In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ONZE SCHULD IN DE breedte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE SCHULD IN DE breedte

7 minuten leestijd

Maar, zo zal iemand zeggen, u gebruikte een afschuwelijk voorbeeld: Iemand die zijn vader of moeder vermoord heeft. Daar wilt u ons toch zeker niet mee vergelijken. U wilt ons toch niet van moordlust beschuldigen. Wij zijn fatsoenlijke mensen! Zeker, er hapert ook bij ons wel eens wat, maar overigens, wij stelen niet, doen geen echtbreuk en in elk geval staan wij niemand naar het leven.

De schrift beschuldigt ons

Mijn antwoord: niet ik beschuldig u daarvan, maar de Heilige Schrift.

Leest u maar eens Rom. 3:9-20. Daar citeert Paulus enkele verzen uit het Oude Testament o.a.: „Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten". En dan zegt hij in vs. 19: „Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn". Bent u soms niet onder de wet? Gelden de ge- boden Gods niet voor u?

Natuurlijk wél, zult u antwoorden. Maar dan geldt ook voor u dat in u aan- wezig is die trek naar bloedvergieten.

De moderne dieptezielkunde heeft de Bijbel hierin volkomen in het gelijk ge- steld en heeft aangetoond, dat in het onderbewustzijn van elk mens de haat tot het uiterste als een vernietigende kracht verborgen ligt. Vanwege de eisen van het fatsoen en vanwege de nuchtere berekening van de gevolgen voor onze goede naam verdringen wij heel wat ne- gatieve en agressieve driften in ons. Maar de psycho-analyse beaamt volko- men wat de Heidelbergse Katechismus al eeuwen geleden uit de Bijbel had op- gediept nl. dat de mens van nature ge- neigd is alles en iedereen te haten (Zd. 2).

Jakobus breidt vanuit één enkele zonde dan ook de schuld uit naar de hele wet Gods, als hij schrijft: „Want wie de ge- hele wet zal houden en in één zal strui- kelen, die is schuldig geworden aan alle" (Jak. 2:10).

U en ik, wij verdienen Gods vervloeking

De taal van de Bijbel is hard. Ze rukt blinddoeken voor onze ogen weg. Ze is wars van alle romantiek. Ze ontluistert de mens dóór en dóór. In het licht van de Bijbel blijft er niets meer van ons over.

Het is te begrijpen dat velen dat niet verdragen kunnen en willen. Ze verber- gen zich voor de afschuwelijke werke- lijkheid zoals Adam en Eva reeds deden in het paradijs na de zondeval. Zo heb- ben wij ook eeuwenlang voor elkaar de verschrikkingen van de oorlog kunnen verbergen. Ten strijde trekken in de oor- log werd verheerlijkt als een van de edelste uitingen van de mens.

De moderne communicatiemiddelen, vooral de t.v., heeft echter de gruwelijke ellende van de oorlog in onze huiska- mers gebracht. We deinsden ervoor te- rug. We konden het niet geloven dat dit de oorlog is, dat dit „helden-bedrijf" ge- paard gaat met het neerschieten van on- schuldigen, van weerloze burgers, met onzedelijkheid op allerlei wijze, ver- krachting van eerbare meisjes en vrou- wen. Maar we zagen het keer op keer. En beschaamd moesten we erkennen, hoe op de slagvelden de mens zo vaak een verscheurend dier wordt, hoe blin- de agressiedriften dan in hem ongeremd naar boven spuiten in een woedend neer- stoten.

En opnieuw moesten we de Heidelberg- se Katechismus gelijk geven, wanneer die aldus de leer van de Bijbel vertolkt nl. dat wij geheel en al onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad (Zd. 3).

(Mensen die hier verder over nadenken, kunnen misschien daardoor reeds tot het vermoeden komen, dat er een doem ligt op ons hele menselijke geslacht, dat wij onder een oerschuld liggen, waar- door wij vervloekt zijn door onze eigen Schepper die ons goed en naar Zijn beeld had geschapen. En inderdaad, de Bijbel laat ons daaromtrent niet in de onzeker- heid. Genesis 3 onthult ons de tragedie van het mensdom, de erfschuld van onze stamouders die op ieder van ons is over- gegaan, tesamen met het diepe bederf dat het gevolg is van onze vrijwillige vervreemding van en opstand tegen God.)

