In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Het adres van de GEMEENTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het adres van de GEMEENTE

6 minuten leestijd

Thans willen we ingaan op het boeiende betoog van ds Dekker dat u in ons vorig nummer hebt kunnen lezen.

Allereerst dan de vraag over de (on)- zichtbaarheid van de gemeente.

De Gemeente voorwerp van geloof

Is de gemeente per definitie onzichtbaar, ja of neen?

Ik dacht dat ook ds Dekker dat in zekere zin zal beamen. Immers in de apostolische geloofsbelijdenis spreken wij uit: „Ik geloof ene, heilige, algemene, christelijke kerk". Het eigenlijke voorwerp van het geloof is dus het (nog) niet geziene. Dat staat tegenover het aanschouwen.

Datzelfde geldt ook ten opzichte van de Here Jezus Christus. Tijdens Zijn omwandeling op aarde was Hij voor iedereen zichtbaar, maar slechts wie in Hem geloofden, konden doordringen tot wat Hij eigenlijk was: Zoon van God, Verlosser van verloren zondaars.

Eenmaal zal dat samenvallen. Dan zien we Hem in Zijn verheerlijkt lichaam en zien Hem tegelijk als Zoon van God. Maar dan is het geloof overgegaan in aanschouwen.

Antwoord van ds. Dekker

Ds Hegger, ik meen dat u een te vaste tegenstelling maakt tussen geloven en aanschouwen. Geloven staat volgens u tegenover aanschouwen, zo ook de voorwerpen van geloven en aanschouwen.

Nu noemt Paulus dit onderscheid in 2 Cor. 5:7: met het oog op een welomschreven zaak, nl. het verkeren met de Here Jezus Christus in dit leven en in het toekomende. Wat onze gemeenschap met Hem betreft, wandelen we nu in het geloof, straks in aanschouwen.

Bij u wordt het een tegenstelling die algemeen is, over welke zaak het ook gaat. Ook als het over de gemeente gaat. Als voorwerp van geloof is zij niet te aanschouwen; wat aanschouwd wordt, zal dan ook géén voorwerp van geloof kunnen zijn.

Toch ligt er in uw eigen woorden een aanknopingspunt om hier de zaken recht te trekken. U spreekt over de Here tijdens Zijn omwandeling op aarde en zegt: Toen was Hij voor iedereen zichtbaar, maar allèen wie in Hem geloofden, konden doordringen tot wat Hij eigenlijk was: Zoon van God, Verlosser van verloren zondaars.

Ik stem daar volledig mee in. Hier is aan te halen, wat Johannes schrijft in zijn eerste brief: „Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij". Zij hadden Jezus gehoord en gezien, aanschouwd en met hun handen getast. En dat met het geloof dat Hij was: het Woord des levens.

Wij kunnen hier leren, hoe te spreken over de verhouding tussen geloven en aanschouwen. Niet zo schematisch dat het ene het andere uitsluit. Er was geloven, gepaard met het aanschouwen van de Here, toen Hij op aarde was. Er is een geloven zonder aanschouwen van Hem, nu Hij in de hemel is. Er kómt een geloven, gepaard met volmaakt aanschouwen, nadat Hij wedergekomen is. Als wij nu geloven: een heilige, algemene, christelijke kerk, moeten we dan meteen zeggen: Zij is geloofsvoorwerp en dus niet te aanschouwen? Petrus zag een mens voor zich staan, in wiens uiterlijk niets verried dat Hij ook God was. Die mens werd voor Petrus voorwerp des geloofs: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.

Wij zien 's zondags een groep mensen bijeen; er wordt gesproken en geluisterd, gezongen en gebeden. Wat aanschouwen we dan? Onze ogen en oren zouden zeggen: een godsdienstig genootschap. Maar het geloof zegt, wat het eigenlijk is: gemeente van Christus, de Zoon Gods. Daarom zeg ik: het geloof sluit het aanschouwen niet uit, maar er is geloof nodig óm de kerk te zien.

