In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE DIEPTE VAN ONZE SCHULD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DIEPTE VAN ONZE SCHULD

11 minuten leestijd

In de diskussie over de wijze, waarop wij met God verzoend worden, heeft de Bijbel het laatste woord. Maar veel hangt daarbij af van de vraag, hoe wij de Bijbel benaderen. Naar mijn overtuiging heeft Wiersinga nooit de diepte en breedte van onze schuld gezien en is daarom zo gemakkelijk tot zijn „alternatieve verzoeningsleer" gekomen. Daarom is het nodig dat we eerst nadenken over de zwaarte en de omvang van onze schuld. Dikwijls benaderen wij ook de Bijbel met een vooropgezet schema, waardoor de volle rijkdom van de Bijbel voor ons gesloten blijft. Zo menen Wiersinga en de Nieuwe Katechismus dat de zonde een schending is ófwel van een rechtsorde ófwel van een Persoon. Er is echter nog een derde mogelijkheid dat de zonde zowel een schending is van een rechtsorde als van een Persoon. Ik meen dat dit de sleutel is tot de bijbelse verzoeningsleer en dat dan allerlei moeilijkheden worden opgelost. In dit artikel wil ik proberen die visie nader te ontvouwen, maar ze speelt voortdurend een rol op de achtergrond van deze diskussie.

Een woedende God?

Een ernstige vergissing begaat W. door het voor te stellen alsof wij moeten kie- zen tussen de zonde als aantasting van een rechtsorde of als belediging van een Persoon n.l. God.

Op deze manier is het gemakkelijk om de verzoeningsleer van onze belijdenis- geschriften belachelijk te maken. Zo doet ook de Nieuwe Katechismus het, wan- neer die zegt dat we niet moeten „menen dat de Vader wilde dat er bloed moest vloeien". Ik dénk er niet aan om vanaf de kansel zulk een beeld van God te tekenen. Want zo wordt G o d voorgesteld als een reus uit de kinderverhalen, een boeman die persoonlijk gebelgd is en die het ons betaald wil zetten. Iemand die ons achterna zit: „Wacht maar, Ik krijg je wel te pakken"; Iemand voor Wiens overmacht je in elkaar kruipt, zoals je vroeger in machteloze woede een aframme- ling van een sterkere schooljongen moest ondergaan.

Dat is een karikatuur van de toornende God, waarover de Bijbel spreekt. We lezen dan ook nooit, dat G o d of dat Christus „woedend" of „razend" is. Als iemand woedend is, dan komt dat omdat hij zich alleen maar persoonlijk gekrenkt voelt. Maar het toornen Gods ontstaat vanuit de schending van Zijn ver-Persoon- lijkte Rechtsorde. Wat ik daar mee bedoel, hoop ik verderop duidelijk te maken.

Gods wet is heel anders dan een politieverordening

De andere vertekening bestaat daarin dat wij de zonde enkel voorstellen als aantasting van de rechtsorde, als een overtreding van een verordening van de Grote Politie, God.

Deze vertekening lezen we ook duidelijk in De Nieuwe Katechismus die onze ver- zoeningsleer aldus voorstelt: „De Vader was beledigd, de rechtsorde verstoord, er moest een straf volgen, deze straf kwam op de Zoon terecht".

Nu gaat deze opvatting uit van een wat eenzijdig besef dat niet geheel meer het onze is. Het is het middeleeuwse idee dat de misdaad of zonde een rechtsorde vernielde. Straf en pijn konden deze in orde maken. Ook wij voelen nog vaak zo. Iemand die iets kwaads gedaan heeft, zegt: „sla me maar! Ik verdien het" Het is waar, in sommige orthodoxe kringen wordt ook wel eens zulk een vertekening gegeven, hetzij om het Evangelie zo begrijpelijk mogelijk voor te stellen (zie pag. 2 5 ) , hetzij omdat men zelf nooit de diepte van de schuld voor God heeft ervaren. Maar dat geeft W . en de Nieuwe Katechismus nog niet het recht om te sugge- reren, dat deze zakelijke opvatting van de zonde als aantasting van een rechtorde ook de opvatting van de orthodoxe christenen zou zijn.

De N.K. zegt: „Niet een rechtsorde, maar iemand is geschonden en beledigd". Mijn antwoord daarop luidt: beiden!, maar dan niet als twee afzonderlijke fak- toren, maar als één geheel gezien. En om dat weer te geven zou ik willen spreken over een ver-Persoonlij kte Rechtsorde. J e zou nóg beter kunnen spreken over een Rechtsordelijke Persoon die geschonden en beledigd is, maar dat is helemaal geen Nederlands. (Sommigen zullen waarschijnlijk ook de uitdrukking ver-Persoon- lijkte Rechtsorde als on-Nederlands van de hand wijzen, maar ik kan nu eenmaal geen betere term vinden). Maar wat bedoel ik daar nu mee? Dat wil ik hieronder proberen duidelijk te maken.

Ik lieb mijn vader vermoord

Neem eens de ergste zonde die op het horizontale vlak denkbaar is: een zoon heeft zijn vader of moeder vermoord.

