HET GELOOF EN DE ZONDEKENNIS
L. Huisman.
„Hoe diep moet ik aan mijn zonde ontdekt zijn om te weten dat deze kennis door de Heilige Geest gewerkt is", zo vroeg mij eens een jongen op de catechisatie. Dit is een vraag met veel kanten. Hij kan gesteld worden door iemand die meent dat kennis van de zonde nogal vanzelfsprekend is. Zo in de zin van: „Wie denkt er nu nooit eens over zijn zonden? Wie schreit nooit eens van ellende? Wie slaat zich nooit eens voor het hoofd, uitroepende, stommerd die ik ben, hoe kon ik dat nu doen? Elk mens is toch zondaar en als je christen bent, belijd je toch elke dag je zonden aan God en je gelooft toch dat Jezus Christus kwam om de zonde weg te nemen". Tegen zulke mensen zou ik willen zeggen: weet u wel dat er ook een droefheid der wereld is die de dood werkt? Denk niet licht over het berouw van Ezau en Saul en Farao en Judas. Zij hebben hun zonden uitgeschreeuwd. Zij hebben de grootheid van hun zonden gezien op zo'n wijze dat zij geen moed meer hadden om te leven.
Maar één ding deden zij niet. Zij beleden hun zonden niet aan God. Zij kenden God niet. Hoeveel zij ook van God gehoord hadden, zij stonden nooit oog in oog met God. Zij moesten zwichten voor het feitenmateriaal wat tegen hen aangevoerd werd, maar zij vielen God niet toe en bogen niet onder Gods heilige wet ten koste van zichzelf. Er was nog wel een zekere erkenning van Gods rechtvaardig oordeel, maar hun hart werd niet verbroken onder het zien van hun zonden.
Dit is het wat hapert bij veler zonden kennis: De verbreking des harten. Waar Gods Geest overtuigt tot bekering, is er een invallen voor God, gewerkt door de liefde tot God die in ons hart wordt uitgestort door de Heilige Geest. Het is een hartelijk berouw en een diep gevoelde en doorleefde droefheid die alle eigengerechtigheid verplettert en doet wanhopen aan eigen kracht.
Hier ontstaat een droefheid naar God die door niemand weg te nemen is dan door het licht van Gods vriendelijk aangezicht. De schuldbelijdenis die na ernstig overleg volgt, is maar niet een opbiechten van hetgeen ik zoal verkeerd deed, maar een hartelijk onderwerpen aan het rechtvaardig oordeel Gods. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad was in Uw ogen.
De smart van het Godsgemis doet onze ziel wegdruipen van treurigheid. Het gescheiden zijn van Gods gunst en zalige gemeenschap wordt ondragelijk. In deze nacht wordt al wat de wereld nog te bieden heeft, louter ijdelheid. Hier staat alles wat ik heb en ben, in het licht van de eeuwigheid. Wat baat het dan de mens de hele wereld gewonnen te hebben en geen vrede met God te hebben. Hierbij voegt zich al meer en meer de pijnlijke ontdeking dat alles wat wij aanwenden uit dit moeras te komen, ons steeds dieper doet wegzinken voor God, omdat niet alleen de vruchten van onze levensboom bitter zijn, maar ook de boom zelf kwaad is. (Rom. 3).
Zelfs onze gebeden en tranen zijn niet zuiver voor God. Uit deze dood kan alleen God redden. Die zo door het Woord Gods wordt aangegrepen, kan niet meer los komen, tenzij hij God gerechtigheid toekent en (om met Luther te spreken) God Zijn Woord terug geeft, d.w.z. de rechtvaardigheid en de waarheid van dat Woord met zijn levensbloed ondertekent. Dit sterven is nodig om te leven. Zonder dit SOORT zondenkennis zal niemand het eeuwige leven beërven. Omdat alleen verlorenen zalig worden en goddelozen met God verzoend worden. Zonder deze diepe en hartelijke zondenkennis is het berouw niet echt en de genade enkel schijn. Nooit wordt dan het hart bewogen om af te zien van alle hulp en ALLEEN te roemen in vrije gunst die eeuwig Hem bewoog.
