In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Maar…

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maar…

13 minuten leestijd

We zagen dus dat het geloof, waardoor wij zalig worden, bewerkt wordt door de Heilige Geest, die in ons het verlangen naar Christus wekt. Dat alles lijkt vrij eenvoudig. En toch zijn er vele oprechte christenen, prachtmensen, die met allerlei zwarigheden zitten. Je kunt je zo diep met hen verbonden weten vanwege hun innig ontzag voor de Heilige God, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Vanuit de huiver voor Gods grootheid en voor Zijn soevereiniteit komen ze tot allerlei bedenkingen. Ik wil proberen hierover een gesprek te voeren rondom de geopende Bijbel, waarbij we van weerskanten alle menselijke traditie, allerlei denkbeelden die we van onze opvoeding hebben meegekregen, toetsen aan wat God in Zijn Woord zegt.

God is geen kwelgeest

Zo zal iemand zeggen: „Ook ik voel zulk een intens verlangen naar deze gemeenschap met Christus, naar deze rust in Hem. Ook ik wil zo graag bij Hem behoren, van Hem alleen zijn. Maar mag ik mij dat nu zo maar toeëigenen, alleen maar omdat ik zulk een hevig verlangen daarnaar in mij gevoel?"

Ik zou daarop willen antwoorden: Maar wat betekent dan nog de uitnodiging, ja zelfs het bevel van Christus om in Hem te geloven? Zulk een verlangen naar de volle levende gemeenschap kan toch alleen maar gewekt zijn door de Heilige Geest," want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten." (zd. 2 Heid. Kat.) Maar waarom zou lk dan die belofte niet mogen aanvaarden, wanneer God Zelf in mij het verlangen daarnaar heeft gewekt en wanneer Hij Zelf mij door Zijn Woord toeroept: „Bekeert u en gelooft het Evangelie" (Mark. 1:15)? God is toch niet een kwelgeest, die eerst in mij de dorst naar het water des levens, naar de gemeenschap met Hem, opwekt en daarna tegen mij zegt: Afblijven!

De God die mij in de Bijbel getekend wordt, is anders. Jezus vertelt over Zijn hemelse Vader: „En als hij (de verloren zoon) nog ver van hem was, zag hem zijn vader en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende, viel hij hem om de hals en kuste hem" (Luk. 15 : 20). En op eenzelfde wijze tekent Jezus ons Zijn hemelse Vader in de gelijkenis van de herder, die het éne verloren schaap gaat opzoeken in de wildernis.

We lezen in Tes. 65:24: „En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal ik horen." Hoe kunnen wij ons dan een God voorstellen die Zijn oren voor ons sluit, terwijl wij vanuit de nood van onze zonden tot Hem roepen?

Loze beloften?

Allerlei woorden van de Bijbel worden dan voor ons onbegrijpelijk. Wat moeten we dan beginnen met deze uitnodiging op de laatste bladzijde van de Bijbel: „En die dorst heeft, kome en die wil, neme het water des levens om niet" (Openbaring 22:17)? En wat te denken van de stellige verzekering van Christus: „En ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden; want een ieder die bidt die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden" (Luk. 11:9-10)? Zijn dat dan loze beloften?

Jezus roept ons toe: „Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven" (Matth 11:28). Hoevelen hebben soms jarenlang getobd met de vraag: Ben ik wel een kind van God? Mag ik wel de rijkdom van Gods genade aanvaarden? Is het wel voor mij? — Als zij deze woorden van de Heere horen, waarom zouden ze dan niet mogen komen? Ze zijn afgemat en belast met allerlei kwellende vragen, met angsten en benauwdheden, wie zou hen dan van Christus af mogen houden? Wie heeft het recht hen nog meer te belasten, een nog dieper zondebesef van hen te eisen, voordat zij eindelijk tot Jezus mogen gaan om geheel en al hun vertrouwen op Hem te stellen en te genieten van Zijn oneindige rust in de vergeving der zonden?

