In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE VERVLOEKTE N ONZE PLAATS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VERVLOEKTE N ONZE PLAATS

20 minuten leestijd

Er zijn verschillende passages in de Bijbel, waar duidelijk de verzoening door het plaatsbekledende lijden en sterven van Christus geleerd wordt. We kunnen die niet allemaal grondig bespreken. Daarvoor hebben we te weinig plaatsruimte. We moeten dus een keuze doen en onze keuze viel op Gal. 3:10-14, omdat deze verzen ook een belangrijke rol spelen in de controverse met Rome. Voor het gemak van de lezers laten we de tekst hieronder volgen:

„Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek, want er is geschreven: Vervloekt is eenieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Doch de wet is niet uit het geloof, maar de mens die deze dingen doet, zal daardoor leven. Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons, want er is geschreven: Vervloekt een ieder die aan het hout hangt, opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof".

Verklaring van enkele uitdrukkingen

Zulk een verklaring lijkt mij wel nodig, willen we het betoog van Paulus goed kunnen volgen.

1. „De wet". — Daar bedoelt Paulus de wet Gods mee, zoals die in het Oude Testament schriftelijk was vastgelegd, maar ook wel de wet zoals die in de gewetens van alle mensen, ook van de heidenen, gegrift is (Rom. 2:14-16).

Die wet Gods zag Paulus niet als een onpersoonlijke verzameling van allerlei voorschriften, in de zin van een burgerlijk of kerkelijk wetboek, maar in de geest van een ver-Persoonlijkte Rechtsorde, zoals we dat op p. 5 hebben omschreven. „Alzo is dan de wet heilig en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed" (Rom. 7:12).

Belangrijke opmerking: De Bijbelschrijvers beleven allerlei dingen enigszins persoonlijk, die voor ons, mensen van het Westen, abstrakt aandoen. De zonde, de dood en de wet zijn voor ons begrippen, die we min of meer scherp omlijnen kunnen. Maar in de Bijbel zijn het machten, waar iets van uitgaat, die heerschappij kunnen uitoefenen. Zo b.v.: „Weet gij dan niet, broeders… dat de wet heerst over de mens zolang hij leeft" (Rom.7:1).

2. „De vloek der wet" — Paulus ziet de wet Gods als een heilige macht, omdat het de wet van God is. God openbaart Zich in Zijn wet.

Daarom komt ieder die de wet overtreedt, direkt te staan tegenover de macht van de toornende God. Dat is de vloek der wet.

Paulus spreekt ook over een gevangenschap „onder de wet der zonde" (Rom. 7:23) — merk op, hoe hier de zonde als een donkere macht wordt gezien — die hem in de ellende brengt.

Die vloek der wet wordt tijdens ons leven al zichtbaar in de droevige gevolgen van de zonde met haar nasleep van onrust, walging, vervreemding, dodelijke eenzaamheid en verveling, leegheid, schrijnende disharmonie, wanhoop, angsten, innerlijke en uiterlijke spanningen, nervositeit, gefrustreerd zijn, soms zielsziekten, wanorde, ruzie, oorlogen en als uiterste de ontbinding van de dood.

Maar deze ellende van de zonde is niet een gevolg van een dode ijzeren natuurwet. De Bijbel laat zien, hoe in al die narigheid, die straf, die de zonde zelf met zich meebrengt, Gods vloek werkzaam is.

3. „De zegen der wet" — Deze uitdrukking komt in dit gedeelte niet voor, maar de gedachte speelt op de achtergrond mee, want tegenover de vloek staat de zegen. Dat blijkt b.v. uit Deut. 11:26-28, waar Mozes zegt: „Ziet, ik stel u heden voor, zegen en vloek: de zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden des Heeren, uw God, die ik u heden gebied; maar de vloek zo gij niet horen zult naar de geboden des Heeren". En vooral wordt dit uitgebeeld in Deut. 27:11 ; 28:68, door de vervloeking vanuit de berg Ebal voor hen die Gods geboden overtreden, en de zegening vanuit de berg Gerizim voor hen die Gods wet betrachten. De zegen van de onderhouding der wet wordt magistraal uitgezongen in de lange psalm 119.

