3 BIJBELBESCHOUWINGEN
Er zijn drie Bijbelbeschouwingen mogelijk, die ik wil proberen kort aan te duiden.
De eerste beschouwt de Bijbel als een onfeilbaar Boek. Deze Schriftgelovigen zijn overtuigd dat de Bijbel geen dwalingen bevat. Zij zeggen dan ook: De Bijbel heeft gezag om en in zichzelf. Als het in de Bijbel staat, dan is het ook zo. We zouden deze Bijbelbeschouwing de letterlijke kunnen noemen.
Ik stap nu meteen over naar de derde Bijbelbeschouwing, die van de vrijzinnigen. Zij aanvaarden de Bijbel als een prachtig boek, met veel religieuze diepte en met wijze zedelessen. Maar voor hen staat de Bijbel op één lijn met de heilige boeken van de grote wereldgodsdiensten. Hij is niet Woord van God in een speciale zin.
Daartussen is nu een tweede Bijbelbeschouwing gegroeid, die de Bijbel niet gelijkschakelt met andere heilige boeken. Zij die deze opvatting huldigen, zien de Bijbel als een uniek boek, waaraan God zoals aan geen ander boek Zijn gezag heeft verbonden. Wij zouden deze mensen beslist onrecht aandoen, wanneer wij hen zonder meer met de vrijzinnigen op één hoop zouden gooien. Maar zij verschillen met de eerste Bijbelbeschouwing daarin, dat volgens hen de Bijbel wél allerlei dwalingen kan bevatten en dat wij de taak hebben uit te maken, wat in de Bijbel waarheid en wat onwaarheid is.
Deze tweede Bijbelbeschouwing dringt overal door. Ze houdt voor geen enkele kerkdeur halt. Ze heeft zich vooral ook meester gemaakt van de r.-k. theologen van Nederland.
Gered van de ondergang?
Op een geestdriftige manier beschrijft pater B. Rademaker deze tweede Bijbelbeschouwing in „Het Katholieke Schoolblad" van 21 febr. 1970. Hij schrijft:
„Voor hen die deze „nieuwe kijk op het Oude Boek" verwerken kunnen, brengt dat grote winst. De Bijbel wordt er voor mensen van onze tijd alleen maar geloofwaardiger op, boeiender ook en overtuigender, zonder aan haar oude glorie als Woord Gods ook maar iets in te boeten".
Ik moet hier beslist even op reageren: Nee, beste pater Rademaker, nee, wanneer God een boek aan het mensdom presenteert, dat vol dwalingen staat, een boek dat de woorden van Jezus Christus, Gods eigen Zoon, bewust afzwakt (zie het artikel op p. 9), dan kan ik persoonlijk niet meer geloven dat de Bijbel werkelijk Woord van God is.
Maar we laten pater Rademaker verder aan het woord:
„Het eerste voordeel dat de nieuwe exegese ons gebracht heeft, is dit. Zij geeft een duidelijk inzicht in het onderscheid dat er gemaakt moet worden tussen de eigenlijke inhoud van de Bijbel enerzijds en de „inkleding" daarvan anderzijds, tussen de „Boodschap" die de Bijbel van Godswege wil brengen, en de „manier" waarop deze in zeer gevarieerde verhaal- en preektechnieken schriftelijk werd vastgelegd. De vondst van dit onderscheid tussen inhoud en vorm is revolutionair te noemen tegenover de interpretatie van de Bijbel zoals die vroeger vrijwel algemeen gevolgd werd, en waarbij dit onderscheid tussen inhoud en vorm, tussen boodschap en inkleding en tussen Gods Woord en de manier waarop de ménsen dit vertolkten en te boek stelden, niét werd gemaakt. Alles immers wat in de Bijbel stond, was min of meer - of zónder meer - 'Woord Gods' en moest als zodanig in geloof aanvaard worden in de trant van het staat er zo, dus is het zo, want Gód zegt dit. Veel kwaad kon deze letterlijke, met huid- en haar interpretatie van de Bijbel niet".
„Het is de kracht van de nieuwe exegese van de litteraire genres, dat zij op een zeer wetenschappelijke manier voor goed een eind heeft gemaakt aan het geharrewar rond deze letterlijke interpretatie van de Bijbel". Zij heeft „de Bijbel van een vrijwel zekere ondergang gered".
