In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De littekenen van PAULUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De littekenen van PAULUS

8 minuten leestijd

Tenslotte moeten we nog de vraag bespreken, wat Paulus dan wél bedoeld moet hebben met Gal. 6:17.

Het zal goed zijn om daarbij telkens het Oude Testament te betrekken en ons af te vragen, waar ook in het O . T . gesproken wordt van littekenen des Heren.

We lezen in Jes. 44:5: „Deze zal zeggen: Ik ben des Heren; en die zal zich noemen met de naam van J a c o b ; en gene zal met zijn hand schrijven: I k ben des Heren; en zich toenoemen met de naam van Israël".

De NBG-vertaling heeft: „en een derde zal op zijn hand schrijven", dat moet geestelijk verstaan worden en kan in elk geval niet bedoeld zijn als tatouage, want: „Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de Here" (Lev. 19:28).

Dat moet dan ook wel de eerste betekenis zijn van die woorden van Paulus. Zoals een slaaf door een teken in zijn lichaam gekend kan worden als eigendom van zijn heer, zo kan ook Paulus gekend worden als eigendom van zijn Meester Jezus Christus door een merkteken in zijn ziel, en dat is het geloof.

Daarover juicht Paulus in al zijn brieven. „Want hetzij dat wij leven, wij leven de Here; hetzij dat wij sterven, wij sterven de Here; hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heren" (Rom. 14:8). Door het geloof weet Paulus zich het eigendom van Christus. De Heilige Geest had met Zijn vuur die zekerheid van het toebehoren aan Jezus ingebrand in de ziel van Paulus.

Toch moeten die littekenen hier méér betekenen, want Paulus spreekt over de littekenen in zijn lichaam.

Wij kunnen dat echter gemakkelijk verstaan vanuit de eenheid van geest, ziel en lichaam die we in de Bijbel telkens aantreffen, waaruit volgt dat wij ook delen in het lijden van Christus: „… altijd de doding van de Here Jezus in het lichaam om dragende, opdat ook het leven van Christus in ons lichaam zou geopenbaard worden" (2 Kor. 4:10).

Bovendien beschrijft Paulus in 2 Kor. 11:16-33 iets van de verdrukkingen die hij om Christus' wil heeft moeten doorstaan.

In vs. 24-25b zegt hij: „Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeseld, eens ben ik gestenigd". Dat hij van deze martelingen littekenen heeft overgehouden in zijn lichaam, is te begrijpen.

Maar deze littekenen zijn voor Paulus een eer. Hij heeft ze opgelopen in zijn strijd voor de Here. Ze zijn ook heilig voor hem. Ze zijn als een zegel voor de bescherming van Christus Daarom zegt hij: „Voorts, niemand doe mij moeite aan, want ik draag de littekenen van de Here Jezus in mijn lichaam". Dat wil zeggen: Laat men oppassen; wie aan mij komt, komt aan de Here. I k ben Zijn eigendom, innerlijk door het geloof, waardoor ik geheiligd ben in Zijn bloed, uiterlijk door de littekenen van de wonden die hem zijn toegebracht vanwege zijn toebehoren aan Christus.

In een preek hoorde ik hoe een predikant een poging deed om de zonde toch vooral als schuld van ons allen afzonderlijk te laten zien. Zonde is geen lot, maar een schuld, zo zei hij. Wij moeten oppassen, dat we niet al te gemakkelijk gaan spreken over erfzonde, een woord dat we niet in de Bijbel tegenkomen. Dan rijst het gevaar dat wij te gemakkelijk in de zonde berusten en er niet ernstig genoeg tegen strijden. En een ander gevaar is dat de jeugd zich hiertegen verzet. Zij willen persoonlijk verantwoordelijk zijn en weigeren de schuld van iemand uit een ver verleden op zich te nemen.

Deze predikant probeerde de daad van Adam duidelijk te maken met dit voorbeeld: Adam was aangesteld als wachter op de muren van de stad der mensen. Hij moest waken tegen de vijanden die ons bedreigen. Maar hij was ontrouw aan zijn roeping en liet de dood binnen en daarna hebben allen binnen die stad de dood als koning uitgeroepen. Ik heb veel waardering voor dit pogen van deze predikant die overigens duidelijk vasthield aan de historiciteit van Adam en van de zondeval, om de diepte van onze persoonlijke schuld te tekenen. Toch vraag ik mij af, of met dit voorbeeld de realiteit van onze gemeenschappelijke schuld voldoende is weergegeven. Immers in zeker opzicht is de zonde niet alleen schuld, maar ook lot. Dat is toch immers de ervaring van ons allen, ook van de jeugd. Hoewel de zonde persoonlijke schuld is, toch zijn we op een of andere manier ook gedwongen te zondigen. Dat blijkt reeds daaruit, dat ALLEN zondigen.

