„EEN VEROUDERDE BOODSCHAP?"
Toespraak, gehouden door Prof. dr. J. P. Versteeg op de toogdag d.d. 31 oktober 1970 te Amsterdam
De vragen en het antwoord:
Op 17 juni 1505 klopte Luther aan bij de poort van het Augustijnerklooster te Erfurt. Toen hij binnengelaten was en zich gemeld had, gaf hij als zijn wens te kennen toe te mogen treden tot de Augustijnerorde. Volgens voorschrift van de orde werden hem onder meer toen deze drie vragen gesteld door de prior: „Zijt ge een lijfeigene? Hebt ge onbetaalde schulden? Lijdt ge aan een verborgen kwaal?" „Neen", antwoordde Luther op de drie vragen. „Neen, neen, neen!" Hij was geen lijfeigene: Hij was een vrije burger. Hij had geen onbetaalde schulden: Al zijn rekeningen van zijn voorafgaande studententijd waren voldaan. Hij had geen verborgen kwaal: Hij was gezond en sterk. „En toch", zo zegt prof. Kooiman in zijn boek Luther, zijn weg en werk, „een beetje dieper gezien, had hij alle drie de keren: ja moeten antwoorden". Hij was een slaaf, hij had een schuld, er was een kwaal. Dat was juist de reden waarom hij in het klooster was gekomen. Luther wist dat hij een slaaf was van de zonde. Luther wist dat hij door die zonde in de schuld stond bij God. Die zonde knaagde ook aan zijn leven, erger dan de meest slopende kwaal had kunnen doen.
De bange vraag waar Luther mee worstelde was: Hoe krijg ik een genadige God? Hij wist dat hij voor God niet kon verschijnen. Hij wist dat hij met zijn zonden God niet onder ogen kon komen. Hij kreeg evenwel geen antwoord op zijn vraag. De slavernij, de onbetaalde schulden en de verborgen kwaal bleven alle drie.
Ook de vlucht in het klooster van Erfurt bracht geen antwoord. Luther deed in het klooster alles om tot de vrijheid te mogen komen, om zijn schulden te mogen voldoen, om van zijn kwaal genezen te worden. Hij deed boete. Hij vastte. Later schreef hij erover aan hertog Georg van Saksen: „Als er ooit één monnik door monnikerij in de hemel zou komen, was ik het wel. Dat zullen ook al mijn kloosterbroeders moeten getuigen. Als het nog langer geduurd had, had ik mij doodgemarteld met al dat waken, dat bidden, dat lezen en ander werk". Maar het hielp niet. Hij kreeg geen antwoord. Hij koos zich 21 heiligen per week. Drie voor elke dag van de week. De goede werken en de voorbeden van de heiligen zouden hem moeten helpen. Maar het hielp niet. Hij kreeg geen antwoord. Met beide handen greep hij de gelegenheid aan om naar Rome te reizen en de heilige plaatsen te bezoeken. Hij kwam teleurgesteld terug. In Rome was heel de dienst van God verworden tot een handelszaak. Hij had gehoopt bij de hoge geestelijkheid een biechtvader te vinden, maar niemand was er te vinden. Ze lachten hem alleen maar uit en vonden hem veel te serieus. Hij kreeg geen antwoord.
Tót hij het antwoord vond in de Bijbel. De knellende band van de slavernij van de zonde werd verbroken door wat hij vond in de Bijbel. Hij mocht weten van het voldoen van zijn schulden door wat hij vond in de Bijbel. Zijn kwaal werd genezen door wat hij vond in de Bijbel. In de Bijbel vond hij de boodschap van de rechtvaardiging van de zondaar uit genade alleen door het geloof op grond van de verdienste van Christus. Die boodschap was het antwoord op alle vragen van Luther. Toen hij die boodschap ontdekte, was het — zoals hij later zelf schreef — alsof de poort van het paradijs voor hem openging. Die boodschap ligt ten grondslag aan de Reformatie.