Opmerkingen over zegen en vloek

De mensen van het Oosten, en zeker van toen, beleef ten zegen en vloek heel anders dan wij Wanneer wij iemand horen razen en schelden, dan trekken we onze schouders daarvoor op. Zulke verwensingen zijn voor ons loze woorden en we zegden: Blaffende honden bijten niet.

Maar in die tijd zag men dat enigszins anders. Zeker, de Bijbel wijst de magische opvatting van de vloek af b.v. in Spr. 26:2: „Gelijk een mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek die zonder oorzaak is, niet komen".

Maar daarnaast beleefde men de zegen en de vloek ook enigszins als met kracht geladen woorden, die in zekere mate een zelfstandig leven konden leiden en daarom moeilijk konden worden teruggetrokken; zoals een torpedo die op een schip werd afgeschoten, niet meer kan worden teruggehaald als men pas na het schot bemerkt dat men niet met een vijandelijk schip, maar met een schip van de eigen natie te doen heeft.

Waar zit dat verschil in? Hoe kan de Bijbel aldus toch nog de magie vermijden? Dat verschil komt daarvandaan dat de Bijbelschrijvers een veel dieper ontzag hadden voor de majesteit, kracht en heerlijkheid Gods. En wanneer zij de heilige Naam van God uitspraken, dan ervoeren zij daarin iets van Zijn aanbiddelijke aanwezigheid. Zij wisten dat het Woord Gods scheppend is, geladen met kracht, en nooit ledig weerkeert. Machtig komt dat tot uitdrukking in Joh. 1:3: „Alle dingen zijn door het Woord gemaakt". In dat Woord Gods is leven, licht en kracht. Die kracht en dat leven en dat licht waaieren als een zegen uit over hen die onder beslag van dat Woord komen. Maar dat Woord Gods stelt zich ook op tegenover de duisternis, die Tohannes tekent als een demonische macht. In dat Woord staat de Waarheid tegenover de leugen. In Jezus is de macht van dat Woord zichtbaar, vlees geworden. Hij bleek Zelf het Woord Gods te zijn.

Als wij geen rekening houden met deze gedachtengang, dan kunnen wij onmogelijk de handelwijze van Izaak begrijpen die tegen Ezau zegt: „Uw broeder is gekomen met bedrog en heeft uw zegen weggenomen" (Gen. 27:35). We zouden verwacht hebben: Nu Jakob zijn oude blinde vader zo bedrogen heeft, zal Izaak hem zeker gaan vervloeken. Maar nee, de zegen wordt niet herroepen.

4. De zegen van Abraham" — Dat is de zegen die Abraham verkreeg niet op grond van zijn wetsvervulling, maar op grond van zijn geloof. De „zegen van Abraham" staat dus tegenover „de zegen der wet". De zegen der wet komt door het „doen": „Die deze dingen doet, zal daardoor leven" (vs. 12); „de zegen van Abraham" komt NIET door het doen, maar door het geloven: „De rechtvaardige zal uit het geloof leven" (vs. 11).

De inhoud van deze twee zegeningen is wel hetzelfde, maar de bron van de zegen is verschillend: bij de ene door het te doen, bij de andere door te geloven. Bij beiden is God Zelf de eigenlijke en laatste bron.

Slechts één levensbron: het geloof

Na deze verklaring van uitdrukkingen kunnen we gemakkelijker de gedachtengang van Paulus volgen. Paulus heeft eerst de Galaten in het nauw gedreven. Die Galaten waren n.1. opnieuw alle zegen gaan verwachten van het „doen", van de vervulling van Gods geboden. Paulus redeneert dan met hen: Nu goed, als jullie de zegen Gods van de wetsvervulling verwacht, weet dan dat je dan ook ALLE voorschriften der wet moet volbrengen. Zie hierover p. 10.

En het is alsof we horen, hoe Paulus hen uitdaagt: Kom dan eens naar voren, Galaten! Wie van jullie durft te beweren dat hij op geen enkele wijze Gods ge- boden heeft overtreden? Wie durft zeggen dat hij nooit gelogen heeft, nooit driftig is geweest, kortom dat hij zijn naaste heeft liefgehad als zichzelf?

Is er iemand die het waagt te beweren dat hij God boven alles en altijd heeft liefgehad? Niemand? Welnu dan liggen jullie allemaal onder de vloek, „want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen".