Wanneer zulk een misdadiger gaat inzien dat hij het leven heeft ontnomen aan hem of haar die hem het leven gaf, dan komt dat misdrijf als een ontzetting op hem af. Dan is hij daar innerlijk kapot van. Dan kreunt heel zijn ziel om wat hij gedaan heeft. Dan walgt hij van zichzelf. Dan ziet hij altijd weer dat bloed van zijn vader of moeder kleven aan zijn handen, dat bloed dat hij nooit weg kan wis- sen van zijn schuldige ziel. Dan gaat hij ook geen uitvluchten zoeken. Hij weet dat hij de zwaarste straf verdiend heeft en dat ook de doodstraf zijn vergrijp niet kan goedmaken. Hij weet dat hij zich vergrepen heeft aan de rechtsorde. En die rechtsorde is niet een abstrakt iets, in de zin van een politieverordening. Dan zou hij daar innerlijk nooit door gebroken kunnen worden.

Die rechtsorde is persoonlijk. Ze is direkt belichaamd in de mensengemeenschap, maar wordt tot heilige Rechtsorde, doordat ze uitstraling is van de heilige God, die in Zijn geboden aanwezig is.

Toen sloeg Kaïn Abel dood

Op dat moment ervaart hij alle mensen als zijn rechters die hem uit moeten ban- nen. Hij weet het, er is geen plek meer op deze grote aarde die hem nog dragen kan en wil. De aarde wil hem alleen maar uitspuwen. Alles en iedereen moet hem vervloeken. En die vervloeking gebeurt niet als een reaktie van de groep, van de maatschappij, van het mensdom dat zichzelf beschermen wil tegen de misdadigers. Zolang hij het zó ziet, kan hij nooit tot waarachtig berouw en zelfaanklacht komen. Dan heeft hij er alleen maar spijt over, omdat hij zo stom is geweest en zijn leven heeft verknoeid. Dan zegt hij alleen maar tegen zichzelf: Ik had mij beter moeten beheersen! Nu moet ik heel mijn leven de gevangenis in of krijg de doodstraf.

Nee, die vervloeking wordt over hem uitgesproken vanuit de heilige Rechtsorde zelf, die ten diepste en eigenlijk de ver-Persoonlijking van God is in Zijn Heilig- heid, maar die een secundaire verpersoonlijking ontvangt via het mensdom.

Op aangrijpende wijze wordt dat beschreven in de eerste broedermoord. De Heere zeide tot Kaïn: „Wat hebt gij gedaan?! Daar is een stem des bloeds van uw broe- der dat tot Mij roept van de aardbodem" (Gen. 4 : 1 0 ) . De met bloed doordrenkte aarde zal overal de moordenaar vervloeken, hem proberen uit te braken. Daarom sprak de Heere ook nog tot Kaïn: „En nu zijt gij vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om het bloed van uw broeder van uw hand te ont- vangen. Gij zult zwervende en dolende zijn op de aarde".

Kaïn vluchtte weg van zijn schuld. Hij kon en hij wilde ze niet voor God belijden. Kaïn zegt wel: „Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde", maar dat is voor hem alleen maar een zwaar on-orthodoxe belijdenis, meer niet. Zo zijn er wel meer mensen die met hun hoofd belijden dat ze zwaar-verdoemlijk zijn voor God, maar die altijd weghollen van hun schuld en zulk een zware belijdenis ge- bruiken om rustig voort te gaan met hun zondige leven.

De mens die tot waarachtig schuldbesef voor God is gekomen, stelt ook niet al- lereerst de vraag om de vergeving. Hij heeft in eerste instantie alleen maar behoefte om zichzelf aan te klagen. Hij bevestigt daarin de heilige Rechtsorde die hij geschonden heeft. Vanuit die donkere bloedsplek in zijn leven ziet hij juist des te scherper het lichten van Gods geboden, maar niet als een schrikwekkend iets — vrees voor straf is heel iets anders dan berouw — maar als een zoete, strenge en heilige werkelijkheid. Hij schreit daarom met een gebroken hart zijn schuld uit in een steeds weer herhaalde zelfaanklacht, in walging over zichzelf dat hij dit verschrikkelijke heeft kunnen doen. Gelaten wacht hij zijn straf af. Hij wil die straf. Hij weet dat hij niet meer waard is om te leven en dat hij uitgebannen moet worden. Hij wil cok uitgebannen worden want de schuld brandt als een on- dragelijke spanning in zijn binnenste.

Zeker, zijn ziel schreeuwt ook om de vergeving, maar niet als kwijtschelding van de straf, maar in een smeking om een onverdiende verzoening. Zo zuchtte ook David in psalm 51, „toen de profeet Nathan tot hem gekomen was, nadat hij tot Bathséba was ingegaan". „Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg". „Verlos mij van bloedschulden, o God". „De offeranden Gods zijn een gebroken geest".