2 voert naar 3
Een eerste opmerking die ik zou willen maken, is deze: Deze nieuwe exegese voert volgens mij onvermijdelijk tot pure vrijzinnigheid. Gelukkig hoeven wij de Bijbel niet van een ondergang te redden, maar wel leidt deze opvatting tot de ondergang van elk ontzag voor de Bijbel als heilig Woord van God.
Hoe kan ik respekt hebben voor Iemand die via een boek mij iets wil mededelen, maar die deze mededeling hult in allerlei onwaarheden en dubbelzinnigheden? Wie kan blijven geloven, dat God, de eeuwige wijze en almachtige God, die de schepping zo wonderbaar mooi heeft opgebouwd, Zich zo ongelukkig en gebrekkig zou hebben uitgedrukt in het enige boek, waaraan Hij Zijn eigen gezag heeft verbonden?
Ik meen dat zulk een geloof slechts steunt op irrationele motieven, op de vrees om de Bijbel geheel en al los te laten. Men is opgegroeid met de eerbied voor de Bijbel, en dit gevoel verdraagt zich niet met een plotselinge en radikale verwerping van de Bijbel. Maar dit is slechts een kwestie van tijd. Wanneer men eraan gewend is, om zichzelf boven de Bijbel te stellen en zelf uit te maken, wat Woord van God is en wat niet, dan verdwijnt ook wel dat gevoel van ontzag vanzelf. Dan raakt men er zo gewend aan zich met zijn kritiek boven de Bijbel te stellen, dat men op de duur vanzelf aan die Bijbel geen bijzonder gezag meer toekent.
Kinderlijk optimisme
Pater Rademaker verliest in zijn enthousiasme te veel de diepe zondigheid van ons, mensen, uit het oog. Op allerlei wijze komt deze nieuwe Bijbelbeschouwing onze bedorven natuur in het gevlei. Het moet ons wel strelen, dat God wel tot ons gesproken heeft, maar het verder volledig aan ons heeft overgelaten om uit te maken wat waarheid en onwaarheid is in het Boek, waarin Hij Zich tot ons richt. We kunnen ons dan een soort compagnon van God voelen zo in de trant van: God en wij, wij weten waar die simpele Bijbelschrijvertjes de plank missloegen. God weet dat door Zijn alwetendheid - ja, die hulde willen we Hem nog wel brengen! - en wij weten het beter dan die schrijvers die Hij inspireerde, door onze geleerdheid. Het lijkt mij dat deze nieuwe exegese psychologisch én logisch moet uitlopen op vrijzinnigheid, op volkomen gelijkschakeling van de Bijbel met alle heilige boeken van de grote wereldgodsdiensten.
Bovendien worden wijzelf dan de norm voor ons zedelijk leven. We zien dat ook in de praktijk. Bij kwesties als abortus, homosexualiteit, euthanasie enz. wordt niet eens meer gevraagd wat de Bijbel ervan zegt. Of als dat wel gebeurt, dan gaat men eenvoudig weglaten of toevoegen bij de teksten. Een voorbeeld daarvan is: Men zegt dat de Bijbel alleen de kultische homosexualiteit verbiedt.
Neen, wij moeten ons onvoorwaardelijk onderwerpen aan het gezag van de Bijbel. Dat vraagt geestelijke zelftucht, dat weet ik. Paulus schrijft daar ook over in 2 Kor. 10:3-6. Hij spreekt daar over de rede die barricaden en bolwerken, stevige verdedigingswerken, wil opwerpen tegen de kennis van God. Wij moeten die slechten, zo zegt hij. Wij moeten al onze bedenkingen, onze verzinsels en smoesjes gevangen nemen en ze onderwerpen in de gehoorzaamheid aan Christus. Dat is geestelijke zelfdiscipline. Dat is heersen over het leger van Gode vijandige machten binnen ons. Dat kunnen we dan ook niet uit onszelf, maar wel in de kracht van de Heilige Geest, die ons beloofd is: „Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten" (2 Kor. 10:4).
Niet mogelijk in één gemeente
Een tweede opmerking: Deze drie Bijbelbeschouwingen zijn niet mogelijk in één gemeente.