ONS ANTWOORD:

In onze scholastieke filosofie hadden wij een adagium (gezegde, beginsel): Qui bene distinguit, bene docet = wie goed weet te onderscheiden, kan goed doceren. De juistheid van dat adagium bemerk ik opnieuw in deze gedachtenwisseling met ds Dekker.

En dan zou ik dit onderscheid willen voorstellen: De Gemeente van Christus is in zichzelf, krachtens haar eigen aard, per definitie, onzichtbaar, d.w.z. niet kenbaar voor de zintuigen en het natuurlijk verstand. Zij is echter wel op indirekte wijze zichtbaar, d.w.z. kenbaar voor onze zintuigen en ons natuurlijk verstand, doordat zij gestalte aanneemt in zichtbare mensen.

Zo is ook ons verstand in zichzelf onzichtbaar voor onze ogen, maar op indirekte wijze toch ook weer wél, doordat wij bij de mensen de zichbare uitingen zien van het verstand, van de geest die hun lichaam bezielt.

Misschien kunnen we die term „zichtbare en onzichtbare gemeente" beter laten varen. Is het niet juister te spreken over de kenbaarheid en de aanwijsbaarheid van de gemeente?

En dan geef ik na lezing van het artikel van ds Dekker toe, dat ik op grond van het feit dat de Gemeente niet kenbaar is voor het natuurlijk verstand, toch te gemakkelijk heb gekonkludeerd tot de praktische onkenbaarheid en onaanwijsbaarheid van de Gemeente van Christus op aarde.

De Gemeente van Christus is wél aanwijsbaar en kenbaar in een bepaalde plaats. Maar ze is alleen maar kenbaar voor hen die geloven. Dat zegt ook ds Dekker. Daarom lijkt het mij goed om daar nog even op door te gaan.

Geloof richt zich op Iemand

Het zaligmakende geloof richt zich niet op iets, op waarheden, maar op Iemand, op een Persoon, op Jezus Christus. Althans in eerste instantie. Zeker, wij aanvaarden ook al de waarheden die Jezus heeft geopenbaard. Maar die aanvaarding van die waarheden maakt niet het wezen van het zaligmakend geloof uit. Ook de duivelen geloven en toch sidderen ze, zegt Jakobus.

Wanneer een gemeente zou bestaan uit allerlei grote of kleine theologen, die heel veel van de Bijbel weten, maar niet wedergeboren zijn, dan is het geen Gemeente, lichaam van Christus. Dan zijn zij niet vergaderd in Zijn Naam, d.w.z. krachtens Zijn heerlijkheid en levende aanwezigheid, maar zijn zij slechts een genootschap van mensen die dezelfde beginselen aanhangen. Dan zijn zij niet een tempel, waar de Geest van Christus in woont.

Zeker, het hebben van een goede belijdenis is één van de uitingen van een waarachtige gemeente. We kunnen het zo zeggen: Elke waarachtige gemeente van Christus belijdt de juiste bijbelse leer. Maar we mogen het niet omkeren: Elke gemeente die de bijbelse leer verkondigt, is ook gemeente van Christus.

En juist omdat volgens mij het wezen van de Gemeente iets anders is dan een verzameling van mensen die dezelfde waarheden aanhangen, maar het lichaam van Christus, waarin de Heilige Geest woont, als in een tempel, juist daarom ben ik erg huiverig om zo gemakkelijk te spreken over het adres van de Gemeente van Christus in een bepaalde plaats. Ik weet niet goed, hoe ik het onder woorden moet brengen, maar ik vind de heerlijkheid van de Gemeente die door Jezus werd gekocht met de dure prijs van Zijn bloed, toch te groot, dan dat ik aan een buitenkerkelijke gemakkelijk kan zeggen: „O, u zoekt de Gemeente van Christus te X? Nou dat adres zal ik even opzoeken in het kerkelijk jaarboekje. Hier is het: … mijnheer Jansen, Dorpstraat zoveel, telefoon zoveel, giro zoveel".

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Het adres van de GEMEENTE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970

In de Rechte Straat | 32 Pagina's