In het boven aangehaalde voorbeeld wordt van die WERKELIJKHEID geen verklaring gegeven. Dan zou het voor de hand liggen, dat velen niet mee zouden doen aan het uitroepen van de dood als koning, aan de zonde als onze meesteres, waarvan wij de slaven zijn; vooral ook na zoveel eeuwen, waarin de dwaasheid en het kwade van de zonde op allerlei wijzen door christenen en niet-christenen gehekeld is. Iedereen afzonderlijk en allen tesamen zijn wij onderhand wel overtuigd, dat haat, nijd, bitterheid, agressie, discriminatie, leugen, kwaadsprekerij, ruzie, uitbuiterij, verminking en moord zonder meer veroordeeld moeten worden. En toch hebben we ieder afzonderlijk en allen tesamen nog steeds veel moeite om de ander in onbaatzuchtige, warme liefde tegemoet te treden, kortom, om hem lief te hebben als onszelf. We kunnen daar lang en breed over praten, maar dit zijn helaas de harde feiten. De zonde moet dus ook iets hebben van een lot dat ons overkomt. Ik zou echter dit woord „lot" in dit verband liever vermijden. Het stamt uit de humanistische denkwereld, die het bestaan van een persoonlijke God ontkent, Die alles leidt. Ik zou liever het bijbelse woord „wet" overnemen, dat vooral door Paulus wordt gebruikt, met name in Rom. 7: 13-26. „Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens; maar ik zie een andere wet in mijn leden, die strijdt tegen de wet van mijn gemoed en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijn leden is" (vs. 22-23). Met dit woord „wet" bedoelt Paulus zeker ook de beschrijving van steeds weer terugkerende gebeurtenissen. In die zin wordt dat woord ook in de natuurkunde gebruikt. Ijzer zet bij warmte uit en krimpt bij koude in, - met deze uitspraak vatten wij gebeurtenissen, die zich steeds voordoen, samen en noemen ze een natuurwet.


ZONDE ALS LOT ET SCHULD


Paulus bedoelt echter veel meer. Hij verstaat onder de wet van de zonde niet slechts een aanduiding van een regelmatig gebeuren, een samenvatting van eendere feiten, maar hij ziet de zonde als een kracht in ons, die aktief de zondig daden in ons voortbrengt. Daarom valt die „wet van de zonde in onze leden" ook onder het oordeel Gods. Het is „het" verzet van ons geslacht tegen God. De zonde is daarom niet alleen persoonlijke schuld, maar ook kollektieve schuld, kollektieve onmacht en onwil. En zo treedt de absolute noodzaak van de verlossing door iemand die niet alleen mens, maar ook Gods Zoon was en is, des te duidelijker naar voren. Er ligt een verschrikkelijke doem op ons allen.

Maar juist daarom ook kunnen wij ons zo alomvattend veilig voelen in het verzoenende werk van Christus. Hij alleen, maar ook Hij geheel en al, is onze redding. Alle roem geldt Hem alleen.

En het is juist de grootse visie van de Bijbel dat die ons ontvouwt hoe er een oerschuld is in één mens, in Adam. Op een voor ons ondoorgrondelijke manier is Adam tot ons aller vertegenwoordiger gesteld, en zo hebben wij allen in hem gezondigd, maar worden ook om niet vrijgesproken van onze schuld in Christus. De schuld van Adam kwam tot ons zonder persoonlijk toedoen, als een toerekening van buitenaf, enkel op grond van onze geboorte. Maar ook de vergeving van deze schuld komt tot ons zonder ons persoonlijk toedoen, als een toerekening van buitenaf, van Christus af, enkel op grond van ons geloof.

Daarom betreuren wij het zeer, dat de generale synode van de gereformeerde kerken de historiciteit van Adam en van de zondeval ter ontkenning heeft vrijgegeven en zelfs professoren in de theologie die de toekomstige predikanten moeten opleiden, niet heeft verboden om deze ernstige dwaling verder te propageren. De gereformeerde kerken waren tot voor kort een bolwerk van trouw aan het Schriftgezag. Ook dit bolwerk is nu gevallen. De synode heeft wel enkele stukken beleden, waarin men het nog met elkaar eens is, maar daar hoort de toerekening van de schuld door de eerste Adam niet meer bij; zodoende wordt ook die andere pijler van ons belijden, nl. de toerekening van de vergeving der schuld in Christus, de laatste Adam, bedreigd.

Kuitert en de zijnen beroepen zich op de hermeneutische sleutel van het „leermodel". Maar een sleutel die zulk een duidelijke verkondiging van feiten door de Bijbel naar het rijk van de fabelen verwijst - ook al doet men dat onder de betuiging van respekt voor de wijsheidsinhoud van zulke fabelen - is een valse sleutel, die niet het Koninkrijk van het Licht opent, maar het koninkrijk van de duisternis, van de verwarring en de twijfel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De littekenen van PAULUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1971

In de Rechte Straat | 32 Pagina's