Bekijk het origineel

terug naar de eenvoud van de gemeente

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

terug naar de eenvoud van de gemeente

8 minuten leestijd

Toen ik in Brazilië, waar ik filosofie en geschiedenis van de filosofie doceerde aan een groot-seminarie, in aanraking kwam met het protestantisme, was het niet hun andere leer die mij boeide. Waarvan ik onder de indruk kwam, was dat zij het rijkdom van Zijn ontferming gereed heeft liggen voor elke verloren zondaar die tot Hem komt. Toen Gods Geest mij dat had laten zien, kon ik niet anders dan smekend en vreugdevol naar Hem gaan om in diepe dankbaarheid Zijn gerechtigheid, Zijn eeuwige leven, in ontvangst te nemen. In Nederland teruggekeerd, viel het mij wel erg tegen dat ik daar zo weinig van het blijde geloofsgetuigenis terugvond dat ik bij de Braziliaanse crentes (de naam voor protestantse christenen; letterlijk: gelovigen) had aangetroffen. Ik merkte dat ook bij de Nederlandse protestanten de „leer" sterk was gaan overheersen en de eenvoud van de verkondiging van het leven in Christus had teruggedrongen, leven, het eeuwige leven, verkondigden dat Christus is komen brengen. Het wonder van Gods genade ging ineens voor mij open, toen die christenen getuigden dat Jezus de overweldigende Peremptoir-preparatoir-quota-allestaties„„ Wat mij echter eveneens heel erg bevreemdde, was het kerkelijk regeersysteem. Over een generale synode had ik natuurlijk al eens meer gehoord, maar de woorden „classis", „préparatoir en peremptoir examen" enz. waren geheel nieuw voor mij. Op „meerdere vergaderingen" moesten „credentiebrieven" worden getoond, werd de vergadering „wettig geconstitueerd", moest beslist worden over allerlei „quota" met of zonder „hoofdelijke omslag" meestal met veel rompslomp, over bijdragen volgens artikel zus of zo. Als evangelist en later als predikant van de hulpbehoevende kerk Denderleeuw in België kreeg ik te maken met „deputaten". Al spoedig bemerkte ik, dat dit zeer gewichtige heren waren, die je met de nodige voorzichtigheid en eerbied moest benaderen, wilde je hun gunst verwerven of behouden en niet hun kerkelijke toorn op je hals halen. Je moest geregeld rapporten schrijven over je verrichte werkzaamheden, die later besproken werden. Bij vele gelegenheden werd het er bij mij ingehamerd dat ik bij eventuele bezwaren steeds „de kerkelijke weg" moest bewandelen. Later moest ik uit allerlei gevallen die mij ter ore kwamen, vaststellen dat deze „heilige weg" ook dikwijls een „via dolorosa", een lijdensweg, is.

Als van buiten af ingekomene sta je verbaasd over de vanzelfsprekendheid, waarmee dat alles aanvaard wordt. In je onderbewustzijn rijzen dan de vragen: Is dàt nu de kerk van de reformatie, die tegenover Rome met zoveel stelligheid beweert dat ze zich alleen aan de Schrift houdt en geen binding in geweten wil opleggen en geen geboden verkondigen die niet direkt in de Bijbel aanwijsbaar zijn?

Onderwerp u aan de kerkelijke machten!

Voor mij onbegrijpelijk was de uiteenzetting van ds Joh. Jansen in ,Korte verklaring van de kerkorde", waarin hij eerst zegt: „Het gezag der Kerkorde rust op het gebod van onderwerping aan de ambtsdragers. Gelijk de kinderen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de ouders, Ef. 6: 1-3; Col. 3:20; en de onderdanen aan de overheid, Rom. 13:1-7, zo vordert de Here ook gehoorzaamheid aan de kerkelijke machten, gelijk blijkt uit Matth. 16:19; 18:8; Joh. 20:21, 23; Hand. 15:17-29; en vooral uit Hebr. 13:7 en 17. Haar gezag draagt echter geen consciëntiebindend, maar wel een kerkelijk karakter. De Here alleen kan de gewetens binden, Jac. 4 : 1 2 " (a.w. p. 8). Wat mij zo verwonderde, was dat ds J. de eis van onderwerping aan de kerkelijke machten tracht te bewijzen met dezelfde teksten, die Rome gebruikt om haar aanspraak op de onderwerping aan het onfeilbare gezag van de paus te staven. Vervolgens ook dat men de kerkleden vergelijkt met kinderen. Waar blijft dan de door de reformatie zozeer geroemde mondigheid van de leek? In de derde plaats dat er zo maar, — ik zou bijna zeggen: onbeschaamd — gesproken wordt over kerkelijke „machten", waaraan wij ons zouden moeten onderwerpen. Dit is, dacht ik, toch geheel in strijd met de geest van de Bijbel, waar de ambten in de gemeente diensten worden genoemd.

