Ons WACHTEN wordt beloond
Zij is 16. Hij 19. Haar ouders hebben gezegd: geen verkering, voordat zij 18 is. Hij moet daar wel in berusten, of hij het eens is met dat besluit of niet. In die twee jaar heeft hij slechts vanuit de verte kontakt met haar. Ogen kunnen echter zijn als sterren die over eindeloze afstanden hun lichten uitzenden. En de morgen van haar achttiende verjaardag breekt aan. Hij wist het: zijn wachten werd beloond. Zij is nog steeds van hem, van hem alleen. En vanuit die verre afstand is hun wederzijdse liefde gegroeid tot innigheid, tot verering.
Natuurlijk heeft hij met dat wachten haar jawoord niet „verdiend". Hij kon geen enkel recht op haar doen gelden. Zij had hem niets beloofd. Hoe zou ze zichzelf ook op zo jeugdige leeftijd kunnen binden met een belofte? Hij zou dat ook niet van haar hebben mogen vragen.
De Here is van ons heen gegaan, maar Hij heeft ons beloofd: „Ik kom terug". „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen … Ik ga heen om u plaats te bereiden. En wanneer … Ik u plaats bereid zal hebben, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben" (Joh. 14:2-3).
En nu worden wij opgeroepen om Hem te blijven verwachten :„Bewaart uzelf in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onze Here Jezus Christus ten eeuwigen leven" (Judas 21).
Als wij nu gelovig naar de Here blijven uitzien, hebben we dan straks Zijn wederkomst verdiend? Kunnen we daar dan enig recht op laten gelden? Natuurlijk niet. En toch kunnen we ook dan zeggen dat ons wachten beloond werd. In deze zin spreekt ook de Bijbel vaak over loon: „En zie, Ik kom haastig; en Mijn loon is met Mij om een ieder te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn" (Openb. 22:12).
Hoe komt het dan dat wij zeker mogen zijn van de wederkomst des Heren voor ons ten eeuwigen leven? Omdat Hij dat beloofd heeft voor degenen die Hem gelovig verwachten. Nogmaals ons wachten op de Here schept geen recht op het vertoeven in de eeuwige heerlijkheid met Hem. Wij verdienen het eeuwige leven nooit. „Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont" (2 Petr. 3:13). En het merkwaardige is, dat Petrus er onmiddellijk op laat volgen: „Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede" (vs. 14). Wij moeten dus trachten Gods geboden te volbrengen vanuit de dankbaarheid voor de belofte van Zijn wederkomst.
Het moet echter een gelovig verwachten zijn, een verwachten met het hart. De dwaze maagden (Matth. 25:1-11) hadden ook op de bruidegom gewacht, maar alleen vanwege het plezier dat ze van de bruiloft verwachtten. Om het bruidspaar zelf gaven ze niets. Daarom hadden ze niet voldoende voorzorgen genomen, zodat de olie op was, toen de bruidegom kwam en zij de feestvreugde niet mee konden verhogen door met brandende lampen in de stoet te lopen. Toen ze dan ook later aanklopten, zei de bruidegom: „Ik ken u niet".
Zalig hij die later horen mag: Kom binnen in de vreugde Mijns Heren, want Ik heb u gekend en gij Mij. Gij hebt voortdurend een verborgen omgang met Mij gehad. Gij hebt Mij altijd gelovig verwacht. Kom nu binnen en wees eeuwig blij in onze liefde!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
