In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

U groet de mede-uitverkorene

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

U groet de mede-uitverkorene

7 minuten leestijd

Door de eeuwen heen heeft de r.-k. kerk alle moeite gedaan om het pauselijk gezag te bewijzen. Dat is te begrijpen, want het is de peiler, waarop de gehele r.-k. kerk rust.

Wat zegt het Latijns woordenboek?

Een van de belangrijkste argumenten vormde een uitlating van Irenaeus, die in de tweede helft van de tweede eeuw heeft geleefd in Lyon, maar uit Klein-Azië afkomstig was. Irenaeus schreef over de kerk van Rome: „Ad hanc enim ecclesiam propter potiorem principalitatem necesse est omnem convenire ecclesiam, hoe est eos qui sunt undique fideles, in qua semper ab his qui sunt undique, conservata est ab apostolis traditio".

Vertaling: „Naar deze kerk moet, vanwege haar grotere voornaamheid, elke kerk samenkomen, — dat wil zeggen: alle gelovigen, waar die zich ook bevinden —, waarin steeds door hen die zich waar dan ook bevinden, de overlevering vanaf de apostelen is bewaard".

De rooms-katholieken vertaalden echter de woorden: „Ad hanc ecclesiam … convernire" aldus: „Met deze kerk … moet elke kerk overeenstemmen".

Zo doet ook prof. dr. C. J. de Vogel in „Ecclesia Catolica", uitg. Het Spectrum, p. 84. Dat lijkt mij echter beslist onjuist. Dan zou er moeten staan: „Cum ad ecclesia … convenire". Nu echter staat er: „Ad …", en het woordje „ad" geeft het doel van een beweging aan. Het moet vertaald worden door ons woord „naar" of „tot". Bovendien krijgt dan die uitspraak van Irenaeus pas zin.

Waarom bezit de kerk van Rome een grotere voornaamheid? Omdat ze zich in de hoofdstad, Rome, bevindt. En omdat alle wegen in die tijd ook letterlijk naar Rome leidden, moesten de gelovigen van allerlei andere plaatsen daar op gezette tijden naar toe en vanzelfsprekend onderhielden ze dan de geestelijke banden met die van Rome en vierden er het Heilig Avondmaal.

Daardoor werd de gemeente van Rome nog om een tweede reden belangrijk. Rome werd ook een geestelijk centrum. De verschillende kerken hadden hun overlevering van een of andere apostel. Zo was Irenaeus een leerling van Polycarpus, die weer een leerling van de apostel Johannes was. In Rome kwamen al die apostolische overleveringen samen en kon men dus ook vergelijkingen maken. De gemeente van Rome was, krachtens haar positie in de hoofdstad van het Romeinse rijk, dus een zeer waardevol informatiecentrum aangaande de apostolische traditie. Maar… een informatiecentrum is nog heel iets anders dan een gezagspositie boven de andere gemeenten.

„Mede" is niet „boven"

Dat de gemeente van Rome aanvankelijk geen enkele aanspraak maakte op een gezag boven de andere gemeenten, blijkt ook uit 1 Petr. 5:13, waar de zogenaamde eerste paus, Petrus, schrijft: „U groet de mede-uitverkoren gemeente die in Babylon is". In het Grieks staat het woordje „gemeente" niet en daarom heeft de Statenvertaling het cursief afgedrukt. Het is echter wel zeer waarschijnlijk dat met die „uitverkorene" de gemeente is bedoeld. Verder is het ook waarschijnlijk dat met Babylon de stad Rome is bedoeld.

Hoe het ook zij, het is heel duidelijk dat Petrus de gemeente, van waaruit hij zijn brief schreef, op geen enkele wijze boven andere gemeenten stelt. Hij noemt haar eenvoudig de mede-uitverkorene, uitverkoren op dezelfde wijze als de andere gemeenten.

Zo noemde Petrus ook zichzelf slechts „mede-ouderling" (1 Petr. 5:1), dus ouderling of oudste op dezelfde wijze als de anderen zonder enige heerschappij over hen. Hoe geheel anders dan de pausen die voor zichzelf een absolute macht opeisen, die op geen enkele wijze afhankelijk is van de leden van de gemeenten en van de gemeenten als geheel in allerlei andere plaatsen. Hoe geheel anders dan Paulus VI die meent het recht te hebben priesters te mogen brandmerken als Judassen en deserteurs, wanneer zij hun ambt neerleggen omdat zij tot de overtuiging zijn gekomen dat zij de pauselijke wet van het celibaat beslist niet kunnen onderhouden. Wat is dit een ontzettende aanmatiging, wanneer je aldus duizenden priesters tot neurose en vertwijfeling brengt. Terwijl God aan iedereen het recht schenkt om te trouwen, verbiedt de paus het huwelijk aan ruim 400.000 mensen. Ik wil niet oordelen over het hart van een medemens, ook niet van de pausen, maar ik kan niet nalaten in dit verband 2 Thess. 2:3-4 aan te halen in de r.-k. vertaling: „Eerst moet de afval komen en de goddeloze Mens zich openbaren, de Zoon des verderfs, de Tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft".