Jezus kon de barmhartigheid van zijn Vader zo prachtig beschrijven: „En wat vader onder u zal, indien zijn zoon om brood vraagt, hem een steen geven? Of zo hij om een ei zou vragen, hem een schorpioen zou geven? Indien dan gij die boos zijt, uwe kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de Hemelse Vader de Heilige Geest geven aan degenen die Hem bidden?" (Luk. 11:11-13). Mogen wij dan aan de zondaars een andere Vader voorstellen? Een boze Vader die ons Zijn goede gaven weigert, wanneer wij Hem daar ootmoedig en gelovig om bidden?

Maar, zo zullen sommigen weer antwoorden, ik kan niet echt roepen tot de Heere, als dat niet door Hem gewekt wordt. Anders is dat toch allemaal maar schijn. Diep in mijn hart wil ik dan toch niet gered worden door Hem en mijn roepen om Hem is dan alleen maar een vroom smoesje voor mij om God de schuld te geven, om het mijzelf voor te praten: Ik wilde wel tot de Heere gaan, maar Hij heeft mij niet toegelaten.

Dan zou ik willen antwoorden: Maar u wéét op dat moment toch wel of u het ernstig meent of niet. Wanneer u in de Bijbel leest over het eeuwige leven, de onuitsprekelijke vreugde, de vrede en de rust die het deel wordt van hen die in Christus geloven, dan weet u toch van uzelf of u daar ernstig en oprecht naar verlangt, ja of neen. En dan weet u toch tegelijk dat zulk een oprecht verlangen naar de verzoening met God in Jezus Christus niet uit uzelf kan voortkomen.

Het Evangelie voor de eenvoudigen

Maar.., zo gaat men dan misschien verder, dat kan ik wel weten van mijn bewustzijn. Ik geef toe dat ik de bewuste inhoud van mijn verlangens nog wel enigszins kan controleren. Maar wie peilt de diepten van mijn ziel? Wie zegt mij, wat achter die bewuste verlangens zit. Misschien gaat daarachter een wereld van ongerechtigheid en bederf schuil.

Weer zou ik dan willen antwoorden: Maar waar staat in de Bijbel, dat wij zo in de diepten van ons onbewuste zieleleven moeten gaan graven? De Heere richt Zich met Zijn beloften tot allerlei soort zondaren, en niet tot een geestelijke elite, die in staat is om door te dringen tot allerlei geheime roerselen van hun ziel. Het Evangelie is niet voorbehouden aan zulke diepe delvers, maar is voor elke zondaar die door de Heere geroepen wordt. Jezus heeft toch immers gebeden: „Ik dank U, Vader, Heere des Hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan de kinderkens hebt geopenbaard" (Matt. 11:25). De Heere heeft ook gezegd dat wij moeten worden als de kinderen, willen wij het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Maar als het allemaal zo ingewikkeld zou zijn, is het heil dan nog wel voor de eenvoudigen?

Geloof is ook een bevel

De Heere heeft ons toch bevolen om in Zijn belofte te geloven. Het geloof is toch niet alleen een gave, het is ook een bevel. Dat is juist die geheimnisvolle eenheid die wij in de Bijbel vinden en zo mooi in de Dordtse Leerregels onder woorden wordt gebracht. We zullen dat met ons verstand nooit kunnen doorgronden, maar ons hart zegt er ootmoedig en gelovig „ja" op.

En wanneer wij nu in ons hart een oprecht berouw over onze zonden ontwaren en een oprecht verlangen naar de vergeving en naar de gemeenschap met het heil, zouden wij dan niet op grond van de oproep tot geloof in Jezus Christus eenvoudig die heilsweldaden mogen aanvaarden?

