, wij weten heel goed dat de christenen in de geschiedenis vaak dat eeuwige „Gij zult…" van God ten onrechte vereenzelvigd hebben met hun opvattingen over de zeden. Dat hadden de wetgeleerden in de tijd van Jezus ook gedaan en Jezus verwijt hen dat zij het Woord Gods krachteloos hebben gemaakt door hun overleveringen (Mk. 7:13). Maar juist daaruit blijkt dat de normen die in het Woord Gods zijn neergelegd, boven de tijd staan. Wat in de Schrift staat, is niet een overlevering die met de geschiedenis meegaat, overgeleverd in de handen van mensen en dus aan veranderingen en vervormingen onderhevig. Anders had Jezus nooit met zoveel felheid hun menselijke overleveringen kunnen stellen tegenover de openbaring die God in de Schrift heeft vastgelegd.

Maar — Gods Naam zij geprezen! — temidden van de wisseling van volkeren en kuituren is er één rots die standhoudt in de branding van menselijke hartstochten en geestelijke worstelingen, en dat is het Woord Gods. De lamp van Gods Woord blijft altijd schijnen. Dat licht zal nooit doven, ook niet temidden van de grootste stormen die de Gemeente van Christus moet doormaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

HALLUCINATIES VAN PAULUS?

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's