O GOD, IK DANK U
…dat ik zo orthodox ben!
(Luk. 18:11)
Er is geen zonde, waarvan de Here een groter afkeer heeft dan de hoogmoed. Zeker, ook allerlei vormen van ontucht zijn voor de heilige God een gruwel. Maar Jezus ging om met tollenaars en hoeren en Hij zei dat die de anderen zouden voorgaan in het Koninkrijk Gods. Maar met de farizeeën leefde Hij in voortdurend konflikt. Hij probeerde hen telkens te ontmaskeren aan hun zelfvoldaanheid en daagde hen tegenover de overspelige vrouw uit: Wie uwer zonder zonde is, werpe de eerste steen op haar.
De straf op de hoogmoed is dan ook vreselijk. De ellende waaronder het mensdom zucht, is nog altijd een straf voor de hoogmoed van onze stamouders die aan God gelijk wilden worden.
De hoogmoed zit er bij ons zo diep in. J e kunt ze nooit helemaal uitroeien. Ze komt telkens weer naar boven, langs geraffineerde wegen. Ze kan zich kleden in de liturgische gewaden van de vroomheid. Onder het mom van verheerlijking van God Zelf laten de geestelijken zich bewieroken. Ze zeggen dan: Wij vertegenwoordigen Christus en daarom geldt de eer die men ons toebrengt, Hem. Maar intussen snuift men toch maar zelf die wierook op en schrijdt statig temidden van de eerbiedig buigende menigte.
Die hoogmoed kan gluren door de plunje van iemand die zich niet aan de conventie wil storen en stinken door zijn vervuild uiterlijk heen. Immers al wat zo iemand wil, is opvallen, anders zijn dan de anderen. Zo verheerlijkt hij zichzelf als de Gans Andere!
Weerzinwekkende vloerlikkerij
Die hoogmoed kan opwalmen vanuit het onderbewustzijn, terwijl de mens zichzelf vernedert.
Ik heb dat ondervonden in het klooster. Wij moesten daar allerlei vernederingen ondergaan. Het ergste heb ik altijd gevonden, als ik een gedeelte van de eetzaal moest schoonlikken met mijn tong. Ik voelde me dan verlaagd tot de staat van een redeloos dier.
En toch kwam ook bij die handeling de hoogmoed om de hoek kijken. Terwijl ik mij tot die weerzinwekkende en onhygiënische vloerlikkerij dwong, was er een stem in mij als een slang die in mij omhoogkronkelde: „Jij bent toch een geweldige kerel! Jullie kloosterlingen steken toch ver uit boven de massa daarbuiten. Jullie zijn mensen met een enorme wilskracht. Wie doet je dat na? De andere mensen stuiven meteen op bij de geringste minachting die ze ondervinden. Maar jij zet je daartoe met je ijzeren wilskracht. Niet te geloven! Uniek!".
Als ik dat bemerkte, dan kon ik van mezelf volstrekt walgen. Dan zag ik hoe radikaal het bederf in mij was. Dan kon ik wanhopig worden over mezelf, ik die me lag te bewieroken, terwijl ik mij verlaagde tot de staat van een beest.
Ik zag andere priesters die met hun tong de Hebreeuwse naam van God JAHWEH tekenden en er prat op gingen dat ze dat zo mooi konden. Ik voelde zo hevig onze kollektieve verzonkenheid in en gebondenheid aan de zonde.
Toen ik dan later ook het echte Evangelie ontdekte, was dat voor mij een totale bevrijding. Toen begreep ik dat langs de weg van de wilskracht de mens nooit los komt van zichzelf, maar dat er een andere manier is, waardoor wij gereinigd moeten worden nl. door het geloof in het verzoenende en reinigende bloed van Christus.
Nog altijd: „Wij gereformeerden!"?
Die zelfvoldaanheid — naast waarachtige persoonlijke verootmoediging — heb ik ook aangetroffen bij de gereformeerde kerken, waarvan ik later lid werd.
Wat konden „wij, gereformeerden!" ons voelen! Wij waren orthodox. Bij óns geen vrijzinnigheid! En we zagen toch eigenlijk wat minachtend neer op die hervormden, die geremd werden door allerlei modaliteiten en richtingen. Het was voor ons als een rijk dat in zichzelf verdeeld was.
Maar wij! Wij betekenden een geestelijke — en soms ook een financiële — macht temidden van ons volk.
