In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE BETROUWBAARHEID VAN DE BIJBEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BETROUWBAARHEID VAN DE BIJBEL

6 minuten leestijd

In „Schrift" van dec. 1970 schreef drs. Tj. Baarda het volgende:

„Dat ze (= de formuleringen van Gods wil) niet eeuwig zijn, heeft misschien ook 'Mattheiis' duidelijk gemaakt, toen hij, naar men algemeen en niet zonder reden aanneemt, de radikale formuleringen van Jezus ten aanzien van de scheid-brief voor zijn leerlingen afzwakte door de toevoeging 'om andere reden dan ontucht'".

Ofschoon deze uitspraken duidelijk lijken, willen we ook deze keer de methode van ons blad volgen en eerst degene met wie we van mening verschillen, om opheldering vragen, zodat misverstanden kunnen worden voorkomen. Daarom stelden wij aan drs. Baarda deze vragen:

1. Kunnen de formuleringen van Gods wil, wat de inhoud betreft, in latere tijd gewijzigd worden? Immers wanneer de woorden „om andere reden dan ontucht" een latere toevoeging zijn, dan wordt daardoor ook aan de inhoud van Gods wil veranderd. Een toevoeging van iets dat wezenlijk is, is niet een andere manier om hetzelfde te zeggen, maar het is wezenlijk iets anders zeggen.

2. Wanneer de redakteur van het eerste Evangelie zoals dat door de eeuwen heen tot ons is gekomen, door wezenlijke toevoegingen de woorden van de Here Zelf heeft „afgezwakt", welke betrouwbaarheid heeft dit Evangelie (en de rest van de Bijbel) dan nog voor ons? In Openb. 22:18-19 worden zij die iets afnemen of iets „toevoegen aan de woorden der profetie van dit boek", bedreigd met de plagen die in dat boek beschreven staan. Maar dat zijn immers loze woorden, wanneer de redakteurs van de Bijbelboeken zelf al begonnen zijn met wezenlijke toevoegingen, waardoor de woorden van de Here, de eeuwige Zoon van God, afgezwakt tot ons komen?

In dat zelfde artikel (dat handelt over de Bergrede), schreef drs. Baarda eveneens over de dood van Christus:

„Toen Hij als uiterste konsekwentie van Gods wil achter de Mozaïsche instelling van het vergeldingsrecht 'oog om oog, tand om tand' (die het leven wilde beschermen) poneerde dat men de boze niet moest weerstaan, maar ook de linkerwang hem moest toekeren, is Hij er ook niet voor teruggedeinsd om ook tot het uiterste de daad te stellen. Zo werd Hij wat Israël had moeten zijn, de lijdende Rechtvaardige die het lot van de knecht des Heren vrijwillig aanvaardde".

Onze vraag aan drs. Baarda luidde: Waarom spreekt u hier niet duidelijk van de dood van Christus als verzoening voor onze zonden? Immers dat is de essentiële karaktertrek van Zijn sterven. En als in Hand. 8:26-40 gesproken wordt over de kamerling van Morenland, dan wordt het toch duidelijk, dacht ik, dat in dat Schriftgedeelte van Jesaja 53 Christus als Knecht des Heren wordt bedoeld. Hoe kunnen we dan zeggen dat Christus in Zijn sterven „werd wat Israël had moeten zijn"? Dat klemt des te meer, omdat de Nieuwe Katechismus op grond van ongeveer dezelfde beschrijving van de betekenis van Jezus' sterven Diens plaatsbekledende verzoening voor onze zonden loochent. „De Vader wilde geen pijn en dood, maar een mooi, goed mensenleven. Dat het op zo'n dood uitliep, lag aan ons. Jezus is toen niet teruggeschrokken. Zijn dood werd zijn uiterste gehoorzaamheid" (N.K. p. 330). „Al deze uitdrukkingen (van het Nieuwe Testament. H.J.H.) tekenen ons Jezus' gehoorzaamheid, dienstbaarheid tot de dood. Zij betekenen dus niet dat de Vader Jezus' pijn nodig had als plaatsvervangende straf" (N.K. p. 331).

Wij ontvingen van drs. Baarda onderstaand antwoord:

Helaas kan ik niet ingaan op uw suggestie om te antwoorden.

Allereerst heb ik er geen behoefte aan om mijn mening „nog duidelijker" naar voren te laten komen. Ik heb namelijk de hoop gehad, duidelijk te zijn geweest in mijn artikel in „Schrift". Als dat niet het geval is, heb ik gefaald. Trouwens, ik heb geen andere motivatie gehad dan die bij mijn artikelen en boekjes over de tekst van de evangeliën naar voren kwam. Daarom: Quod scripsi, scripsi. (Joh. 19: 22 in de Vulgaatvertaling. H.J.H.). En ik wens daarvoor te staan.

Ten tweede heb ik er geen behoefte aan om in deze vorm in diskussie te treden in uw blad „In de Rechte Straat", omdat deze vorm in feite de echte diskussie (zoals ik die mij tenminste voorstel) blokkeert. Bovendien weet ik niet of dit blad de juiste plaats is.

ONS ANTWOORD:

Wij begrijpen ten volle dat drs. Baarda thans geen tijd heeft om op onze vragen in te gaan vanwege zijn dissertatie.

Ook ik was van oordeel dat drs. Baarda zijn mening duidelijk genoeg had uiteengezet. Maar ik wilde toch zeker zijn, daar het volgens mij over een zeer ernstige aangelegenheid gaat.

Uit correspondentie en ook uit wat ik van anderen hoorde, weet ik dat drs. Baarda een zeer sympathieke persoon is. Daarom valt het mij hard, dat ik duidelijk stelling moet nemen tegen de zienswijze van drs. Baarda.

Ik vind het verschrikkelijk dat iemand die aan onze V.U. doceert, verkondigt dat de Bijbelschrijvers zelfs aan de woorden van de Here geknoeid hebben. Als ik dat zou menen, dan zou ik de Bijbel volkomen gelijk gaan stellen met elk ander religieus boek van de grote wereldgodsdiensten; ik bedoel wat gezag betreft. Hoe kunnen onze gereformeerde kerken dulden dat dergelijke theorieën vanuit de V.U. de wereld in worden gezonden?

Van de r.-k. theologen van Nederland weten we onderhand wel dat ze volkomen de vrijzinnige richting uitgaan. Daarom verwonderde het mij niet dat ik in hetzelfde nummer van „Schrift" een artikel las van W. Logister, docent moraaltheologie in Tilburg, waarin deze o.a. schreef: „Het is immers duidelijk dat de evangelisten nogal onverwachte draaien kunnen geven aan de woorden van de Heer" (p. 212). Maar dat ook een docent aan onze theologische fakulteit in dezelfde geest durft schrijven, is zeer bedroevend omdat juist die V.U. was opgericht om een dam op te werpen tegen de Schriftkritiek van de vrijzinnigen. Waar gaat het met de gereformeerde kerken naar toe, wanneer hun toekomstige predikanten aldus worden opgeleid?

Wij waren blij dat vooral de r.-k. theologen van Nederland meer aandacht zijn gaan schenken aan de Bijbel. Maar is het dan niet intens-treurig, wanneer protestantse theologen aldus meehelpen om die terugkeer naar de Schrift volkomen waardeloos te maken door een direkte aanval op het Schriftgezag?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE BETROUWBAARHEID VAN DE BIJBEL

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's