Misschien zegt iemand nu weer: als je geen ervaring hebt van de werking van Gods Geest, dan kun je dus niet zeker zijn dat je het zaligmakende geloof hebt en dan eigen je jezelf ten onrechte al deze heilsweldaden toe. En is dat niet een vreselijke aanmatiging?

Ik zou dan willen wijzen op wat de Heere heeft gezegd tot Thomas: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben" (Joh. 20:29). En wat zegt de Bijbel over het wezen van het geloof? „Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der dingen die men niet ziet" (Hebr. 11:1). Wij verheerlijken God juist daarin dat wij blind geloven, d.w.z. zonder gezien, ervaren, bevonden te hebben. Geloven is Gods waarachtigheid groot maken. Wanneer je pas gaat geloven, NADAT je het zelf ervaren hebt, dan is dat eigenlijk niet meer het pure vertrouwen in Gods waarachtigheid en trouw. Mogen wij wel die houding aannemen van: „Ik moet het eerst maar eens gezien, aan de lijve ondervonden hebben", voordat ik mij in vertrouwen aan de Heere en Zijn belofte overgeef? Het was toch zonde dat Thomas zei: „Indien ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagels en mijn vinger steek in het teken van de nagels en mijn hand steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven".

Wel moet ik er aan toevoegen dat de vergelijking met Thomas niet helemaal opgaat. Bij Thomas ging het niet om de vraag of Gods Geest wel werkelijk in zijn hart werkzaam was, maar of een bepaald uiterlijk feit had plaatsgegrepen nl. de opstanding van Christus. En in verband daarmee zegt Christus dan: „Zalig degenen die niet gezien (d.i. Christus als de lichamelijke Verrezene) hebben en toch hebben geloofd".

Wanneer iemand tot het zaligmakende geloof komt, dan is dat nooit louter een „niet-zien". Het gaat altijd gepaard met een geestelijke ervaring, dus met een bepaalde manier van „zien" van Christus. En toch is de eigenlijke overgave aan Christus ook een sprong in het onbekende, een aanvaarding van iets dat je nog niet ten volle ziet. Dat is misschien de diepe zin van deze woorden: „Maar zovelen Hem hebben aangenomen, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven" (Joh. 1:12). In en door deze geloofsovergave aan Christus zien wij dat wij kinderen Gods zijn geworden.

Zalig die NIET gezien hebben

Maar, zo zal iemand zeggen, ik heb mij in vertrouwen op de Heere en op Zijn belofte aan Hem overgegeven, maar ik heb daarna het eeuwige leven in mij niet ervaren. Ik heb er niets van gemerkt dat Christus in mij is gaan leven. En dat zou je dan toch beslist moeten bemerken, want als iemand bij je woont, dan weet je dat wel. Ik erken, dat is een moeilijkheid. Maar in de eerste plaats: nergens heeft Jezus uitdrukkelijk beloofd dat we dat eeuwige leven ook direkt tenvolle zullen ervaren. De Heere kan ons een tijd — niemand weet hoe lang — op de proef stellen. Het kan Zijn weg zijn met u. Misschien wil Hij door u verheerlijkt worden doordat u toch blijft geloven in Zijn trouw aan de belofte, ook al ervaart u lange tijd weinig van de vreugdevolle vervulling van die belofte. Weet dan echter dat Christus dan toch in u is en u de kracht schenkt om vol te houden, om Hem te blijven verheerlijken in dat dorre geloof, zonder volop te zien, zonder diepe en vreugdevolle bevinding. Geloof in die aanwezigheid van Christus in u, ook zonder Hem te zien. Geloof het op grond van de belofte.

Wanneer iemand echter NIETS van het eeuwige leven in zich ervaart, NIETS van de vreugdevolle zekerheid van de vergeving der zonde en van de zaligheid in de gemeenschap met God, dan ligt er maar één konklusie voor de hand namelijk dat hij niet werd wedergeboren onder de werking van Gods Geest. Maar hen die heen en weer worden geslingerd tussen blijdschap en dorheid, tussen zekerheid en twijfel zou ik willen wijzen op de prachtige vertroosting van het Avondmaalsformulier: „Daarom, al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulke ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits..!"