De boodschap van de Reformatie
Die boodschap is ook de centrale inhoud van de Reformatie gebleven. Dat een zondaar die zich in het geloof op de Here Jezus verlaat van al zijn zonden wordt vrijgesproken, dat was de beslissende ontdekking van Luther. Dat werd en dat bleef ook de beslissende boodschap van de Reformatie.
De Reformatie had en heeft heel veel te zeggen. De boodschap van de Reformatie is zeker niet blijven staan bij de rechtvaardiging van de zondaar. Dat wordt wel duidelijk als we de geschriften van Luther lezen en — om niet meer te noemen — als we de Institutie van Calvijn lezen. Wat neemt in de Institutie van Calvijn de heiliging van het leven niet een grote plaats in. Wat werd er door de Reformatoren niet een nadruk gelegd op het leven in de dankbaarheid, in de dienst en tot de eer van God. Wat heeft de Reformatie niet een vérstrekkende gevolgen gehad in alle landen waarin de boodschap van de Reformatie ingang vond, ook op het sociale, maatschappelijke en politieke terrein. Geen enkel terrein bleef buiten de boodschap van de Reformatie.
Tóch kunnen we zeggen dat de spil waar het bij alles wat de Reformatie had te zeggen om bleef draaien, de boodschap van de rechtvaardiging van de zondaar was. De bron waaruit al het andere dat de Reformatie had te zeggen voortkwam, was de rechtvaardiging van de zondaar. In dit opzicht is er ook geen enkel verschil tussen Luther en Calvijn. Voor ale Reformatoren stond vast dat het verschil van de door de zonde verbroken band met God het hart is van het Evangelie. Dat een zondaar door het geloof in Christus met God verzoend wordt, dat was het eerste en diepste dat de Reformatoren hadden en hebben te zeggen.
Het is juist deze boodschap waar vandaag velen, ook in protestantse kring, een vraagteken achter zetten. Het is deze boodschap die vandaag door velen als een verouderde en achterhaalde boodschap wordt geschouwd. Zoal niet in theorie dan wel in de praktijk van hun geloofsleven. Het draait voor velen in hun geloofsleven niet meer echt om de vergeving van de zonde en om het herstel van de relatie met God. De vragen waarmee Luther worstelde en de boodschap die hij vond zijn voor velen vandaag onbekende vragen en een onbekende boodschap geworden. Daartoe hebben duidelijk bepaalde factoren bijgedragen. Het zijn, dacht ik, vooral vier factoren waardoor de boodschap van de Reformatie — de boodschap van de rechtvaardiging van de zondaar — vandaag door velen niet meer verstaan en als verouderd terzijde geschoven wordt.
Het opdringen van de evolutieleer
Allereerst is er het steeds meer opdringen op het kerkelijk terrein van de evolutiegedachte. Voor velen is het vandaag een vaststaand feit dat de mens niet door een bijzonder ingrijpen van God is geschapen, maar dat de mens in de weg van een evolutie uit lagere wezens is ontstaan. Bij deze gedachte is er geen plaats voor een volmaakte mens die aan het begin stond van de geschiedenis van de mensheid en die op een bepaald moment zichzelf en al zijn nakomelingen in de zonde heeft gestort. Bij deze gedachte is het kwaad in de mens iets dat altijd al in de mens zat; iets dat de mens heeft meegekregen van de wezens waaruit hij voortkwam. Altijd heeft de mens al gestaan in de spanning tussen goed en kwaad en altijd heeft de mens al de verkeerde keuze gedaan. Altijd heeft de mens al gedood en gemoord, eenvoudig uit zelfverdediging. Het boze en het kwade zijn geen werkelijkheden die op een bepaald moment — bij de zondeval — in het mensenleven zijn binnengedrongen, maar het waren altijd al — van meet af aan — de schaduwen die het mensenleven hebben vergezeld. Het is slechts te hopen dat in een verder gaande evolutie de mens daaraan zal ontgroeien en het dierlijke, het kwade in zich zal overwinnen.
