OVERLEVINGSKANSEN van de mens als soort!
Onder deze titel publiceerde dr. A. C. Aten een artikel in „Voorlopig". De ondertitel van dit blad luidt: „Evangelisch commentaar bij de tijd". Dit blad is een markant voorbeeld hoe bepaalde woorden geheel en al uitgehold kunnen worden en gevuld met een volkomen andere inhoud dan oorspronkelijk bedoeld was. De betekenis van het woord „Evangelie" zoals we dat in het Nieuwe Testament aantreffen, is: goede of blijde tijding voor zondaars die de eeuwige dood verdiend hadden, maar die nu het eeuwige leven kunnen ontvangen, wanneer ze tot bekering komen en zich in gelovig vetrouwen overgeven aan Jezus Christus, die de straf voor hun zonden op Zich heeft genomen.
In „Voorlopig" is dit woord „Evangelie" of het daarvan afgeleide „Evangelisch" bij de meeste artikelen omgebogen in een geheel andere richting. Daar wordt de mens nooit meer als zondaar geplaatst tegenover een goddelijke Rechter, die tot hem zeggen moest: „Ga weg van Mij, vervloekte, in het eeuwige vuur", maar die Zijn eigen Zoon tot onze zaligheid heeft gegeven, zodat Hij thans tot hen die tot geloof zijn gekomen — het geloof dat waarachtig is en zichtbaar wordt in de werken der liefde — kan zeggen: „Komt, gezegenden van Mij, neemt bezit van het Koninkrijk, dat vanaf de grondlegging der wereld voor u bereid was".
In „Voorlopig" wordt de mens slechts tegenover de mens gesteld. Men kijkt alleen maar over de golven van de geschiedenis heen naar de horizont van een oerbegin en naar de horizont van een — nimmer eindigende? — toekomst.
Een dikke pels of wat meer hersenen
Dat kwam weer eens heel sterk naar voren in het artikel van dr. Aten. Hij gaat uit van het feit dat sommige diersoorten zijn uitgestorven. Ze hebben het niet gehaald. Hij betrekt dat dan ook op de mens, met name op de Europese Neanderthalers, die het, volgens dr. Aten,ook niet gehaald hebben, „hoewel ze zo'n 50.000 jaar geleden de enige mensachtige wezens waren die in onze gebieden bestonden". „Het waarom is niet precies duidelijk: het kan zijn dat het klimaat te veel verslechterde, terwijl de herseninhoud, en dus het denkend vermogen, de mogelijkheid om de wisselvalligheid van het leven enigszins in de hand te krijgen, onvoldoende waren toegenomen; tevens zouden een paar typische dierlijke voordelen, zoals een dikke schedel, een dikke pels en krachtige kaakspieren, al flink zijn verminderd in kwaliteit".
Elk zicht op een God, Die alles in handen heeft, Die in liefde de mens schiep naar Zijn beeld, is hier volkomen zoek. De menswording van de Zoon van God wordt vanuit deze beschouwing geheel en al onwaarschijnlijk, — niet omdat daardoor redelijke bezwaren zouden ontstaan tegen dit diepe geheim van Gods Openbaring; de vleeswording van het Woord is altijd onverteerbaar geweest voor de natuurlijke rede. Maar die menswording wordt dan zeer onwaarschijnlijk vanuit de God die ons in de Bijbel geopenbaard wordt. Die God is immers hoog verheven. Hij speelt een groot en heilig spel met de mensen. Hij plaatst de mens tegenover Zich in een verbond van Zijn liefde, dat eenzijdig van Hem is uitgegaan, een verbond, dat Hij sloot met de eerste mens, Adam.
Is het echter in overeenstemming met de waardigheid van God, wanneer Hij een verbond sluit met een wezen dat nauwelijks een schemering van verstand heeft, en nog half in de dierenwereld staat?
Kan zulk een wezen werkelijk een verbondspartner van God zijn? De eerste hoofdstukken van Genesis geven ons een heel ander beeld van God en een heel ander beeld van de mens. Daar zien we een God die spreekt met een volmaakt menselijk wezen dat Hij naar Zijn beeld geschapen heeft en na de zondeval wordt die mens ten volle aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar hoe kan God een aapachtig wezen dat rondhuppelt op de aarde en alleen nog maar wat vaag-samenhangende klanken uitstoot — een beginnende menselijke taal —, ter verantwoording roepen vanwege een overtreding van Zijn geboden?
En wat een materialistische levensbeschouwing spreekt uit de manier, waarop hier over de mens geschreven wordt, alsof het verschil vooral zit in een paar kubieke centimeters méér hersens.
Mens bedreigt eigen voortbestaan
Vervolgens beschrijft dr. Aten de redenen waarom de mens zijn eigen voortbestaan als soort bedreigt.
De eerste reden is de geweldige groei van het aantal. Als dat zo doorgaat, hebben over 400 jaar „de aardbewoners nog juist voldoende plaats om allemaal tegelijk te gaan liggen".