En in vs. 11 zegt Paulus datzelfde nog eens positief. Hij herinnert de Galaten aan een woord van de profeet Habakuk 2:4, waarop hij zich beroept in Rom. 1:17 en dat eveneens voorkomt in Hebr. 10:38, n.1. dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven. Paulus wil daarmee dus zeggen, dat er voor de rechtvaardige praktisch maar één bron is van waarachtig leven en dat is het geloof. Theoretisch was er nog een andere bron n.1. van het „doen", maar zoals ik al zei, heeft Paulus eerder aangetoond dat die bron voor ons irreëel is, omdat daarvoor vereist is een volmaakt volbrengen van Gods geboden, waartoe niemand van ons in staat is.

De vloek teniet gedaan

Paulus weet echter dat hij dat niet aannemelijk kan maken voor de Galaten, als hij niet eerst antwoord geeft op een vraag waar zij zeker mee zitten. En die vraag is deze: In de Bijbel staat toch duidelijk dat degenen die de wet Gods niet onderhouden, getroffen worden door Gods vloek; Paulus heeft dat zelf ook zo juist nog eens onderstreept. Maar hoe wordt de werking van die vloek dan teniet gedaan? Het kan toch niet zo zijn, dat wij tegelijk onder de heerschappij van zegen en vloek Gods zijn?

En dan komt het triomfantelijke antwoord van Paulus: „Christus heeft ons verlost van de vloek der wet… opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof".

De zegen van Abraham, d.i. de zegen enkel op grond van het geloof, kan ons nu dus niet meer ontroofd worden door de vloek der wet, de vloek die wij verdienen door onze overtredingen van Gods geboden, omdat die vloek gestuit is, en zelfs geheel weggenomen, door Jezus Christus.

Hoe kan dat?

De Galaten zijn nu natuurlijk zeer nieuwsgierig en vragen: Maar HOE kon Christus dat doen? Hoe kon Hij die vloek stuiten in zijn vernietigende werkzaamheid? Ook daarop geeft Paulus een antwoord: „Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt".

Om dat te begrijpen zal het goed zijn ons opnieuw in te leven in de voorstellingswereld van de Bijbelschrijvers ten aanzien van vloek en zegen.

Niet alleen personen konden vervloekt worden, maar ook voorwerpen. Zo zien we dat de Heere in het paradijs de vloek uitsprak over de aarde vanwege de zonde van Adam en Eva en tevens de schadelijke uitwerking van die vloek bepaalde: „Ook zal het (aardrijk) u doornen en distels voortbrengen" (Gen. 3:18). Sindsdien is de aarde geen lustoord meer, maar een dal van tranen. Zij die de gevloekte aarde betreden, komen terecht in een sfeer van dood en verderf, ziekte en pijn, angsten en verdriet.

En zo had de Heere ook de vloek uitgesproken over een misdadiger, die vanwege zijn misdaad aan het hout was gehangen: „want een opgehangene is Gode een vloek" (Deut. 21:23).

Vloek, dwalend in de nacht

Die vervloeking werd gezien als een donkere macht die in de nacht vanuit de gehangene zich kon losmaken en het land verontreinigen: „Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zeker op dezelfde dag begraven, want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen dat u de Heere, uw God, ten erve geeft" (Deut. 21:23).

De Bijbelschrijvers zagen die vloek niet als een magische kracht — denk aan Spr. 26:2. Maar deze bepaling hoorde helemaal thuis in de schaduwendienst van het Oude Testament. Al die ceremoniën en voorschriften wezen heen naar de Grote Werkelijkheid, Jezus Christus.

„De gehangene en vervloekte was een openlijk tentoongesteld voorbeeld van de onverbiddelijke gestrengheid van de w e t " (Kittel, Th. W., I p. 4 5 1 ) . En om dit verder te onderstrepen diende die bepaling dat het lijk van de gehangene vóór het duister moest worden begraven. Wie zich aan Gods wet vergrijpt, wordt daardoor volstrekt onrein en verspreidt onreinheid om zich heen, zoals ook het bederf in vlees of ander voedsel snel om zich heengrijpt. Zo is ook de begeerlijkheid in ons een bron van de zonde en dat geestelijk bederf baart de dood. Zie hierover J a k . 1:15. Dat is het verschrikkelijke van de zonde dat zij op haar beurt weer zonde voortbrengt als een kankergezwel dat steeds verder om zich heen voortvreet. En om de ernst van de zonde als een voortwoekerend bederf en onreinheid uit te beelden, was de bepaling gegeven dat de gehangene vóór het avondduister van het hout moest worden gehaald, opdat het land niet zou worden verontreinigd.