In wezen kan een mens er dus ook niets aan doen dat hij is zoals hij is: boos en zondig. Het boze is iets dat hij op grond van zijn herkomst heeft meegekregen. Zo wordt bij deze gedachte aan de zonde het karakter van schuld ontnomen. Als de mens er in wezen niets aan kan doen dat hij is zoals hij is, is hij voor zijn doen en laten ook niet schuldig te stellen.
Waar aan de zonde het karakter van schuld wordt ontnomen, zal de verzoening van de zonde haar centrale plaats verliezen. Dan wordt ook de boodschap van de Reformatie niet meer verstaan in haar eigenlijke diepte en in haar eigenlijke bedoeling.
De afzwakking van de ernst van Gods oordeel
Een tweede oorzaak die in dit verband te noemen is, is de afzwakking die we in onze dagen zien van de ernst van Gods oordeel en Gods gericht. Velen willen vandaag van een straffende, een toornende en een oordelende God niets meer weten. Dat God liefde is, impliceert volgens hen dat God alle mensen in Zijn heil zal moeten doen delen: Niet alleen de mensen die Hem kennen en die in Hem geloven, maar ook de mensen die zich tegen Hem verzetten of die Hem negeren. Voor een straffend gericht dat God over Zijn vijanden zal brengen is bij deze gedachte geen enkele plaats meer. Voorzover de Bijbel over het gericht spreekt — zegt men — bedoelt de Bijbel daarmee niets anders dan dat God eenmaal alle dingen zal rechtzetten. Van een hel als de plaats waar God tot in eeuwigheid zal oordelen is dan ook niet te spreken; hooguit van een louteringsplaats, een doorgangshuis, waarbij het ingaan in Gods heerlijkheid toch het uiteindelijk perspectief en de uiteindelijke verwachting blijft. Alleen zo menen velen aan de triomf van de genade recht te kunnen laten wedervaren. In wezen valt zo evenwel de werkelijkheid van Gods oordeel en Gods gericht weg. Het oordeel en het gericht vervluchtigen bij de prediking van de liefde van God. De liefde van God betekent dan uiteindelijk niets anders dan dat God toch de zonde door de vingers ziet. Het mag langer of korter duren, maar dat is het einde.
Waar de ernst van het oordeel en van het gericht van God wordt afgezwakt, zal ook weer de verzoening van de zonde haar centrale plaats verliezen. Dan komt het immers, wat wij ook zijn en hoe wij ook zondigen, uiteindelijk met ons toch een keer goed. Dat is praktisch de levenshouding van velen vandaag. Bij deze levenshouding wordt de ernst van de boodschap van de Reformatie totaal niet meer verstaan en wordt die boodschap als verouderd terzijde gelegd.
De onzekerheid met betrekking tot de Bijbel
Een derde oorzaak die in dit verband te noemen is, is de algemene onzekerheid met betrekking tot de Bijbel. Wat goed is en wat kwaad is kunnen we uit onszelf niet weten. We kunnen het slechts weten uit de Bijbel. We kunnen het slechts weten doordat God ons zegt wat goed is en wat kwaad is. Volgens velen laat evenwel ook de Bijbel ons vandaag in dat opzicht volkomen in de steek. Velen weten niet meer wat ze aan de Bijbel hebben. Is de Bijbel betrouwbaar? Is de Bijbel niet slechts een neerslag van de religieuze ervaring van mensen uit een andere tijd met andere vragen en levend in andere omstandigheden? Moeten we ook met de Bijbel in de hand toch niet zelf onze weg maar wat zoeken? Voor velen heeft vandaag de Bijbel haar beslissend gezag verloren, zodat ze zich in hun leven meer laten leiden door het moderne levensgevoel dan door wat de Bijbel zegt. Daardoor vervagen ook steeds meer de grenzen tussen goed en kwaad. Wanneer men zich niet meer door de Bijbel laat gezeggen wat goed en kwaad is, wie zal het dan wél zeggen? Waar de Bijbel als de beslissende maatstaf voor goed en kwaad wordt losgelaten, worden de grenzen tussen goed en kwaad steeds meer vloeiend en dus steeds meer onduidelijk.