De tweede reden is „de toename van het behoeftenpatroon". „Wat niet toeneemt is bijvoorbeeld de beschikbare hoeveelheid water, lucht, bodem e.d., maar daarvan hebben we wel steeds meer nodig, naarmate de welvaart toeneemt. Dat betekent dat er voor steeds minder mensen plaats is op de wereld".
De derde reden: „We zijn bereid alle mogelijke geweld te gebruiken om onszelf, onze levens ,onze vrijheden, onze welvaartsgroei te verdedigen. En dit mogelijke geweld is niet gering; we beschikken tegenwoordig namelijk over de middelen om alle leven op aarde te doden en zelfs honderdmaal meer dan dat". „Uit het voorgaande kan echter worden afgeleid, dat de groei van de bevolkingsdichtheid en vooral de uitbreiding van het behoeftenpatroon steeds sterkere argumenten zullen vormen om de medemens als concurrent te zien, daarna als bedreiging, daarna als doodsvijand, tegen wie ieder beschikbaar middel moet worden ingezet". „In onze fantasie kunnen we ons dan voorstellen, hoe over bijvoorbeeld een miljoen jaar intelligente wezens van een andere planeet deze levenloze aarde bestuderen en tegen elkaar zeggen: Merkwaardig, die zijn ver gekomen, maar ze hebben het juist niet gehaald".
In deze beschouwing wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met de openbaring over het einde van deze wereld, zoals ons dat in de Bijbel beschreven wordt. Een leer van de wederkomst van Christus past helemaal niet in dit materialistische of althans volkomen naturalistische denken. Een lied van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zou in het midden van zulk een gesprekscentrum even onfatsoenlijk klinken als wanneer iemand op een begrafenis ineens de treurenden wil troosten door aan te heffen: „En houdt t'r de moed maar in en van je hela hola, houdt t'r de moed maar in", of: „En dat we toffe jongens zijn, dat willen we weten".
Dan liever de katastrofe
Overigens blijkt ook wel dat dr. Aten de christelijke godsdienst niet veel hoger stelt dan andere godsdiensten, want hij schrijft: „Hierover kunnen we zeker zijn: in de christelijke godsdienst — en misschien evengoed in andere godsdiensten, maar die kennen we nu eenmaal minder goed — komen kernpunten voor, die toereikend zijn, wanneer ze althans worden toegepast, om catastrofale ontwikkelingen te vermijden".
Tot slot nog dit. Ik begrijp niet, waarom mensen als dr. Aten zich nog druk maken, wanneer dit de zin is van de mensengeschiedenis. Als God ons leven niet in handen heeft en leidt, welke inhoud heeft ons leven dan nog? Alleen maar te bestaan? — te existeren? — zoveel mogelijk genot binnen te zwelgen, zalig te worden door de wat grovere trillingen van sexuele vervoeringen of door de iets fijnere trillingen van de zoveel grammen hersens die we in onze kop hebben?, — en die laatste trillingen worden dan met een groot woord aangeduid als kuituur, beschaving, kunst, wetenschap, godsdienst?
Als dat werkelijk de zin van de geschiedenis zou zijn, dan zou ik innerlijk in elkaar klappen. Dan zou ik alleen nog maar kunnen verlangen dat die grote catastrofe, waardoor een einde gemaakt wordt aan dit zinloze voortbestaan van het mensensoort, spoedig zal komen.
Dr. Aten geeft ook geen enkele reden, waarom iemand die de macht daartoe bezit, niet op de knop mag drukken om heel de aarde in een regen van waterstofbommen te laten vergaan.
Provo-achtig blad
Ik ben het geheel eens met wat ds. J. Vlaardingerbroek in „Veluws Kerkblad" heeft geschreven: „Voorlopig" is een afschuwelijk provo-achtig blad, dat een kinderlijk plezier beeft in het schoppen tegen wat men als de gevestigde orde ziet en in het irriteren van ieder die het niet precies met de richting van „Voorlopig" eens is".
U, die aan zulk een blad meewerkt — o.a. prof. Kuitert, prof. Verkuyl, prof. B. de Gaay Fortman, prof. Augustijn, prof. D. C. Mulder, dr. J. M. van Minnen, prof. Bakker, prof. Lever, dr. Okke Jager, drs. Baarda, ds. J. Hessels Mulder, prof. Firet, prof. Rothuizen, dr. H. Wiersinga, ds. L. Ringnalda, dr. J. Vlijm, drs. Spoelstra —, waarom deze voorlopige afbraak van het Evangelie? Waarom niet meteen en radikaal — u wilt immers zo graag radikaal heten — afrekenen met de Bijbel als Woord van God? Waarom niet duidelijk de Schrift gelijkstellen met alle andere grote religieuze boeken van de wereldgodsdiensten om dan meteen over te gaan tot de humanistische orde van de dag?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
