In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

KATECHETISCH HULPMIDDEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KATECHETISCH HULPMIDDEL

4 minuten leestijd

De belijdenisgeschriften van de reformatie hebben vaak in machtige bewoordingen het loflied bezongen van Gods soevereine genade in Jezus Christus. Toch heb ik steeds de indruk gehad dat ze voor zoekende r.-katholieken — en wellicht ook voor buitenkerkelijken — wat té geladen van vorm en inhoud zijn, te zeer „vaste spijs" en daarom misschien niet voldoende geestelijk verteerbaar voor hen die voor het eerst met die diepe en heerlijke waarheden in aanraking komen. Daarom wilde ik eens proberen een soort parafrase van die belijdenisgeschriften op te stellen, waardoor ze gemakkelijker toegankelijk worden voor r.-k. lezers. Ik wil daarbij ook zoveel mogelijk de woorden van de Bijbel zelf gebruiken, zodat ze daardoor langzamerhand de levende kracht van het eeuwige Woord Gods gaan proeven en smaken. Ik volg daarbij het oude en beproefde systeem van vraag en antwoord. Graag vernemen we reakties van lezers, eventuele op- of aanmerkingen.

UW ENIGE TROOST

INLEIDING

1. Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Dat ik mij het eigendom weet van Jezus Christus. 1 Kor. 3:23; Rom. 14:8.

2. Waarom bent u het eigendom van Jezus Christus?

Omdat ik door Hem ben vrijgekocht van mijn „ijdele wandel" met Zijn kostbare bloed. 1 Petr. 1:18-19. Onder die „ijdele wandel" verstaat Petrus mijn op mijzelf gerichte zondige levenshouding.

3. Waarom met het bloed van Christus?

Omdat „zonder bloedstorting geen vergeving geschiedt" (Hebr. 9:22).

4. Werd dit al in het Oude Testament voorafgebeeld?

Ja, in het paaslam dat geslacht werd en waarvan het bloed aan de deurposten moest gestreken worden, opdat de verderfengel sparend voorbij zou gaan en niet de eerstgeborene zou slaan met de dood. Ex. 12.

5. Waaruit weet u dat dit op Christus sloeg?

Uit het Nieuwe Testament, b.v. wanneer Paulus schrijft: „want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus" (1 Kor. 5:7). Ook Petrus zegt dat wij vrijgekocht zijn door het bloed van Christus, „als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam" (1 Petr. 1:19).

6. Zijn wij slechts als enkelingen door Christus vrijgekocht?

Nee, want „Christus heeft de Gemeente liefgehad en Zich voor haar overgegeven" (Ef. 5:25). En: „Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk" (1 Petr. 2:9).

7. Wat volgt daaruit voor ons praktische leven?

Dat wij ons niet mogen afzonderen voor onszelf, maar ons moeten inzetten voor „de volmaking der heiligen.. tot opbouw van het lichaam van Christus" (Ef. 4:12).

8. Waarom r.oemt u dit alles uw ..enig e " troost in leven en sterven?

a. Omdat deze troost mij verzekerd wordt door de Trooster, de Heilige Geest, die in mij woont, want „gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn" (Rom. 8:15-16).

b. Omdat tegenover deze eeuwige en innerlijke vertroosting elke andere aardse troost verbleekt, want „van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doen zal aan degene die op Hem wacht" (Jes. 64:4. Zie ook 1 Kor. 2:9).

9. Hoe weet u dat u het eigendom bent van Jezus Christus?

Door het geloof.

10. Mag dan ieder die in Christus gelooft, denken dat hij Zijn eigendom is?

Nee, want Jakobus zegt: „Gij gelooft dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook en zij sidderen" (Jak. 2:9).

11. Wat is dan de aard van geloof, waardoor wij ons het eigendom van Christus mogen weten?

a. Dat geloof is het aannemen van IEMAND nl. van Jezus Christus: „Maar zovelen Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven" (Joh. 1:12).

b. Dat geloof is een stellig weten dat zijn grond slechts heeft in de volstrekte betrouwbaarheid en waarachtigheid van God, die Zichzelf aan ons openbaart in de Heilige Schrift: „Het geloof. . is een bewijs der zaken die men niet ziet" (Hebr. 11:1). Het geloof berust dus niet op de resultaten van de menselijke wetenschappen en kan daardoor dus ook niet aan het wankelen worden gebracht.

c. Dat geloof is een vast vertrouwen in Jezus Christus als mijn persoonlijke Zaligmaker. „Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis" (Hand. 16:31). „Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt" (Hebr. 11:1). „Welgelukzalig is de mens die op U vertrouwt" (Ps. 84:13).

d. Dat geloof is levend en draagt vrucht door de Heilige Geest, die in mij woont. „Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid" (Gal. 5:22). „Iedere goede boom brengt voort goede vruchten en een kwade boom brengt voort kwade vruchten" (Matth. 7: 17). Dat geloof is vooral werkzaam in de liefde (Gal. 5:6). „Het geloof, als het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood" (Jak. 2:17).

e. Samenvattend: Met het zaligmakende geloof is onafscheidelijk verbonden het besef van eigen zondigheid, want Jezus heeft gezegd: „Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering". „Want de Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was" (Lk. 5:32; 19:10). Dit geloof betekent een innerlijke (en als gevolg daarvan ook een uiterlijke) ommekeer.

De zondige mens steunde eerst op zichzelf, maar door het geloof verwacht hij alle vreugde en heil alleen van Christus. Dit geloof is dan ook een persoonlijke band met Jezus Christus. Door dat geloof is Christus niet meer een leerstuk, een dogma, voor mij, maar beleefde werkelijkheid: „Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

KATECHETISCH HULPMIDDEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972

In de Rechte Straat | 32 Pagina's