Waar dat gebeurt, heeft de boodschap van de verzoening van de zonde ook niet meer de centrale plaats. Waar niet meer geweten wordt wat zonde is, of beter gezegd, waar men niet meer wil weten wat zonde is, zal ook geen behoefte bestaan van de zonde verlost te worden. Door deze algemene onduidelijkheid en vaagheid wordt een groot deel van het geestelijk klimaat van onze dagen bepaald. Bij dat geestelijk klimaat wordt de boodschap van de Reformatie niet meer verstaan en moet ze wel als verouderd terzijde worden gelegd.
De verandering in liet spreken over God
De vierde — en misschien wel meest beslissende — oorzaak die te noemen is, is dat voor velen vandaag God zelf steeds vager en onduidelijker wordt. Velen kunnen en willen niet meer spreken van de God die bóven ons leven staat; de God die ons leven leidt en ook over ons leven zeggenschap heeft. Over God spreken ze hooguit nog als „de grond van ons bestaan". God is dan ook niet meer God buiten ons, maar God in ons, in het diepste van ons wezen. Omdat God zo ook in andere mensen is, zeg' men dat God niet ten volle in het eigen leven te vinden is, maar in de ontmoeting met de naaste. In onze naaste ontmoeten we God. De liefde tot God is slechts te beleven in de liefde tot de naaste. Ook wat zonde is, is slechts te bepalen vanuit inter-menselijke verhoudingen. Zonde is nooit zonde tegenover de God die boven ons staat, maar altijd tegenover de medemens die naast ons staat.
Bij deze gedachte gaat het ook niet beslissend om de verzoening met God, maar om het herstel van de verhouding met de naaste. De vraag naar de relatie met God valt samen met de vraag naar de relatie met de naaste. Ook waar dit gebeurt, worden de scherpte en de spits van de boodschap van de Reformatie niet meer gezien. De moderne mens, ook in de kerk, die nog slechts weet van een ontmoeting met God in de medemens, kan niets meer doen met de boodschap van de Reformatie die haar hart vindt in de verzoening met die God, die al het menselijke te buiten en te boven gaat.
Verouderd? — Aktueler dan ooit!
Is de boodschap van de Reformatie een verouderde aangelegenheid? Ik dacht dat die boodschap vandaag aktueler is dan ooit tevoren! Meer dan ooit mag vandaag de boodschap van de Reformatie met klem en met nadruk gebracht worden. Want beslissend gaat het ook voor de mens van de twintigste eeuw om de verhouding tot God; een verhouding die door de zonde is verbroken en die alleen maar door het geloof in de Here Jezus Christus en Zijn verzoenend werk kan worden hersteld. Deze boodschap is het die ook de mensen van de twintigste eeuw nodiger hebben dan brood.
Die mensen van de twintigste eeuw, dat zijn ook wij. Ook wij zullen ons door de Reformatie moeten laten gezeggen dat het in ons leven beslissend gaat om de verhouding tot God. Als de verhouding tot God door het verzoenend bloed van de Here Jezus niet hersteld is, dan mag er in ons leven veel zijn, maar dan is er uiterlijk niets. Alle christelijke aktiviteit, ook bij ons, zal moeten opkomen uit dit hart van de zaak, uit de verzoening van de zonde. Anders zou die aktiviteit niet eens de naam christelijke aktiviteit mogen dragen.
Daarbij zullen we, dwars tegen wat velen vandaag zeggen in, moeten vasthouden aan het karakter van de zonde als schuld voor'God. Zó hebben de Reformatoren het gelezen in de Bijbel. Zó zullen wij het vandaag nog in de Bijbel moeten lezen. De zonde is geen erfstuk dat we uit de evolutie, op grond van onze herkomst, hebben meegekregen en waaraan we langzaam moeten ontgroeien. De zonde is schuld voor God, waarbij van een ontgroeien geen sprake kan zijn, maar slechts van een verzoenen —- een verzoenen door het bloed van de Here Jezus.