Een ander soort mensen zou ik het volgende willen zeggen: Het is ook mogelijk dat deze vraag nl. naar de diepte van de zondenkennis gesteld wordt door mensen die deze dingen die God gegeven heeft om een mens uit te drijven naar Christus, aangegrepen hebben als een ladder om op te klimmen tot Gods genade. Dan wil men eerst zo verootmoedigd zijn en eerst zo hartelijk wenen en eerst zulk een gevoel van totale verlorenheid kennen dat men meent door deze ondervindingen een GESCHIKT mens te zijn om genade te kunnen ontvangen. Hier bijt de slang zich in de staart. Wat men de voordeur uitwierp nl. het zalig worden door de werken, haalt men de achterdeur weer binnen door dan toch weer aangenaam en geschikt te willen zijn voor God. U moet goed bedenken dat de gerechtigheid waardoor zondaren zalig worden, zo volmaakt is in Christus Jezus dat de heilige en rechtvaardige God zonder bekering, zonder tranen en zonder worstelingen de grootste zondaar van de wereld in Zijn heerlijkheid kan opnemen.
Dat God dit niet doet, is niet omdat hierdoor Zijn recht gekrenkt zou worden want dat is volmaakt hersteld in het offer dat Jezus Christus bracht. Dit is echter naar Gods vrije wilsbeschikking dat geen zondaar zalig wordt dan door de weg van berouw en bekering.
Is er dan niets te zeggen over de noodzakelijke diepte van zondenkennis? Ja, zeer zeker. De kennis der zonden moet zo diep gaan dat wij het buiten Christus niet meer kunnen uithouden. Dan nemen wij door een waar geloof de toevlucht tot Gods barmhartigheid ons in het Evangelie geopenbaard en omhelzen de beloften Gods die Hij in Zijn Woord aan verloren zondaren doet.
Is er nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan? Ja, zegt God. Aan Mijn gerechtigheid is voldaan. Mijn toorn is geblust. Grimmigheid is bij Mij niet. Daar wijst de Heilige Geest ons de WEG ter zaligheid Jezus Christus en die gekruist. Daar richt God onze voeten op de weg des vredes. Geloven kunnen wij niet op onze pantoffels tijdens een gezellig onderonsje. Geloven is een zaak op leven en dood. Geloven is het wonder aanvaarden dat de bliksem van Gods toorn die mij naar recht moest treffen, uitschoot in het hart van Gods Zoon. Dan wordt het:
Hij uitgeworpen — Ik aangenomen
Hij buiten het Vaderhuis — ik aan 's Vaders dis
Hij de doornen kroon — ik de kroon der overwinning
Hij toorn, eeuwige toorn — ik eeuwige liefde.
Dit doorgloeit onze ziel. Dit maakt ons andere mensen. Dit geloof ontneemt ons alle pretenties en richt ons tevens op tot een hoogte waar ik alleen maar zingen wil van Gods goedertierenheden.
Dit is het geloof van het nochtans:
Al ben ik verloren,
al deugt van mij niets,
al is het rondom nacht,
al vloekt mij Gods wet,
al oordeelt mij mijn geweten,
al bespot mij de duivel,
al veracht mij de hele wereld,
Om met de profeet Habakuk te spreken:
Al is er geen rund meer op stal,
al is er geen schaap meer in de kooi,
dan spring ik nochtans van vreugde
op in de Heere, mijn God.
Hier komen wij weer aan ons doel nl mens Gods te zijn. Dit doet ons als vreemdeling op aarde leven. Niet de teleurstellingen of het onvolmaakte hier beneden, maar het heerlijke leven met en door Christus Jezus, waarvan wij hier de voorsmaken ontvangen, doet ons als pelgrims moedig voorwaarts trekken. Wij zijn geen geslagenen die de aarde niets meer te bieden heeft, maar burgers van een beter vaderland dat boven is. Zo is de kennis van onze zonde dienstbaar om te doen zingen:
Wij heffen 't hoofd omhoog
en zullen 'd eerkroon dragen.
Door U, door U alleen,
om 't eeuwig welbehagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