Ja, wij dankten wel de Here dat we zo orthodox waren. Zo vroom waren we wel. Maar de zelfvoldaanheid gluurde door die gebeden heen, vooral omdat daar — meestal onuitgesproken — de gedachte achter lag: O God, wij danken U dat wij niet zijn zoals die hervormden met hun vermaledijde vrijzinnigheid! En nu… nu zitten we midden in dezelfde problemen. Nu zijn we ook een modaliteitenkerk geworden.
En hebben we nu geleerd om wat ootmoediger te worden? Misschien een klein beetje. Maar toch beluister ik in de opsomming door de synode van Sneek van het rijtje waarheden, waarin we het nog met elkaar eens zijn, nog veel van dat oude triomfalisme: We zijn toch nog steeds wat beter dan de hervormden.
Ook dat is echter al weer doorbroken, nu dr. H. Wiersinge afrekent met de leer van het plaatsbekledende verzoenende lijden en sterven van Christus. Terecht zei ds. Velema voor de E.O., dat de gereformeerden nu wel hun belijdenisgeschriften in een museum kunnen opbergen, als ze dat toelaten.
Maar bovendien is er in onze kerken veel meer gaande dan de kwestie over het Schriftgezag en over de historiciteit van Adam en van de zondeval. Zie ons artikel op pag. 23.
Zoek eerst de zonde bij uzelf
Ik meen dat de kerken en hun leden eerst moeten onderzoeken wat er bij henzelf fout is. Dat is ook de reden, waarom ik in dit artikel allereerst meende te moeten spreken over de gereformeerde kerken, waartoe ik zelf behoor. Helaas gebeurt vaak het omgekeerde. Velen zijn altijd maar bezig met het verkeerde in de andere kerken.
Er zijn christenen die zozeer zwelgen in eigen gelijk en in het gelijk van hun kerk of kring, dat zij aan een waarachtig luisteren naar de ander en zelfs naar de Bijbel nooit toekomen. Ze lezen de Bijbel alleen om er een bevestiging van hun eigen gelijk in te vinden. Ze luisteren naar de ander alleen maar om te zoeken naar zijn zwakke plek, waar ze hem kunnen aanvallen. Dat er een wereld in nood is die Christus nodig heeft, interesseert hen niet of nauwelijks. Het gaat hen niet om de meerdere eer van Christus, maar om de meerdere eer van hun kerk of groep, want met een ijskoude redenering hebben ze vastgesteld dat de eer van hun kerk of kring samenvalt met de eer van Christus. Christus heeft immers hen alleen uitverkoren om wettig met Hem het Heilig Avondmaal te vieren. Wie dus hen eert, eert daarmee automatisch Christus die hen verkoren heeft tot Zijn ene ware Gemeente in een bepaalde plaats.
Ootmoedige dankbaarheid over eigen trouw
Ik kan zo moeilijk begrijpen hoe dit te rijmen valt met de houding van een in schuldbesef verbroken zondaar die weet dat hij louter uit genade door Christus verlost werd van de eeuwige dood. Ik ben geneigd te denken dat dit Evangelie voor hen alleen maar een leerstuk is, maar niet diep doorleefde werkelijkheid. Als ikzelf in de vreugde leef over zulk een volkomen onverdiende gratie van mijn eeuwige doodstraf, hoe kan ik dan een mede-kind Gods die in eenzelfde eindeloos mededogen door God werd aangenomen, zo koud van de gemeenschap van de Tafel van het Verbond in het bloed van Gods Zoon wegstoten? Kan Christus die al Gods kinderen uitnodigt aan de eeuwige bruiloftsmaaltijd, toestaan dat christenen — die zich dus naar Zijn naam laten noemen —, zo de door Hem verlosten die Hij gekocht heeft met Zijn kostbaar bloed, uitsluiten van de toegang tot het Avondmaal, waarin de Gemeente de gedachtenis viert van Zijn verzoenend sterven? Ik kan het psychologisch niet verklaren dat iemand die zelf de oneindige mildheid van Gods erbarmen over zijn zondig leven heeft ondervonden, ook niet mild, maar juist hard en koud is tegenover anderen die slechts met hem verschillen in enkele leerpunten, maar overigens ook van ganser harte belijden dat wij verlost zijn door genade, door geloof en door Christus alleen en dat de Schrift alleen onze norm is voor denken en doen. Ik kan dat alleen verklaren vanuit een wedergeboorte die men veronderstelt of waartoe men langs de weg van redenering konkludeert, maar die men niet zelf vreugdevol in zijn leven heeft ervaren.