We proberen er onderuit te komen

Opnieuw proberen we daar echter on- deruit te komen, de r.-k. kerk heeft ge- probeerd die harde taal van de Bijbel wat te verzachten door onderscheid te maken tussen „doodzonden en dagelijk- se zonden". Een doodzonde is volgens Rome een ernstige overtreding van Gods geboden. Daardoor verdient de mens in- derdaad Gods vervloeking en de eeuwige hel. Maar er zijn ook geringe overtre- dingen van Gods geboden. Dat zijn de dagelijkse zonden. Daardoor ontstaat slechts een verkoeling in de liefdesver- houding tussen God en de zondige mens en de straf op die dagelijkse zonde is dan alleen maar het vagevuur. Die straf is tijdelijk. Niemand weet precies hoe- lang, maar je komt er ooit uit. Boven- dien kan dat lijden in het vagevuur ver- kort of zelfs helemaal worden opgehe- ven via de aflaten.

Deze leer is heel begrijpelijk, want ze is echt menselijk. Daardoor kunnen we ons nog enigszins staande houden tegen- over de brandende toorn van de heilige God. Maar…… deze leer is niet bijbels. In Gal. 3:10 lees ik: „Want zovelen als er uit de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er staat geschreven: Ver- vloekt is eenieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen". R.-K. vertaling: „Vervloekt is ieder die zich niet metter- daad houdt aan alle voorschriften in het boek der Wet". „Alle voorschriften…". Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen grotere en kleinere voorschriften. Overtreding van elk gebod, hoe gering schijnbaar in onze ogen, roept Gods eeuwige vervloeking over onze schuldi- ge hoofden af.

Hebt u zoiets nooit gedaan?

Als ik een leugentje bega „om bestwil", — als ik toegeef aan dat strelende gevoel van ijdelheid en zelfbehagen, wanneer anderen mij prijzen, — als ik prikkelbaar ben, jaloers, achterdochtig, gulzig, onbeheerst, schrokkerig, — als ik ongeduldig ben en meteen opstuif, wanneer mij iets in de weg wordt gelegd, — als ik lastig ben en altijd maar weer de aandacht van anderen voor mij opeis, — als ik altijd maar weer het middelpunt wil zijn van de belangstelling, altijd bezig met mezelf, ronddraaiend in eigen kringetje, klagend over mijn kwaaltjes, zuchtend over mijn zorgen, kwebbelend over mijn plannetjes, opscheppend over mijn prestaties — als ik overal kritiek op heb en altijd wat in anderen heb af te keuren, nooit is iets goed genoeg in mijn ogen, — als wij altijd het verkeerde in de ander zoeken, - als we dat kleine duivelse plezier hebben in de tegenslag van hen die ons niet liggen, — als we met begerige ogen kijken naar een andere vrouw, als we flirtend spelen met vuur, — enzovoort, enzovoort, — als we een van deze dingen doen, dan verdienen we evenzovele keren Gods eeuwige vervloeking. Lezers, u en ik, wij hebben reeds ontelbare malen de eeuwige dood verdiend. Ontelbare malen heeft God reeds tot ons moeten zeggen: „Gaat weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur" (Matth. 25:41).

Dat is een sombere gedachte. Inderdaad. Maar daar staat tegenover de wonderbare troost van het Evangelie, dat Jezus Christus in onze plaats onze vervloeking gedragen heeft en dat wij nu door het geloof in Hem — louter om niet, uit genade — het eeuwige leven, de onzegbare vreugde in de verzoening en de gemeenschap met God mogen deelach tig worden.

MEDE EEN GEVOLG VAN DE BIJBELKRITIEK

De ernstige afdwaling van dr. Wiersinga is tevens een gevolg van de Bijbelkritiek, waartegen wij ons keerden in ons februarinummer 1971.

Zo schrijft hij: „Wél wordt de vergelding aan God toegeschreven. Misschien wel eens te vlot. Ik denk dan aan Spreuken met hun al te gemakkelijk „vergeldingsdogma", waartegen Job, Prediker en sommige psalmen vanuit de ervaring van de onnarekenbaarheid Gods polemiseren" (p. 80).

Dus de Bijbelschrijvers — door Gods Geest geïnspireerd — zijn elkaar aan het bestrijden in polemieken en wij, zondige mensen, mogen en moeten uitmaken wie van de Bijbelschrijvers gelijk heeft en wie niet. Wat hebben we dan aan zo'n Bijbel. Hoe kan men zulk een boek de enige norm voor ons leven noemen?

Met diezelfde Bijbelkritische dooddoener maakt W. zich af van de belangrijke tekst vóór het plaatsbekledende middelaarschap van Christus in Jes. 53.

„Het komt mij voor dat we hier rekening moeten houden met het populaire „vergeldingsdogma" dat elk konstateerbaar lijden al te gemakkelijk en al te vanzelfsprekend aan Gods ingrijpen toeschreef" (p. 158).

„Het komt mij voor…" — dacht W. werkelijk dat je op zo'n manier ongestraft Gods Woord krachteloos kunt maken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's

ONZE SCHULD IN DE breedte

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's