Door de diepte heen
Getuigenis van RENATO DI LORENZO
Ik zou er nooit aan gedacht hebben om de r.-k. kerk te verlaten en evenmin het priesterschap. Ik zou het dan ook nooit hebben kunnen geloven, wanneer vroeger iemand mij gezegd zou hebben, dat de Here mij opwachtte in Velp in Nederland. Maar de wegen van de Here zijn heel anders dan de onze.
Toen ik 15 jaar was trad ik in de congregratie van de Salicianen en in 1956 ben ik tot priester gewijd. Ik heb steeds gewerkt onder de jeugd en ben bijv. ook geestelijk leider geweest van een internaat van 180 jongens in de leeftijd van 10 tot 14 jaar. Ik heb dat werk met heel veel plezier gedaan.
De aanleiding van mijn uittreden is het volgende geweest. In maart 1965 werd ik door mijn overste naar Rome gezonden om gedurende een maand niets dan geestelijke oefeningen te verrichten. Wat was de oorzaak, dat ik deze straf moest ondergaan? U zult het nauwelijks geloven, maar dat was mijn argeloosheid. Gedurende de tijd, die ik in het klooster had doorgebracht, had men mij altijd verteld dat de kloosterorde één grote familie is en dat wij de overste als een vader moesten beschouwen, waarvoor men niets moest verbergen. Ik vertelde daarom aan de overste, dat er tussen mij en een meisje een genegenheid was ontstaan, maar dat ik daar nu alle banden mee verbroken had en dat ik daarom vóór september graag een overplaatsing naar een ander klooster zou hebben. Waarom had ik gebroken met dat meisje? Om verschillende redenen. Omdat ik toch ook niet zeker was of ik echt van haar hield. Vervolgens ook om het verschil in leeftijd, dat nogal groot was en omdat ik nu eenmaal m'n leven aan God had gewijd en niet op mijn schreden wilde terugkeren. Daar zat natuurlijk ook een stuk eigenliefde in. Ik zou het vernederend gevonden hebben, wanneer ik zou moeten erkennen, dat ik aan mijn roeping ontrouw zou zijn geworden en op mijn oorspronkelijk besluit zou zijn teruggekomen.
Toch was ik God dankbaar voor deze ervaring, want zo had ik toch iets leren zien van wat het betekent als mensen elkaar liefhebben. Ik kon nu de jongens, die verkering hadden, beter begrijpen en daarom ook beter raadgeven. In plaats echter van een vaderlijk gesprek met de overste, kreeg ik een brief voorgelegd die ik moest ondertekenen en waarin zijn straf werd meegedeeld: schorsing van elke priesterlijke functie gedurende een maand, alsook de geestelijke oefeningen — de retraite. — En deze straf zou mij dan opgelegd worden alleen maar omdat ik verliefd geworden was op een meisje.
Bovendien zou ik voor de toekomst een gewantrouwde zijn. Ik kon die straf niet zo maar aanvaarden en wilde de brief ook niet aanstonds ondertekenen. Ik zei, dat ik geen misdadiger was en dat ik niets gedaan had, waarvoor ik gestraft zou kunnen worden. Als men mij wilde beschuldigen, dan zou men dat moeten doen via een kerkelijk proces, waarin ik mij dan ook eventueel zou kunnen verdedigen. De overste schakelde mijn vader in, alsof ik een minderjarige was. Een leek, een vriend van mij, die ik alles had toevertrouwd, bracht mij zover, dat ik tenslotte toch maar tekende en naar Rome vertrok, om daar alleen te verblijven in het grote gebouw tussen de kloosterlingen van een andere orde, nl. de Passionisten. De Here wachtte mij daar echter in die eenzaamheid op en zette het werk voort dat Hij aan mij begonnen was. Wat een groot geduld heeft Hij met mij gehad. Ik had toch zo'n harde kop. In die maand kwamen de meest wanhopige en bittere gedachten in mij naar boven. Soms wilde ik op de vlucht slaan, het gaf niet waar naar toe. Soms was het haat, die mij bezielde, soms wilde ik een eind maken aan mijn leven. De Here vergeve het mij. Een andere keer wilde ik terugkeren naar Napels waar ik werkte. Ik beleefde er momenten van heel diepe vroomheid en momenten van volstrekte neerslachtigheid. Ik riep de Here aan, maar alles in en rondom mij bleef stil. Ik was alleen en voelde mij als in een gevangenis, terwijl ik geen enkele misdaad bedreven had. Het klooster lag op de berg Selie, dichtbij het oude Rome en vandaar uit had ik het gezicht op heel Rome en het Collosseum. Ik kon het leven gadeslaan, zoals het daar beneden aan mij voorbijstroomde en ik vroeg mij af: Is dat nu allemaal zonde. Ik zag hoe de mensen elkaar liefhadden en ik vroeg mij af of zij daarmee God zouden beledigen. Ik vroeg mij af of het werkelijk verkeerd zou zijn, wanneer je in het gras ging liggen om er lekker een ijsje op te eten of een cola te drinken. Ik werd jaloers op de vrijheid van die mensen, ik wilde weg uit dat klooster, ik wilde mij gaan mengen tussen die mensen, ik wenste die zwarte kleding van mij uit te trekken, de priestertoog, waardoor ik het gevoel had een ander mens te zijn, ik wilde zo graag echt mens zijn met de anderen.
