God is volstrekt HEILIG en WAARACHTIG
Een eerste reden, waarom wij de opvattingen van drs. Baarda c.s. met alle beslistheid moeten afwijzen is, dat zij geheel en al in strijd zijn met de heiligheid en waarachtigheid Gods, zoals die in de Bijbel aan ons worden geopenbaard.
Krachtens Zijn heiligheid heeft de Here een afschuw van elke zonde, ook de geringste. Hij spreekt immers de vervloeking uit over een ieder „die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen" (Gal. 3:10). Krachtens Gods waarachtigheid verfoeit Hij alles wat ook maar enigszins op een leugen lijkt.
Maar laten we konkrete voorbeelden geven van de uitlatingen van drs. Baarda. Bij de intocht in Jeruzalem vertelt Mattheüs ons dat er een ezel en een veulen bij betrokken waren, terwijl Markus, Lukas en Johannes het alleen maar hebben over één veulen of één ezeltje (vlg. Mt. 21 vs. 2, 3 en 7; Mk. 11 vs. 2, 3, 4, 5 en 7; Lk. 19 vs. 30, 31, 33, 34 en 35; Jh. 12 vs. 14). Waren er twee dieren of slechts één dier in het spel? (Baarda, „De betrouwbaarheid van de Evangeliën", p. 29).
Wij erkennen meteen dat het niet eenvoudig is om op deze moeilijkheid een antwoord te geven, dat geheel en al bevredigend is. We willen hier geen opsomming doen van de verschillende min of meer geslaagde pogingen tot een antwoord, maar citeren de oplossing die Baarda voorstelt. Hij schrijft: „Maar Mt. heeft het citaat dat hij aan een Griekse tekst ontleende, zo begrepen alsof er over twee dieren werd gesproken. In Mt., Lk. en Jh. wordt ons verteld dat Jezus op één dier, een veulen, de stad binnenreed; datzelfde heeft ook Mt. in zijn bron gelezen, maar hij wilde dat de profetie tot in de details uitkwam. Daarom spreekt hij in zijn verslag steeds over twee dieren en houdt dat zo konsekwent vol, dat hij Jezus zelfs op de twee dieren laat rijden (vs 7) : „en Hij zat op hen". Het is duidelijk dat hier de geschiedenis door de profetie is vervormd" (aw. p. 57).
Volgens Baarda heeft „Mattheüs" dus de feiten, waarover hij las in zijn bronnen, bewust vervormd om de profetie van Zach. 9:9 te doen kloppen. Wij weigeren dat te aanvaarden. Het doel heiligt niet de middelen, dat is een van de grondbeginselen van de Bijbel en met name ook van de reformatie. En zou God gebruik maken van „een leugentje om bestwil" van de schrijvers die Hijzelf inspireerde, om daarmee Zijn Koninkrijk te vestigen?
„Leugenlippen zijn de Here een gruwel" (Spr. 12:22) zo zegt de Here in Zijn Woord en Paulus roept uit: „Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?" (2 Kor. 6:14). Maar hoe kan de Here, hoe kan de Waarheid gemeenschap hebben met de leugen, doordat Hij toelaat dat de door Hem geïnspireerde schrijvers een leugentje om bestwil bezigen?
Verdrijft de Waarheid de leugen door middel van een leugen?
Een ander voorbeeld: het verhaal over het hoofdgeld, dat aldus eindigt: „Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga gij naar de zee, werp een vishaak uit en de eerste vis die boven komt, grijp die en wanneer gij zijn bek opent, zult gij een zilverstuk vinden. Neem dat en geef het hun voor Mij en voor u" (Mt. 17:27).
Daarover schrijft Baarda: „In de traditie van dit verhaal is kennelijk het laatste woord van Jezus steeds meer in de richting van het wonder omgebogen. En wanneer wij nu het verhaal afmaken op de gebruikelijke wijze, dan komt dat door ons geloof in de almacht van God. Dus maakt ons geloof het verhaal af" (p. 85). Baarda wil dus zeggen: Dat wonder van die stater in de bek van de vis heeft helemaal niet plaats gehad. Het geloof van de gemeente heeft er een wonder van gemaakt, heeft het woord van Christus omgebogen in de richting van een wonder. Zó is het geheel in de Bijbel gekomen.