De ver-Persoonlijkte Rechtsorde

Vergrijp aan de rechtsorde wordt in elk berouw beleefd als vergrijp aan het Mens- dom, als vergrijp aan een persoonlijke Rechtsorde.

Maar het schuldbesef dat voortvloeit uit het door de Heilige Geest gewekte ge- loof, beleeft de zonde veel dieper n.l. als vergrijp aan de ver-Persoonlijkte Rechts- orde, aan God Zelf die Zijn heiligheid uitstraalt in Zijn geboden, in Zijn Rechts- orde. Zo kunnen we ook beter psalm 82 verstaan, waar Asaf tot de rechters spreekt: „God staat in de vergadering des Godes; Hij oordeelt in het midden der goden". „Ik heb wel gezegd: gij zijt goden en gij zijt kinderen des Allerhoogsten.Nochtans zult gij sterven als een mens".

Ook de rechters verpersoonlijken de heilige Rechtsorde en in deze zin worden zij goden genoemd. Maar slechts de Heere is de ver-Persoonlijkte Rechtsorde en daarom worden de rechters gewezen op hun vergankelijkheid als elk ander mens. Maar de uitermate belangrijke positie van de rechters wordt opnieuw onder- streept, wanneer Asaf zegt dat de fundamenten der aarde wankelen, wanneer zij niet meer vonnissen overeenkomstig de heilige Rechtsorde (v. 5) en persoonlijk voordeel uit hun rechtspraak willen halen.

Een open wonde in de eeuwigheid

God is niet van Zijn rechtsorde te scheiden. Wij bereiken God slechts door Zijn Woord, dat is: door Zijn geboden en door het Evangelie. Hij straalt gerechtig- heid uit, zoals de zon het licht.

En ook de rechtsorde is niet te scheiden van God. Ze verbleekt anders tot een dor wetsboek, waar juristen op studeren op zoek naar mazen in de wet, naar termen op grond waarvan ze vrijspraak kunnen krijgen voor hun cliënten.

Dat is ook de reden, waarom wij mensen wél vergeven kunnen zonder genoeg- doening te eisen, want wij zijn nier identiek met een of andere rechtsorde. Maar Gods is niet te scheiden van Zijn heilige Rechtsorde. Hij woont erin, Hij heiligt ze door Zijn aanwezigheid. Daarom moet aan Gods gerechtigheid voldaan worden. Dat God genoegdoening moet eisen, is dan ook niet een onvolmaaktheid van God, maar Zijn grootheid. De Heere bezielt met Zijn heilige tegenwoordigheid heel de rechtsorde. Daarom is elk vergrijp tegen die rechtsorde tegelijk een vergrijp aan Hemzelf.

Wanneer aan die eis van de ver-Persoonlijkte Rechtsorde niet zou worden voldaan, dan zou gedurende heel de eeuwigheid die geschonden Rechtsorde als een open wonde blijven bloeden, zou als een duistere afgrond het licht blijven uitdagen. Maar — Gods Naam zij geprezen! — de wonden van Christus hebben die schen- ding voor altijd teniet gedaan en zo ligt daar de heilige Rechtsorde weer te glan- zen in volmaakte harmonie en schoonheid voor Gods ogen en weerspiegelt Gods eigen heerlijkheid.

En dat is de vrede van de zaligen: hun zonden zijn volkomen teniet gedaan door de vereffening van Christus. De duisternis van hun schuld staat niet meer drei- gend tegenover hen. Er is volle verzoening door het bloed van Gods Zoon.


De Heidelbergse Katechismus is een leerboek

Wie dat vergeet, kan terecht bezwaren maken tegen de schoolse opbouw van de zondagen 2-6. Men krijgt dan de indruk alsof de katechismus de noodzaak van de Middelaar Jezus Christus, „bewijzen" wil.

Maar wie het geheel en de overige stijl in het oog houdt, weet dat dit niet de bedoeling is. De H.K. is allerminst een filosofieboek. Elke poging tot filosoferen wordt ongedaan gemaakt door de diep-persoonlijke toon.

De vragen en antwoorden zijn helemaal in de „ik-mijn"-stijl. Maar de H.K. wil die heilswaarheden ontvouwen. Die nood- zaak van de ene en volkomen Middelaar wordt aan de hand van allerlei teksten uit de Bijbel voor ons opengelegd.

Het is de taak van de predikant om die antwoorden tot een levend geheel te maken. Dat is toch immers ook de bedoe- ling van een handboek. Toen ik filosofie doceerde, waardeer- den mijn studenten het dat ik mij steeds van het handboek probeerde los te maken om in het volle, intense leven te duiken. Maar bij de examens moesten ze het handboek als uitgangspunt nemen. Daar hadden ze houvast aan.

Zo is ook de H.K. bedoeld als een handleiding om de Bijbel dieper te verstaan. Maar meer dan een handleiding mag het niet zijn. Steeds weer moeten wij duiken in het enige levende Woord, in ons laatste en eigenlijke houvast, DE BIJBEL.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's

DE DIEPTE VAN ONZE SCHULD

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

In de Rechte Straat | 40 Pagina's