Roem in Gods trouw en wees mild
Moeten wij dan niet strijden voor het behoud van de zuivere leer?
Wie ons blad geregeld heeft gelezen, weet dat wij doorlopend bezig zijn met die strijd voor de zuivere leer. En Judas roept ons ook op om tot het uiterste te strijden voor de leer die eenmaal de heiligen is overgeleverd (Judas 2).
Maar die strijd moet steeds gebeuren vanuit de verwondering dat wij trouw zijn bevonden door de Here, en vanuit het ootmoedige besef dat wij allang in de vreselijkste dwalingen zouden zijn vervallen, als de Here ons niet had vastgehouden.
Wanneer wij vanuit die ootmoed strijden, zullen we tegelijk mild zijn voor de ander. Dan zullen we barmhartig zijn, niet vanuit een hautain neerzien op de ander, maar vanuit het besef van onze eigen zwakheid en van de onverdiende genade Gods over ons leven; tevens wetende dat wij niet te strijden hebben tegen bloed en vlees, maar tegen de boze machten in de luchten rondom ons (Ef. 6:10-20).
Niet wanneer wij de ander tegemoet treden met een triomfalistisch: „Lang leven de orthodoxen!", maar slechts wanneer zij in ons spreken die ootmoedige dankbaarheid over de bewarende barmhartigheid Gods vernemen, zal hij bereid zijn om na te gaan of ons getuigenis misschien toch in overeenstemming is met Gods Woord.
H.J.H.
P.S.
Na het ter perse gaan van dit artikel las ik in Opbouw van 5 maart een artikel van prof. C. Veenhof, waarin hij enkele opmerkingen maakt over het proefschrift van dr. H. Wiersinga over de verzoening. Hij doet dat met een zekere schroom. Hij schrijft:
Wij, vrijgemaakten!
Zoals onze lezers wel zullen hebben gemerkt, heeft Opbouw zich weinig bezig gehouden met de moeiten, waarmee men in de (synodaal) gereformeerde kerken momenteel te worstelen heeft. Wij, „vrijgemaakten", hebben door onze scholastiek, onze extreme kerktheorieën met de daaruit voortvloeiende hoogmoed, onverdraagzaamheid en sectarische isolatiezucht zoveel kwaad berokkend aan de zaak des Heren in ons land, dat ons grote bescheidenheid en terughoudendheid past in onze kritiek".
Ja, zó zijn we op de goede weg. Een opwekking door Gods Geest kan alleen maar komen door persoonlijk en gezamenlijk schuldbelijden, dat overigens ook weer gewekt moet worden door de Heilige Geest.
Met ontroering lees ik altijd het prachtige gebed in Daniël 9, waarin de profeet zich verootmoedigt voor God in de belijdenis van de zonden van zijn volk, waarbij hij zichzelf insluit. „O Here, Gij grote en verschrikkelijke God … wij hebben gezondigd. — O Here, naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en grimmigheid afgekeerd worden van Uw heilige stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen die rondom ons zijn" (Dan. 9:4, 5, 16).
Zo zullen ook wij moeten belijden: Om onzer zonden wil en om die van onze vaderen is de Gemeente van Christus tot een bespotting geworden in Nederland. Vanwege onze bittere theologische twisten maken wij, kinderen Gods, het Evangelie ongeloofwaardig voor hen die ronddwalen in de duisternis en stoten wij het laatste sprankeitje hoop weg uit hun harten. De wereld kan het begrijpen, wanneer wij pal staan voor het Evangelie, maar wanneer mensen die hetzelfde Evangelie belijden van de verlossing door genade, door geloof en door Christus alleen, hoogmoedig en hardvochtig elkaar van het Heilig Avondmaal weren, dan kunnen zij terecht onze verkondiging alleen maar onwaarschijnlijk vinden.
Laten we toch ophouden met het vooraan gaan staan in de tempel en het danken van de Here omdat onze kerken zoveel beter zijn dan de andere. Laten wij ook als kerken ootmoedig het hoofd buigen en zeggen: O God, wees ons, zondige kerken, genadig! „Ik zeg u: Deze ging heen gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden" (Luk. 18:14).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