Pas op voor de „goedkope" genade

Wel moet ik hen die het moeten doen met zulk een dor geloof zonder de rijke bevinding waarschuwen, dat zij hun zaligheid moeten bewerken „met vreze en beven" (Fil. 2:12). Anders vervallen ze gemakkelijk in de leefsfeer van de „goedkope genade", van hen die vertrouwen op een koud redeneergeloof in deze trant: „Christus heeft beloofd: Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Welnu, ik geloof in Hem. DUS heb ik het eeuwige leven. . Wie heeft er een sigaret voor mij?" Ik heb de verwoestende werking van zulk een redeneergeloof gezien in de r.-k. kerk. Daar werd ons geleerd dat de sakramenten, met name de kommunie, krach tens eigen werkzaamheid vermeerdering van genade d.i. een intenser leven van Christus in mij zou veroorzaken. Wanneer iemand dan opmerkte: „Maar ik bemerk daarvan niets bij mij noch bij anderen", dan was het antwoord: „Die genade, dat leven van Christus in ons, is bovennatuurlijk. Het is uit eigen aard niet bereikbaar voor onze ervaring".

Ik heb eenzelfde soort redenering later teruggevonden bij sommige gereformeerden, die zeiden: „Als je gedoopt bent, mag je veronderstellen dat je wedergeboren bent, ook al ervaar je niets van dat nieuwe leven in je". Ze waren dikwijls juist felle tegenstanders van een bevindelijke prediking. Ik heb me vaak afgevraagd: Waarom zijn jullie daar zo fel tegen? Is het misschien om de schrijnende leegte in je eigen ziel te overschreeuwen?

De vreemde wereld van het goddelijke

Ga de weg van het geloof met vreze en beven, „want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen" (Fil. 2:13). U bent dan in de tegenwoordigheid van de Heilige Geest die uw ziel uittilt boven het bederf, die een totaal andere richting geeft aan uw bewustzijn, die aan u het werk verricht van de algehele vernieuwing die eenmaal voltooid zal worden, als wij bekleed worden met de onsterfelijkheid. U bent dan in de tegenwoordigheid van de Heilige God wiens ogen in eeuwige ontferming op u rusten, die Zijn besluit volvoert dat Hij nam van vóór de grondlegging der wereld om u in liefde tot Zich te trekken.

Maar deze oproep om onze zaligheid met vreze en beven te bewerken geldt allen, ook hen die het niet alleen in geloof hebben aangenomen zonder te zien, maar die ook „gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is" (1 Petr. 2:3). Het geloof is immers levend en het levende wordt hier op aarde altijd aangevochten, bedreigd door de dood. Ons geloof zal altijd bevochten moeten worden, totdat het eenmaal overgaat in aanschouwen en in de verrukking van een ononderbroken liefde tot God.

Door het geloof hebben wij een persoonlijke band met God en de heilszekerheid bloeit alleen maar op vanuit die gemeenschap van ons hart met God. Het is geen mathematische of filosofische zekerheid. Aan die zekerheid kleeft het bloed van Gods Zoon. En de verborgenheid van Zijn sterven moet ons wel met vreze vervullen. We staan dan aan de rand van een totaal andere wereld, de wereld van het goddelijke, waar andere dimensies gelden. Wij mogen wel in die wereld rondwandelen als Gods kinderen, maar het blijft voor ons een vreemde wereld, een wereld vol wonderen. Wij zullen God nooit kunnen doorgronden. Hij woont in een ontoegankelijk licht en slechts dóór en in Jezus Christus wordt dit licht zover voor ons getemperd dat we het dragen kunnen zonder te sterven.

„Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden waardoor wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. Want onze God is een verterend vuur" (Hebr. 12:28-29).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Maar…

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's