Zo kwam de zegen vrij

Nu zegt Paulus: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden. En hij werd een vloek voor ons, doordat Hij aan het hout werd gehangen.

Het feit dat Christus voor ons aan het hout werd gehangen, heeft twee gevolgen gehad: 1. Daardoor werden wij verlost van de vloek der wet; 2. Daardoor werd de mogelijkheid geschapen dat wij „de zegen van Abraham" zouden ontvangen. En zoals we gezien hebben, betekent die zegen van Abraham de zegen die niet verkregen wordt door te „doen", maar door te geloven.

Het lijkt mij daarom zonneklaar dat hier de plaatsvervanging door Christus geleerd wordt. Heel het betoog van Paulus is daarop gericht. De wet vervloekt ons. Christus is echter Zelf tot vloek voor ons geworden. Zodoende zijn wij verlost van de vloek der wet.

Een grondfout wreekt zich

Dr. Wiersinga meent de kracht van Gal. 3:10-14 in één bladzijde te kunnen wegnemen n.1. op pag. 35-36.

Hij zegt: „Het komt mij dan ook voor dat Paulus het hier niet „waagt" de gekruisigde Jezus een door God vervloekte te noemen."

Dan is mijn antwoord: Dat staat er ook niet. Paulus zegt dat Christus voor ons een vloek geworden is. Wiersinga probeert dat ongedaan te maken door een verwijzing naar Büchsel die in Kittel T.W. zegt dat we hier inplaats van het abstrakte woord „vloek" het konkrete „gevloekte" moeten lezen. Hij geeft daarvoor echter geen enkel argument aan.

Het lijkt mij eerder dat Paulus met opzet schreef, dat Christus voor ons een vloek werd — letterlijk staat er: „voor ons vloek werd", zonder lidwoord —, om uit te laten komen dat Christus niet persoonlijk door de vloek Gods getroffen werd, maar omdat hij de vloek van de schending van de ver-Persoonlijkte Rechtsorde op Zich heeft genomen. Ik meen dat ook hier zich de grondfout wreekt van Wiersinga en van de Nieuwe Katechismus, die het voorstellen alsof we hebben te kiezen tussen de zonde als schending van een rechtsorde of van Iemand n.1. van God. Dan komen we er niet uit. Dan komen we te staan voor een raadsel, hoe God' direkt Zijn eigen Zoon zou kunnen vervloeken. Die moeilijkheid wordt echter opgelost, wanneer we de zonde zien als een schending van een Persoon EN van een rechtsorde beide. Dan komt alles in een ander perspektief te liggen. Juist in het abstrakte woord „vloek" worden deze beide elementen van de zonde beter uitgedrukt dan in het konkrete woord „gevloekte", omdat in dat geval de indruk zou worden gewekt dat de zonde alleen een schending is van God als Persoon.

Redeneer-kettingen

Hoe verklaart Wiersinga verder Gal. 3:10-14? Hij zegt dat Christus aan het kruis hing, niet als een door God, maar door mensen gevloekte. „De autoriteiten, de verdedigers van de ,wet", hebben Hem vervloekt".

Maar, zo zal iedereen dan direkt aan Wiersinga vragen: Wat hebben W I J nu met die vervloeking van de Joodse autoriteiten te maken? WIJ hoeven toch zeker niet bevrijd te worden van de vloek die het Sanhedrin over Jezus heeft uitgesproken? Dan komt Wiersinga met een hele ketting van redeneringen aandragen. Hij zegt: Voor de verzoening met God zijn twee dingen nodig: 1. het liefdesinitiatief van Gods barmhartigheid die de mens vergeven wil zonder genoegdoening te vragen; 2. het berouw van de mens over zijn zonden.