Dat de letterlijke en de puur vrijzinnige exegese niet mogelijk zijn in één kerk, zal voor iedereen duidelijk zijn. Het is voor gelovigen onverdraagzaam, wanneer de ene zondag een predikant op de kansel verschijnt, die vol gloed de heerlijkheid van Christus, van Zijn goddelijkheid en verlossing door Zijn bloed, verkondgt, terwijl op de daarop volgende zondag een andere dominee dit radikaal ontkent en zich misschien spottend uitlaat over deze „bloed-theologie". „We zouden het verkeerd benaderen door te menen dat de Vader wilde 'dat er bloed moest vloeien'". (N.K. Nieuwe Katechismus, p. 330).
Maar ook de eerste en de tweede Bijbelbeschouwing zijn volgens mij niet mogelijk in één kerk.
Het geestelijk leven van Schriftgelovigen moet erdoor geschokt worden, wanneer de ene zondag iemand vanuit de historische Adam en de zondeval belicht, hoe de Here alles volledig hersteld heeft in de tweede Adam, Jezus Christus. Hij vertroost de gemeente met de woorden van Rom. 5:19, waar staat: „Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars zijn gesteld geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigheid gesteld worden". Met klem laat hij zien hoe de schuld en het verderf zonder ons persoonlijk toedoen, puur langs de weg van toerekening, via de eerste Adam tot ons is gekomen, maar dat evenzo de vergeving der schuld en het nieuwe leven ons zonder ons persoonlijk toedoen, puur langs de weg van toerekening en van aanvaarding door het geloof, tot ons komt.
Maar een volgende zondag komt iemand op de preekstoel en die zegt: Welnee, gemeente, die Adam heeft nooit bestaan en er is ook geen zondeval geweest, die enige speciale betekenis voor ons heeft. Er is geen toerekening van de schuld van Adam aan ons.
Uiterste verwarring
Dan moet de gemeente wel in uiterste verwarring geraken, want dan wordt geschud aan de fundamenten van haar heilszekerheid. Er staat immers zo duidelijk: „Gelijk…" door de eerste Adam, „alzo…" ook door de twee Adam. Wanneer de toerekening van de schuld van de eerste Adam geen werkelijkheid blijkt te zijn, wie geeft de gemeente dan de garantie dat de toerekening van de vergeving der schuld door de tweede Adam wél werkelijkheid zou zijn? Voor iedere eenvoudige lezer wekt Paulus zonder meer de indruk dat hij over een historische Adam spreekt. Zo heeft de kerk door de eeuwen heen het ook altijd verstaan. Wanneer dan in de twintigste eeuw Kuitert en de zijnen door de wetenschap tot de ontdekking zouden zijn gekomen, dat Paulus hier niet over een historische maar over een legendarische eerste Adam spreekt, dan zal iedereen die een beetje nuchter is, bij zichzelf zeggen: Als ik dan zo weinig kan vertrouwen op wat de meest voor de hand liggende zin van de Bijbeltekst is, als eeuwen achter elkaar oprechte Schriftgelovigen dat verkeerd hebben gelezen, en de professoren van de Vrije Universiteit van Amsterdam komen ons nu vertellen dat we het radikaal mis hebben, welke betrouwbaarheid heeft dan de Schrift nog voor ons? Wie weet, komt die wetenschap ons straks vertellen dat ook van de toerekening van de vergeving der schuld en van het nieuwe leven door Christus niet echt sprake is, en dat Hij niet echt is opgestaan uit de doden. „En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden" (1 Kor. 15:17).
Gebruikt de Waarheid de leugen in haar dienst?