Ik nam een oude pater in vertrouwen en zette 'hem de toestand uiteen. Hij gaf mij de raad om alles aan mijn overste te schrijven en te vragen of ik zou mogen terugkeren naar mijn vroegere arbeid en dat dat veel beter zou zijn dan mij hier in de eenzaamheid te laten. De brief werd geschreven en hij was zo vriendelijk om hem te lezen en hij raadde mij aan om sommige, wat al te sterke uitdrukkingen, te wijzigen. De overste antwoordde, dat ik al deze narigheid moest verdragen als boetedoening voor mijn zonde en ontrouw jegens God. Wel gaf hij mij verlof om op elk uur van de dag, als de overste van het klooster waar ik verbleef, dat toestond, uit te gaan.
Tevens beloofde hij, dat hij in het begin van april mij zou komen bezoeken. De enige troost, die de brief gaf, was dat ik nu tenminste uit kon gaan, al was het dan met het voorbehoud, dat ik alleen maar bedevaarten mocht maken naar de basilieken in Rome om van God barmhartigheid en genade af te smeken.
De overste van het klooster in Rome gaf mij zonder meer verlof om uit te gaan wanneer ik maar wilde, met het enige voorbehoud dat ik op tijd zou zijn op het uur van de maaltijden. Die maaltijden moest ik helemaal alleen gebruiken in een grote oude eetzaal. Ik ben Rome echter niet gaan doorkruisen als pelgrim, maar als toerist. Ik kocht kranten en tijdschriften. Toch was ik niet voldaan. Van de gelegenheid maakte ik gebruik om ook nog de raad te vragen van andere priesters. Hun mening kwam altijd daar op neer: ik had dit geval helemaal niet aan de overste moeten voorleggen en er over moeten zwijgen. De overste had gehandeld overeenkomstig het kerkelijk recht, ook al had hij dat dan in een zeer strikte zin geïnterpreteerd.
De ontmoeting met de overste in het begin van april was een botsing. Hij dacht dat hij een heilige zou aantreffen, terwijl hij tegenover zich vond iemand, wiens zenuwen tot het uiterste gespannen waren en die op geen enkele wijze gevorderd was in de heiliging. Hij stelde mij voor, dat ik onmiddellijk na Pasen naar een ander klooster zou worden gezonden.
Met alle beslistheid antwoordde ik daarop nee. Ik zei hem, dat ik nu naar Napels wilde terugkeren, mijn werk hervatten en dan, in september, zou ik bereid zijn om Napels te verlaten en waar dan ook naar toe te vertrekken.
Ik zei hem, dat hij op de plaats van zijn hart alleen maar een kerkelijk wetboek had zitten. Witte Donderdag ging ik naar Napels terug, maar niet om mijn werk te hervatten, maar naar het huis van mijn ouders.
