GENADE ALLEEN
Graag wilde ik nog wat toevoegen aan het artikel over de vervulling met de Heilige Geest (zie pag. 18 e.v.).
Al dergelijk bijbelse openbaringen mogen en moeten wij onderzoeken, maar ik meen daarbij te moeten waarschuwen voor één gevaar, dat ons, mensen, altijd weer bedreigt nl. dat we het grondgegeven van het Evangelie uit het oog verliezen van de soevereine genade Gods. Zodra wij ergens ook maar iets van een menselijke bijdrage aan de verlossing gaan inbouwen in onze beschouwingen, begint de zuiverheid van ons geloof enigszins te tanen en verliest aan kracht. Een kerk die de mens op een of andere manier tot medewerker van het heil maakt, is bezig zichzelf te ondergraven. De lofzang van de engelen boven Bethlehem verkondigt op heldere wijze dit hemelse program. Daarbij staat God volkomen in het middelpunt. Het gaat om Zijn eer: Soli Deo gloria! En de vrede op aarde wordt geschonken aan de mensen, waarin God behagen heeft.
Het is verblijdend dat ook de r.-k. exegeten, vooral door de vondsten van de Qumranrollen, tot de overtuiging zijn gekomen, dat zó inderdaad die lofzang vertaald moet worden. Eeuwenlang heeft echter de vertaling gegolden: „vrede op aarde aan de mensen van goede wil", en die vertaling heeft enorm veel kwaad gesticht. Ze heeft het pelagianisme in zijn vele al of niet verkapte vormen sterk bevorderd.
Het concilie van Orange heeft het in 529 nog zo prachtig geformuleerd bv.: „Indien iemand beweert dat de genade van God kan geschonken worden op grond van het gebed van een mens, en niet dat het juist de genade is die er ons toe brengt om te bidden, dan weerspreekt hij wat Paulus en wat Jesaja zeggen: „Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden aan degenen die niet naar Mij vroegen" (Rom. 10:20; Jes. 65:1)". (Conc. van Orange can. 3). Maar spoedig werd dit geluid verstikt en is geheel verloren gegaan op het concilie van Trente.
Zij, die de raad van Paulus opvolgen en „ijveren om de geestelijke gaven" (1 Kor. 14:1), moeten bijzonder beducht zijn voor de geestelijke hoogmoed, waardoor de duivel hen tot val tracht te brengen en waardoor zij op hun geloof gaan steunen als op iets, waarmee zij de schenking van die gaven bij God bewerkt hebben. Het waarachtige geloof komt echter nooit uit onszelf op, maar is slechts uit God.
Niet voor niets staat 1 Kor. 13 tussen de hoofdstukken 12 en 14, waarin de vermaning van Paulus zo aangrijpend tot ons klinkt: „Al ware het dat ik…" allerlei gaven had, maar de liefde niet, het zou mij niet baten. „De liefde is niet opgeblazen". Het verkiezend voornemen van God is niet op grond van werken die wij zouden gedaan hebben, maar puur op grond van Hem die ons tot het licht roept (Rom. 9 : 1 1 ) . Van de ene kant is dat vernederend voor de mens, want er blijft dan niets meer van ons over dan alleen maar een puinhoop van ellende. Maar van de andere kant is deze bijbelse openbaring groots in haar vertroosting. Je wordt daardoor weggetrokken van jezelf, uitgetild boven je zwoele en zondige menselijkheid om slechts op te zien naar de machtige God van de verkiezing in Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