En hoe kan een oprechte Schriftgelovige toelaten dat een predikant vanuit de kansel op zondag in de gemeente waartoe hij behoort, zoals drs. Baarda verkondigt dat de evangelisten de woorden van Christus bewust hebben afgezwakt door toevoegingen (zie het artikel op p. 9) of hebben aangedikt: „Men heeft ontdekt dat … in het woordje „velen" (in Luk. 1:1) een tikkeltje overdrijving schuilgaat" (Baarda in: „De betrouwbaarheid van de Evangeliën", p. 65) of de geschiedenis hebben „vervormd", omdat hij (Mattheüs) „wilde dat de profetie tot in details uitkwam" (Baarda, a.w., p. 56-57)? Dat betekent dus dat de evangelisten van vroom bedrog gebruik hebben gemaakt om ons maar in Christus te doen geloven. Hoe kan een gemeente toelaten dat een predikant zo over de Bijbel en de Bijbelschrijvers spreekt of schrijft? Dat betekent immers dat God Zelf via de Bijbelschrijvers Zich van onwaarheden zou bedienen om ons tot de Waarheid te brengen. Grenst zulk een bewering niet aan het godslasterlijke? Hebben de joden ook Christus niet verweten dat Hij door Beëlzebul de duivelen uitdreef? En heeft Christus deze beschuldiging niet met verontwaardiging afgewezen? Hoe kunnen wij dan zeggen dat de Heilige Zich door de Bijbelschrijvers zou inlaten met de leugen en die zelfs zou inschakelen voor de vestiging van Zijn Koninkrijk? Hoe kan de Waarheid ook maar enige gemeenschap onderhouden met de leugen? Hoe kunnen wij ons dan nog vertrouwvol aan zulk een Waarheid overgeven en eenvoudig in Christus geloven?
Het oordeel van Gamaliël
Neen, wij zien ook in de praktijk de vreselijke gevolgen van deze Bijbelbeschouwing in de r.-k. kerk zelf, waar de Nieuwe Katechismus de kern van het Evangelie loochent nl. het plaatsbekledende lijden en sterven van Christus. We zien het in de gereformeerde kerken synodaal, waar de kerkgang steeds meer achteruitgaat en een werelds leven binnendringt. Dat zal in elke kerk gebeuren, waar men Bijbelbeschouwing 1 en 2 naast elkaar gelijke rechten toekent op de kansel en in de katechese. Dit is een dodend synchretisme (= samenstelling van godsdiensten).
Ik zou aan de mensen van de tweede Bijbelbeschouwing willen aanraden: Vormen jullie dan een aparte kerk of sluit je aan bij een kerk zoals de Ned. hervormde, waar de plaatselijke orthodoxe gemeenten zelf het heft in handen hebben genomen en geen predikanten van de tweede Bijbelbeschouwing toelaten. En toon dan wat jullie theorie waard is. Ik zou de raad van Gamaliël op hen willen toepassen: „Indien dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden; maar indien het uit God is, zo kunt gij het niet breken" (Hand. 5:38-39).
Het is uit het voorafgaande wel voldoende duidelijk dat deze tweede Bijbelbeschouwing, naar mijn stellige overtuiging, niet uit God, maar uit de mens is. Maar laat hen zélf tot die ontdekking komen. Wat ons echter betreft, wij willen in de samenkomsten van onze gemeenten geen voorgangers toelaten, die de Bijbelschrijvers beschuldigen van vroom bedrog, van afzwakkingen van de woorden van Christus door menselijke toevoegingen, van overdrijvingen.
Je kunt deze drie Bijbelbeschouwingen vergelijken met de radiostations Hilversum 1, 2 en 3. J e kunt niet tegelijk op alle drie afstemmen met één radiotoestel. Ze zenden uit op verschillende golflengten.
Zo is het ook onmogelijk dat een gemeente afstemt op deze drie Bijbelbeschouwingen tegelijk.
Jezus' woorden omgebogen?
De tweede Bijbelbeschouwing wordt ook wel zo geformuleerd: De Bijbel heeft geen gezag als zodanig, maar slechts op grond van de inhoud. Die opvatting werd uiteengezet in een artikel van het „Algemene Secretariaat" in het r.-k. maandblad „Concilium" 1969 nr. 10 van p. 140-157.
Daarin stond o.a. te lezen: „Uiteindelijk is er één laatste dat de autoriteit fundeert en dat is voor de hedendaagse bewustzijn van de christen niet de formele autoriteit van het instituut, maar de inhoudelijke autoriteit van de voortlevende Heer, tot Wie zich ook zijn geloofsbroeders bekennen". „Ook op deze wijze wordt het gezag van de Schrift een gezag dat zich waar maakt in Jezus en de met Hem verbonden geloofsgemeenschap". „Anders gezegd: de autoriteit van de Schrift steunt op de aanwezige Jezus die zich waar maakt in de christelijke praxis". „Maar een bijzondere inspiratie blijft behoren tot de uitzonderlijke aard van de Schrift. Men kan ze niet reduceren tot bijvoorbeeld een poëtische of religieuze inspiratie die ook in andere boeken aanwezig is" (a.w., p. 149-150).