De Here zette echter Zijn werk aan mij voort. In de tijd, die ik in Rome als kluizenaar doorbracht, had ik nog eens opnieuw de r.-k. theologie doorlopen en kwam daar tot de ontdekking, dat die theologie eigenlijk niet uitging van de Bijbel, maar dat zij zich van de Bijbel bediende om te laten bevestigen, wat zij zelf beweerde. Ik bemerkte, dat men tenslotte van mij vroeg om te geloven in de kerk, omdat ik alleen maar door de kerk tot Christus kon komen. Gehoorzaamheid aan Christus betekende onderworpenheid aan de plaatsbekleder van Christus, de paus. Maar dat was niet in overeenstemming met het Evangelie, dat ik nu voor het eerst helemaal achter elkaar ging lezen en met aandacht, zoals ik dat nog nooit had gedaan en ook met een scherp oplettingsvermogen. Here, Gij hebt mijn ogen geopend en ik was toen nog blind, want ik schreef het aan mijn eigen nadenken toe, dat ik dat had ontdekt. Tijdens mijn verblijf bij mijn familie, kwam ik ook nog tot een andere konklusie. Ik zag de nutteloosheid in van het kloosterleven om Christus te dienen. Want iedere christen heeft immers de roeping om God te dienen in deze wereld.
Dikwijls had ik in Rome reeds de telefoongids genomen om te zoeken naar het adres van een protestantse kerk. Hier moet ik aan toevoegen, dat het protestantisme mij weinig vertrouwen inboezemde. De reden waarom ik kontakt met hen zou willen, was om mijn toekomstige leven op te bouwen, maar het was niet, omdat ik dacht bij hen een antwoord te vinden op mijn geloofsworstelingen. In Rome heb ik echter nooit met hen kontakt gezocht, het was nog niet Gods tijd. Gedurende mijn verblijf bij mijn familie in Napels keerde echter de gedachte aan de protestanten bij mij terug en nu stelde ik mij meer de vraag, of zij misschien toch gelijk zouden hebben. In de tijd, die ik bij mijn familie verbleef, kon ik al mijn priesterlijke functies uitoefenen, maar gedurende zeven maanden heb ik slechts een twintig keer de mis gelezen en nog minder biecht gehoord en ik heb nooit willen preken. Maar 's morgens ging ik altijd een anderhalf uur weg, zodat mijn moeder in de veronderstelling leefde, dat ik elke dag de mis las.
Op een zondagmorgen, toen ik weer, in plaats van de mis te lezen, een wandeling maakte, ontdekte ik een gebouw, waar protestantse lectuur was uitgestald. Het was voor de ingang van een Waldenzen kerk. Ik ging er niet binnen, want ik wilde geen opschudding veroorzaken wanneer de mensen mij, die nog in de priesterkleding was, een protestantse kerk zouden zien binnengaan. Ik belde echter wel de dominee, bezocht hem en zette mijn geval uiteen. Ik zei hem, dat ik protestant wilde worden en eventueel zelfs predikant, maar dat ik ook wel arbeid wilde zoeken, onverschillig wat, of bijv. les geven aan een protestantse school, want ik had de bevoegdheid als onderwijzer. Hij bracht mij in kontakt met ds. Poggioli, een ex-priester. Ds. Poggioli verwees mij naar ds. Salvato, eveneens een Italiaans ex-priester, die in Duitsland woonde.
Deze stelde mij voor naar Duitsland te komen, waar ik werk zou kunnen vinden en gastvrijheid kon krijgen in zijn huis.
Ik bleef in kontakt met deze predikanten, maar wilde toch nog mijn kerk niet verlaten. Ik was bang, dat ik deze belangrijke beslissing zou nemen onder invloed van wat zich had voorgedaan of misschien zelfs uit wraak; ik meende dat ik nog wat langer moest wachten en eerst nog eens proberen om mijn leven als priester en als geestelijk leider van de jeugd voort te zetten. Zo ging ik dan naar Portici, ongeveer 25 km van Napels. Ik heb mij ten volle gestort op allerlei soort werk, maar ik voelde er steeds meer weerzin in. Ik geloofde niet meer in mijn bevoegdheid om biecht te horen en niet meer in de mis als een offer, dat ik kon brengen. Intussen was er een nieuwe overste gekomen en ik had enkele gesprekken met hem. Ik zette hem uiteen wat nu eigenlijk mijn diepste geloof was. Hij zei me, dat ik dan wel heel erg dicht bij het protestantisme stond. Hij gaf mij de raad om heel veel te bidden en vooral tot Maria, omdat zij mij zou helpen om mijn geloof opnieuw terug te krijgen.