Maar vooral kon ik niet inzien, dat J. na die zware teksten te hebben aangehaald, doodleuk konkludeert: „Haar gezag draagt geen consciëntiebindend, maar wel een kerkelijk karakter". De gehoorzaamheid van de kinderen aan de ouders en van de onderdanen aan de burgerlijke overheid bindt toch immers wél in geweten. Hoe kan hij dan de vergelijking met de verhouding: kinderen-ouders en onderdanen-overheid maken, als die verhouding juist wezenlijk verschillend is. Dat doet mij denken aan dit grapje: Vraag: wat is de overeenkomst tussen Nixon en Haile Selassie? Antwoord: Ze dragen allebei een baard, behalve Nixon. Bovendien kan ik niet zo goed inzien, wat de tegenstelling is tussen „consciëntiebindend" en „kerkelijk". Het lijkt mij dat de term „onvoorwaardelijk" of „voorwaardelijk" de gewetens bindend beter zou zijn. Ook een kerkelijke bepaling raakt mijn geweten. Wanneer ik zulk een bepaling aanvaard of afwijs, moet ik in geweten verantwoord zijn.

Overeen komstig de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

Toch heb ik deze kerkelijke gewoonten van de gereformeerde gezindte geaccepteerd, omdat ik wel wist dat je eerst in bepaalde opvattingen moet ingroeien, voordat je ze volledig begrijpt en kunt beoordelen. Ik heb echter deze kerkelijke machinerie nooit als bijbels kunnen assimileren.

Daarom was ik enorm blij met het zo juist verschenen boek van ds M. R. van den Berg: „De gekerkerde kerk". Vooral deze opmerking was zeer verhelderend voor mij:

„Wat de kerkelijke organisatie zelf betreft: vergeleken met die van de roomse kerk en die van de lutherse kerken valt er duidelijk een doorbraak naar schriftuurlijke motieven te constateren. Er is echter één merkwaardig punt van overeenkomst tusen de rooms-katholieke en de gereformeerde kerkelijke organisatie. Was de roomse kerkelijke organisatie opgebouwd volgens het stramien van de Romeinse imperiale organisatie, de struktuur van de gereformeerde kerkelijke organisatie lijkt frappant veel op die van de politieke organisatie van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Blijkbaar heeft men zich wat de kerkelijke organisatie betreft in de loop der geschiedenis maar moeilijk kunnen distantiëren van wat men bij het ontwerpen ervan aan staatkundige organisatie voor ogen had. De kerkelijke organisatie volgde wat de grote lijnen van haar struktuur betreft de staatkundige organisatie. Het verbazingwekkende daarbij is echter, dat de staatkundige organisaties zich in de loop des tijds wijzigden en aanpasten, maar dat de kerkelijke organisaties een sacrosanct karakter kregen en nauwelijks voor wijzigingen in aanmerking kwamen. Het ongelooflijk feit doet zich voor, dat de gereformeerde kerken vandaag nog leven binnen de kaders van een politieke organisatiestruktuur uit de 16e eeuw, die zich op staatkundig gebied allang niet meer kon handhaven." (blz. 29-30).

Toen ik dat gelezen had, begreep ik ineens waarom de gereformeerde kerkorganisatie, ondanks al mijn pogingen om mij daar helemaal in in te leven, toch voor mijn bijbels en geestelijk gevoel altijd een „vreemd lichaam" is gebleven. Ook begreep ik toen waarom zij die daarin zijn opgegroeid, blijkbaar met het grootste gemak en vaak ook met het grootste plezier meedoen aan classicale examens, quota, deputaatschappen enz. Bepaalde leefgewoonten worden kollektief door de geslachten heen doorgegeven.

Terug naar de gemeente

Hoe komt het toch dat zoveel roomskatholieken hun kerk verlaten en zoveel priesters hun ambt neerleggen in Nederland, terwijl er maar zeer, zeer weinigen overgaan naar de reformatie? Dat is een vraag die wij niet naast ons neer mogen leggen, maar die ons steeds moet bezighouden.

Een van de redenen is zeker dat in onze kerken te veel leer naar voren wordt geschoven en te weinig het getuigenis doorklinkt van het leven dat ons in Christus wordt geschonken en dat als een blijde gave ons leven vernieuwt.

Maar een andere reden is zeker ook dat rooms-katholieken in onze kerkelijk instituten maar moeilijk de heerlijkheid van de bruid van Christus, de stralende eenvoud van de Gemeente, kunnen ontdekken. De gemeente vertoont zich veel te veel aan hen in de kleding van de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en te weinig als de „vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd", die echter vervolgd wordt door de draak en vlucht naar „de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid" (Openb. 12:1-6). Ik geloof dat onze kerken, wanneer zij ontmanteld worden, ontdaan van alle uiterlijke struktuur die niet strikt in de Bijbel is gegeven, weer opnieuw aantrekkingskracht zullen krijgen. Het eenvoudige en weerloze heeft iets onweerstaanbaars. En dat geldt heel zeker voor de gemeente, want hoe eenvoudiger zij zich vertoont in deze wereld, des te meer zal de aandacht kunnen vallen op Jezus Christus die door Zijn Geest in haar woont als in een tempel en haar vervult met Zijn glans en Zijn eeuwig, goddelijk leven. Zo wordt de gemeente waarachtig dienstmaagd des Heren en zal zij in alle nederigheid het Maria nazeggen: Mij geschiede naar Uw Woord. Mij geschiede niet naar het woord van de wereld. Dan zal ze juichen: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet" (ps. 119:105) en het Lam volgen waar Hij ook heengaat (Openb. 14:4), want dat Lam is haar lamp, haar flakkerende kaars (Openb. 21:23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

terug naar de eenvoud van de gemeente

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PDF Bekijken