Welnu dat berouw dat van onze kant nodig is, willen wij met God verzoend worden, wordt (alleen of voornamelijk — daarover laat Wiersinga zich niet uit) gewekt door het zien van Christus die door de Joodse autoriteiten vervloekt en aan het kruis gehangen werd.

Worden wij gerechtvaardigd door ons berouw?

Ons antwoord hierop is allereerst, dat dit duidelijk een ingelegde en beslist geforceerde exegese is die in strijd is met het hele betoog van Paulus. Paulus gaat in tegen de misleide Galaten die opnieuw meenden dat de mens zijn zaligheid moet verwachten van het „doen". Volgens Wiersinga loopt zijn betoog dan tenslotte toch nog uit op de noodzaak van een „doen" nl. het berouw. En op p. 30 hebben we aangetoond, hoe het oprechte berouw het vaste voornemen insluit om ook geen zonde meer te doen en heel de wet zo goed mogelijk te verrichten. Langs het berouw komt dus de hele last van de wetsvervulling op de mensen te liggen, en aldus liggen ze toch nog „onder de vloek der wet".

Vervolgens spreekt Paulus helemaal niet over het berouw. Nadrukkelijk zegt hij dat, nu Christus ons verlost heeft van de vloek der wet, de zegen tot ons kan komen langs het geloof, waardoor ons de gerechtigheid wordt toegerekend (vs. 6). Een ander bezwaar is ook dat in het Grieks eigenlijk staat: „Christus heeft ons van de vloek der wet losgekocht". Dat Griekse stamwoord voor kopen komt b.v. ook voor in Matth. 13:44. In Gal. 3:13 is aan dat werkwoord het voorzetsel „ek" (X-uit) aangehecht, zodat de letterlijke vertaling is „uit-kopen" ofwel loskopen. Welnu dit uitkopen kan toch alleen maar verstaan worden als een redden van iemand uit een toestand, waaruit hij zichzelf niet redden kan, zoals b.v. ook voor de slaven een losprijs moest worden betaald voor hun in-vrijheid-stelling. Maar volgens Wiersinga betekent het kruis van Christus niet dat wij daardoor bevrijd worden uit een toestand, waaruit we onszelf niet kónden redden, maar alleen als een aansporing, een opwekking om onszelf te redden door tot berouw te komen over onze zonden. Het zal voor iedereen duidelijk zijn, dacht ik, dat de term „loskopen" totaal niet past in deze gedachtengang van Wiersinga.

Heb kapitaal, als de wet u pakt!

In ons land wordt reklame gemaakt voor het afsluiten van een Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering met de slagzin: „Heb kapitaal, als de wet u pakt". Men bedoelt daarmee: wanneer b.v. door de schuld van een van uw kinderen een ander een ongeluk krijgt, waardoor hij levenslang invalide wordt, dan kunt u krachtens de wet verplicht worden tot betalingen die een ondragelijke last voor u worden. Daarom probeert men u te winnen voor het sluiten van zulk een W.A.- verzekering.

Merkwaardig is dat hierbij de wet wordt voorgesteld als een persoon, als een dreigende macht die naar je grijpt en je financieel ruïneren kan. Met dit voorbeeld voor ogen kunnen we wellicht wat beter begrijpen, hoe ook de Bijbel de wet Gods ziet als een macht.

Paulus zegt ook in vs. 10 dat wij reeds „onder de wet" liggen. De wet heeft ons al te pakken en heeft ons lamgeslagen met haar vloek. En als Paulus het woord „loskopen" gebruikt, dan bedoelt hij dat ook in eenzelfde zin: In Christus hebben wij kapitaal, waarmee wij vrijgekocht zijn van de vloek der wet die wij door onze zonde verdiend hadden. Dat kapitaal wordt ons deel door het geloof in Christus. Natuurlijk is dat alles maar beeldspraak en Pauhis weidt dan ook niet uit over de vraag aan wie de losprijs moet worden betaald. Op die vraag gaat ook Petrus niet in, wanneer hij zegt: „Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandel die u van de vaderen is overgeleverd, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam" (1 Petr. 1:18-19). Maar vooral door de verwijzing van Petrus naar het bloed van het paaslam, dat voor de Joden oorzaak was dat de verderf-engel sparend aan hen voorbijging, blijkt opnieuw dat wij verlost moeten worden van iets buiten ons (de vloek Gods) door iets buiten ons (n.1. het kruisoffer van Christus).