Het leek mij echter beter en meer vruchtbaar om regelmatig te schrijven aan ds. Salvato in Duitsland, dan om te bidden tot Maria, hulp van alle christenen. Ds. Salvato stelde mij drie mogelijkheden voor: werk in Duitsland, zoeken naar een betrekking in Italië of naar Nederland te gaan, waar een huis was voor ex-priesters en dat zou onmiddellijk kunnen gebeuren. Weer gingen er enkele maanden voorbij, totdat ik bericht kreeg dat ds. Hegger, de predikant-directeur van het huis van ex-priesters in Nederland, naar Italië zou komen en ds. Poggioli zou bezoeken. En zo had ik dan mijn eerste kontakt met ds. Hegger op een warme, zonnige dag in augustus 1966. Ik kwam zeer onder de indruk van het gesprek met hem. Hij toonde mij een gekleurde prentbriefkaart, waarop de Wartburg stond. Wij namen afscheid en ik zei, dat ik toch nog eens opnieuw wilde nadenken en dan een beslissing nemen. 17 september 1966, dus slechts enkele weken later, bevond ik mij reeds in de Wartburg te Velp. In dit ex-priesterhuis voltrok zich mijn wedergeboorte tot kind van God. Elke geboorte is moeitevol en pijnlijk. Ook voor mij is die wedergeboorte in Christus gepaard gegaan met veel pijn en moeite. Twintig jaar kloosterleven, het feit dat ik ver weg was van mijn vaderland, mijn filosofische, intellectuele en theologische vorming, de barrière van de taal en mijn eigen karakter, zijn allemaal obstakels geweest. Maar de Here heeft mij ondanks dat toch zo ver gebracht, dat ik mij tenslotte kinderlijk in Zijn armen kon overgeven, en omdat Gij het gezegd hebt. En de Here heeft mij nooit alleen gelaten. Hij heeft mijn geloof versterkt door vreugde en verdriet heen. Ik weet niet, waar de fiere mij zal roepen om Zijn Evangelie te verkondigen. Ik ben nu in het laatste jaar van mijn theologische studies op de fakulteit van de Waldenzen in Rome, maar ik ben wel zeker, dat, door het gebed en door de ontmoeting en de gesprekken met andere bloeders, ik te weten zal komen wat Gods wil is over mijn leven.
Wat ik u verteld heb heeft op zichzelf geen waarde en is nutteloos als het niet zou uitlopen op een lofzang op de Here, op onze God, Die zo machtig en barmhartig is. Ieder van ons heeft honderden redenen om God te danken, maar sta mij toe u uit te nodigen om u, met mij, te verenigen in een dankgebed tot de Here, waarin wij Hem lofzingen om Zijn machtige werken. Mag ik dan dit getuigenis beëindigen met deze dankzegging:
Here, wij danken U voor elke gave, maar op dit moment willen wij U zeer in het bijzonder danken voor deze speciale gave, voor de bevrijding van elke valse interpretatie van het Evangelie. Wij willen U danken voor Uw wijsheid en Uw heerlijkheid, die wij hebben mogen ontdekken.
Here, ik dank U en in U dank ik al de genen, die het werk van In De Rechte Straat steunen, dit werk voor de ex priesters. Gij weet, Here, hoeveel licht mijn eigen land, Italië nodig heeft. Gij weet hoeveel priesters en ex-priesters U niet meer dienen, omdat zij alle geloof verloren hebben, ofwel leven in het compromis als geestelijke zwervers.
Here, ik bid U, laat ook hen komen tot het inzicht van hun verlorenheid, het zien van de zonde, waarin zij leven en laat hen Uw vrede genieten, Uw genade, opdat ook zij met mij het woord van uw dienaar Job kunnen herhalen: „Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd". (Job 42:5).
Zendt Gij arbeiders in Uw wijngaard, wekt Uw kinderen op tot edelmoedigheid zodat dit werk mogelijk wordt.
Dank U, Here, voor alles en ook omdat ik mijn dankzegging heb mogen uitspreken in vereniging met deze gelovige broeders en zusters. Neemt Gij deze dankzegging aan door Jezus Christus, Uw Zoon, onze enige en volkomen Zaligmaker. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1970
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1970
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