Baarda doet dat ook in zijn boekje: „Er zijn verhalen in de evangeliën die iets legendarisch over zich hebben, zo bijvoorbeeld dat van de vervloeking en verdorring van de vijgeboom (Mt. 21: 18-22 par.) of meer nog dat van de opstanding van de doden bij het sterven van Jezus (Mt. 27:52-53). Is het niet mogelijk dat hier bepaalde apokalyptische woorden van Jezus in het gerucht, in de volksvertelling, gedramatiseerd zijn. Misschien zal iemand een dergelijke suggestie als ongepast van de hand wijzen" (a.w., p. 84). Baarda past dit ook toe op het verhaal in Mt. 17:24-27 over de stater die Petrus vond in de bek van de vis: „In de traditie van dit verhaal is kennelijk het laatste woord van Jezus steeds meer omgebogen in de richting van het wonder" (a.w., p. 85). Dat betekent dus dat dit omgebogen verhaal tenslotte in het Mattheiisevangelie is terecht gekomen en ons door God gepresenteerd wordt als Zijn Woord.
Een radikaal neen!
Wij zullen hier radikaal neen tegen moeten zeggen, of we houden van de Schrift als Woord van God niets meer over. Dan gaan wij uitmaken of iets in de Bijbel ons waarschijnlijk of onwaarschijnlijk lijkt. Dan moet de Bijbel maar afwachten, of wij hem op verschillende plaatsen onze intellektuele instemming geven, ja of nee. Dan kan er op de duur toch niet meer van een ootmoedig luisterende houding tegenover de Bijbel gesproken worden.
U weet dat ook prof. Kuitert geheel in deze richting denkt, al is hij in zijn uitspraken nog niet zo kras als drs. Baarda. Zo schreef hij in „Verstaat gij wat gij leest?": „Verandert er trouwens iets aan de zin en strekking van het boek Jona ,als we het een midrasj (verhaal met een wijze les. H.J.H.) noemen in plaats van een waar gebeurde geschiedenis?" (p. 77). Nee, maar wel wordt heel het gezag van de Bijbel dan aangetast, want Christus gebruikt het verhaal van Jona om aan te duiden wat er met Hem zou gebeuren. „Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik was van de walvis, alzo zal de Zoon des Mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde" (Mt. 12:40). Wanneer Jona alleen maar een midrasj en geen werkelijke geschiedenis is, dan moeten we ook de opstanding op de derde dag een midrasj en geen werkelijke geschiedenis noemen. Er staat immers: „Gelijk … alzo …".
Nogmaals, laten Kuitert en Baarda en de hunnen rustig een eigen kerk vormen. Dan kunnen ze aantonen dat met hun theorieën er bloeiende plaatselijke gemeenten ontstaan en dat daardoor christenen gevormd worden met een blij en krachtig getuigenis van Jezus Christus als enige en volkomen Zaligmaker voor verloren zondaars.
En als ze toch niet zo zeker zijn van deze resultaten, of als ze om een andere reden er niet voor voelen, laten ze dan overgaan naar de Ned. hervormde kerk. Daar is er ruimte voor hen en daar hebben de Schriftgelovigen zich reeds door hun eigen organisaties voldoende afgeschermd tegen dergelijk theorieën op hun kansels. Waarom moeten ze weerloze gemeenten met hun theorieën bewerken? Waarom van hun vertrouwenspositie als professor resp. lektor van de V.U. of Kampen gebruik (beter: misbruik) maken om hun kerken om te buigen in een richting tegenovergesteld aan de belofte die ze bij de aanvaarding van hun ambt hebben gegeven?
Schriftgelovigen van alle kerken (bedoeld zijn dan zij die Bijbelbeschouwing 1 huldigen), laten wij samen één front vormen, dat tegelijk een machtig getuigenis is voor het Woord van God als vaste en volledig betrouwbare gids op onze levensweg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1971
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