Daarbij zullen we ook, dwars tegen wat velen vandaag zeggen in, moeten vasthouden aan de ernst van Gods oordeel en Gods gericht. De Reformatoren kenden iets van wat de Bijbel noemt „de schrik des Heren". Zij wisten dat van de God, van wie geschreven staat dat Hij liefde is, ook geschreven staat dat Hij „een verterend vuur" is. We zullen ons van die huivering van de Reformatoren niet mogen afmaken door die huivering als iets middeleeuws en primitiefs te verklaren. Door de Bijbel hadden de Reformatoren zich laten overtuigen van de ernst van Gods oordeel en Gods gericht en die ernst wilden ze niet afzwakken, welke vragen er verder dan ook open bleven. Wij zullen hen daarin vandaag moeten volgen. Het is dodelijk gevaarlijk, omdat wij allemaal maar al te zeer geneigd zijn om onze zonden te bagatelliseren en goed te praten.
Daarbij zullen we, dwars tegen wat velen vandaag zeggen in, ons door de Bijbel moeten laten gezeggen wat goed is en wat kwaad is. Zo hebben de Reformatoren hun leven gebouwd op wat de Bijbel hun voorhield. Sinds de dagen van de Reformatoren zijn de omstandigheden ingrijpend gewijzigd. De vragen en problemen waar wij vandaag voor staan zijn anders dan die uit de tijd van de Reformatie. Ze zijn in veel opzichten ook complexer, ingrijpender en moeilijker dan in de dagen van de Reformatie. Het is bovendien waar dat de Bijbel geen handboek voor ethiek is en niet een pasklaar antwoord heeft op al onze problemen en vragen. We zullen ons er evenwel voor hebben te wachten om zoveel problemen rónd de Bijbel te zien dat we vergeten ons dóór de Bijbel in kinderlijke gehoorzaamheid te laten leiden. We zullen de grenzen tussen goed en kwaad niet mogen laten wegvallen, maar in het spoor van de Reformatoren zullen we moeten blijven bij de grenzen, die de Bijbel trekt. Alleen zó zal de boodschap van de Reformatie, de boodschap van de verzoening van de zonde, voor ons geen begrip, maar een bevrijdende werkelijkheid zijn.
Daarbij zullen we tenslotte, dwars tegen wat velen vandaag zeggen in, moeten blijven zien dat het gaat om verzoening met God. Geen vage God, geen God die „de grond van ons zijn" is, maar de God, die de Vader is van de Here Jezus Christus. Geen andere God dan deze God hebben de Reformatoren gekend, omdat ze geen andere God dan deze God in de Bijbel konden vinden. Ook wij zullen niet in vaagheden omtrent God mogen vluchten. We zullen geen andere God mogen zoeken of begeren dan deze God, de Vader van de Here Jezus Christus. Dan verwijst deze God ons óók naar de naaste, zonder evenwel in die naaste of in onszelf op te gaan. De band met God legt óók de band met de naaste. Er is geen verbondenheid aan God die niet tegelijk beleefd wordt als verbondenheid aan de naaste, zonder dat evenwel de band met God samenvalt met de band met de naaste. De boodschap van de Reformatie is geen boodschap die voor kennisgeving wil worden aangenomen. Het is een boodschap die vraagt om een persoonlijke beleving. Soms kan ons misschien de gedachte benauwen of wij met deze boodschap iets kunnen beginnen in de wereld waarin wij vandaag staan. Wie vraagt er in deze „eeuw van de mens" nog naar God, laat staan naar verzoening met God? Alleen wanneer wij vandaag uit deze boodschap léven, zal óók vandaag de boodschap van de Reformatie nog weerklinken en haar werking doen zoals ze die gedaan heeft. Een verouderde boodschap? Neen, aktueler dan ooit! Wanneer u dat gelooft, laat u dat dan ook zien!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