Natuurlijk wil ik niet beweren dat het de bedoeling van Paulus VI is zich te verheffen boven God, maar in feite doet hij dat wél, wanneer hij een voorrecht dat God aan alle mensen geeft, aan een hele categorie onthoudt, doordat hij aan ruim 400.000 priesters het huwelijk verbiedt.

Hou je mond over het celibaat!

Eeuwenlang hebben de pausen zelfs geweigerd om priesters die psychisch niet meer in staat weren de celibaatswet te onderhouden, verlof te geven om te trouwen, hoewel zij, volgens eigen bewering, daar het recht toe bezaten. Slechts sedert een jaar of tien wordt dat verlof wel gegeven aan dergelijke priesters-in-nood.

Op het tweede Vatikaanse Concilie verbood de paus aan de andere bisschoppen om over deze nood van de priesters te praten. Hard en onverbiddelijk werden de priesters teruggestoten in hun eenzaamheid en in hun pijnlijke problemen. Hoe heel anders was Petrus! Het is ondenkbaar dat hij aan de andere apostelen zou hebben kunnen (en willen) verbieden om over allerlei problemen samen door te praten. Uit niets blijkt dat Jezus hem de macht zou hebben gegeven om de andere apostelen de mond te snoeren, wanneer hem dat beliefde.

Eindelijk werd dan aan de bisschoppen die thans in Rome in synode bij elkaar zijn, verlof gegeven om hierover met elkaar van gedachten te wisselen, maar uitdrukkelijk heeft Paulus VI gezegd, dat het celibaat van de priesters niet mag worden opgeheven. Wanneer ze na hun wijding tot de ontdekking komen, dat ze niet de gave der onthouding bezitten, dan kunnen ze tegenwoordig wél verlof krijgen om te trouwen, maar ze zullen dan tegelijk hun priesterambt, waartoe ze zich geroepen menen, moeten neerleggen.

Petrus was anders dan de paus

Nogmaals, hoe geheel anders was Petrus. Bij Petrus is het altijd: „mede-", „gelijk als de anderen". Bij de pausen: „boven de anderen".

Toen Petrus de heiden Cornelius gedoopt had, moest hij zich daarover verantwoorden voor „de apostelen en de broeders te Jeruzalem" (Hand. 11:1). En dan doet hij dat ook, heel eenvoudig. Hij beroept zich dan niet op een onfeilbaar gezag over de anderen. En dan vertelt hij o.a.: „En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin". Daar heb je het weer: „gelijk ook op ons". Dat is de levenshouding van Petrus: niet boven de anderen willen uitsteken. Nooit beroept hij zich op een onfeilbare bijstand van de Heilige Geest waarover hij zou kunnen beschikken in tegenstelling met de anderen: „gelijk ook op ons".

Paulus VI, bekeer u!

Ja, vóór zijn bekering, toen verhief Petrus zich ook boven de anderen. Jezus had zijn discipelen voorspeld dat ze Hem allemaal in de steek zouden laten. En dan dringt Petrus zich naar voren en pocht: „Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik nimmermeer…" (Matth. 26:33). Maar als hij tot bekering is gekomen, dan is het nooit meer: „ik boven de anderen", maar: „gelijk de anderen".

Daarom kunnen we de pausen alleen maar oproepen tot bekering en daarom richt ik mij tot Paulus VI: Kom af van uw troon, die u met uw eigen redeneringen in elkaar hebt getimmerd en waarop u zich neerzet, in feite tegen God. Zie naar Petrus en wordt eenvoudig. Beschouw uzelf gewoon als mede-ouderling, wanneer een gemeente u daartoe roept, en uw gemeente als een mede-uitverkorene, gelijk als de anderen. Ook voor uw zonde van machtsaanmatiging en gewetensverkrachting is vergeving mogelijk, mits de Heere u aan uw schuld ontdekt en Zijn Geest u tot verbrokenheid des harten brengt, zodat u evenals Petrus naar buiten gaat en bitter weent. Petrus verliet het paleis van Kajafas, waarnaar hij zich in overmoed begeven had, ondanks de waarschuwing van Jezus. Verlaat ü uw eigen paleis en verloochen niet langer Christus als het enige Hoofd van de gemeente, ook hier op aarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

U groet de mede-uitverkorene

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's