Wij weigeren te geloven dat de Waarheid op deze manier in gemeenschap is getreden met de leugen. Als de joden Jezus verwijten dat Hij door Beëlzebul, de overste van de boze geesten, de boze geesten uitwerpt, dan wijst Jezus dat met verontwaardiging af en zegt: „Indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?" (Mt. 12:26).
Maar zo kunnen wij ook de vraag stellen: Indien de Waarheid de leugen tracht te bestrijden door gebruikmaking van de leugen, dan is de Waarheid tegen zichzelf verdeeld. Hoe kan het Koninkrijk Gods dan standhouden?
En in Zijn verdediging tegenover de joden zegt Jezus: „Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. Maar omdat Ik u de waarheid zeg — Mij gelooft gij niet" (Joh. 8:44-45). Hoe kon Jezus zo scherp de tegenstelling tekenen tussen Hemzelf en de duivel als tussen de volstrekte Waarheid en de volstrekte leugen, wanneer ook Jezus blijkbaar niet zoveel bezwaar heeft tegen een propagandistische leugen en het zou hebben toegelaten dat de evangelisten Hem een groot wonder toeschrijven, terwijl dat in feite niet zou hebben plaatsgehad.
Dan wordt heel de Schrift onbetrouwbaar
Dat is een andere reden, waarom wij de opvattingen van Baarda c.s. met beslistheid afwijzen.
Vaak wordt in de Evangeliën gezegd, wanneer bepaalde feiten vermeld worden: „Opdat het Schriftwoord zou vervuld worden…" (bv. Joh. 19:36). Maar wanneer wij een evangelist er één keer op hebben betrapt, dat ze de feiten hebben verdraaid omdat hij „wilde dat de profetie tot in de details uitkwam" (Baarda, p. 57), wie geeft ons dan de garantie dat ze dat trucje ook in andere gevallen niet gebruikt hebben, wanneer zij zich beriepen op de vervulling van een oud-testamentische profetie?
Als zij één keer een wonder verzonnen hebben om Gods almacht te doen uitkomen, welke waarborg hebben wij dan nog dat ook het grote wonder van de opstanding van Christus niet een verzinsel is van zijn discipelen?
Baarda stelt de vraag of het mogelijk is dat allerlei fantastische verhalen en volksgeruchten, waaraan dus in feite elke grond ontbreekt, in de Bijbel zijn terechtgekomen. Hij schrijft: „Er zijn verhalen in de Bijbel die iets legendarisch over zich hebben, zo bijvoorbeeld dat van de vervloeking en verdorring van de vijgeboom (Mt. 21:18-22 par.) of meer nog, dat van de opstanding van de doden bij het sterven van Jezus (Mt. 27:52-53). Is het niet mogelijk dat hier bepaalde apokalyptische woorden van Jezus in het gerucht, in de volksvertelling, gedramatiseerd zijn" (p. 84). En de manier waarop hij die vraag formuleert, wijst erop dat hij geneigd is om die vraag bevestigend te beantwoorden.
Waarom heeft onze synode op die vraag van drs. Baarda niet met alle duidelijkheid geantwoord: neen!
In elk geval, wij wijzen deze mogelijkheid ten stelligste af; want, waarom zouden wij aan Mattheüs geloof schenken, wanneer hij in hoofdstuk 28 ons de opstanding van Christus verhaalt, indien wij hebben moeten vaststellen dat hij ons in het daaraan voorafgaande hoofdstuk maar wat op de mouw heeft gespeld, toen hij ons daarin vertelde over een opstanding van sommige doden?
Bovendien, weet u wie de discipelen van Christus van vervalsing van de feiter. hebben beschuldigd? Dat waren de overpriesters. Zij laten rondvertellen: „Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen" (Mt. 26:11-15).
Mattheüs noemt dat wel een „gerucht" (vs 15), maar hoe kunnen we hem geloven, wanneer blijkt dat hijzelf er ook niet voor terug is geschrokken om volksgeruchten als echt gebeurd voor te stellen? Dan wordt de Bijbel een boek vol geruchten, waar we geen wijs meer uit kunnen, waar het ene gerucht tegenover het andere wordt gesteld. Hoe kan liet Woord Gods dan nog zijn „een lamp voor onze voet, een licht op ons pad des levens?"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