Geen touw aan vast te knopen

Verder: ik neem aan dat ook volgens Wiersinga Paulus in vs. 10 met „de vloek, waaronder zij die het van werken der wet verwachten", de vloek Gods bedoelt, want Paulus verwijst daarbij naar Deut. 27:26 en uit het daarop volgende gedeelte blijkt duidelijk dat het gaat over de vloek die God uitspreekt over de overtreding van Zijn geboden.

Als nu Paulus in vs. 13 zegt: „Christus heeft ons losgekocht van de vloek der wet" en hij daar ineens met „de vloek der wet" de door de Joodse autoriteiten over Christus uitgesproken vloek zou hebben bedoeld, dan zullen die Galaten hem helemaal niet begrepen hebben. Ze zouden geantwoord hebben, maar wij hebben daar toch niets mee te maken; het is toch üw volk, Paulus, dat dat heeft gedaan! En bovendien hebt u, Paulus, daarmee nog geen antwoord gegeven op de vraag, hoe wij dan van de door God uitgesproken vloek, waaronder wij liggen vanwege ónze wetsovertreding, kunnen bevrijd worden.

Nee, het betoog van Paulus wordt één warboel, waar geen touw meer aan vast te knopen is, wanneer wij de exegese van Wiersinga zouden volgen.

De bedoeling van een citaat

Wiersinga meent zijn opvatting te kunnen staven door erop te wijzen dat Paulus in zijn citaat het woord „Gode" weglaat. Er staat n.1. in Deut. 2 1 : 2 3 : „want een opgehangene is Gode een vloek". Dat woord „Gode" laat Paulus weg. Volgens Wiersinga doet hij dat opzettelijk, omdat hij daarmee wilde aangeven dat Jezus niet een door God gevloekte (om onzentwil), maar een door mensen gevloekte is. Maar… wanneer ik een citaat aanhaal en ik wil aan dat citaat een geheel andere wending geven, dan is het niet voldoende dat ik dat doe door een woord weg te laten, maar dan moet ik dat ook uitdrukkelijk vermelden. Zo is het ook in dit geval. Normaal neemt iedereen aan, dat Paulus dat woord „Gode" wegliet, omdat in heel de gedachtengang van de Schrift het hier om een vloek van Godswege ging en vooral ook omdat in vs. 10 het zeer beslist over de vloek Gods gaat. Wanneer Paulus hier bedoeld had in plaats van „door God" gevloekt — „door de mens" gevloekt, dan had hij dat uitdrukkelijk moeten vermelden.

Bovendien, wat voor zin heeft het citaat dan nog? Je gaat toch niet iets citeren wat precies het tegenovergestelde uitdrukt van wat je zelf wilt beweren.

„Voor ons tot zonde gemaakt"

De onjuistheid van de exegese van Wiersinga zou ook nog kunnen worden aangetoond door belichting vanuit andere teksten van de Bijbel, vooral ook van Paulus zelf.

Zo b.v.. schrijft hij: „Want Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5:21). Deze tekst loopt geheel parallel met Gal. 3:13. Daar wordt gesproken over de vloek, het gevolg van de zonde. Christus is tot vloek geworden. Daar wordt eveneens gezegd: „voor ons" en het doel van die plaatsvervanging aangegeven: „opdat" wij gerechtvaardigd zouden worden. In 2 Kor. 5:21 wordt uitdrukkelijk gezegd dat God Jezus tot zonde heeft gemaakt. Het ligt dus geheel in de lijn van Paulus' denken dat Christus dan ook door God tot vloek — het gevolg van de zonde — gemaakt is voor ons, en niet door de Joodse autoriteiten, zoals Wiersinga beweert.

Maar genoeg. Uit dit alles is, dacht ik, wel duidelijk dat Wiersinga koste wat het kost zijn „alternatieve verzoeningsleer" ingang wil doen vinden, ook al staan daar nóg zoveel klare Bijbelteksten tegenover. Dat is het bedroevende in heel deze affaire.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's

DE VERVLOEKTE N ONZE PLAATS

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's