In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ZAL DE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZAL DE

8 minuten leestijd

In zijn roman „De Idioot" (de titel wordt ook wel eens in een vertaling weergegeven met: „De Vorst") schrijft Dostojevsky: „De schoonheid zal de wereld redden" (p. 531). Hij gooit die uitroep ineens tussen allerlei beschrijvingen van diepe zielsverwikkelingen. Dostojevsky is daar een meester in. Hij kan de laagte en de hoogte, de heilige en de liederlijke vervoeringen, zo scherp tekenen als geen andere auteur. En dat terwijl hij toch niet platvloers of zwoel wordt, zoals sommige moderne schrijvers, die desondanks vereerd worden met de staatsprijs voor de letterkunde. Het lijkt erop dat Dostojevsky vermoeid is geworden van het adderkluwen van de menselijke driften, die hij tot dan toe in zijn roman gevolgd is. Hij voelt zich verdwaald als in een labyrint van zondige hartstochten en ziet geen uitweg meer en smeekt dan de schoonheid om als redster op te treden. Aan die krampachtige hoop op de reddende schoonheid dacht ik op die morgen in de kathedraal van Durham in Engeland.

De geschiedenis van de kathedraal van Durham, een van de grote bouwkundige monumenten van Europa, begint op het eenzame eiland Lindisfarne, bij de kust van Northumberland. Daar stierf in 687 bisschop Cuthbert, die later heilig werd verklaard. Op zijn sterfbed liet hij de monniken beloven dat zij steeds zijn lijk zouden meenemen, wanneer ze ooit van dat eiland zouden worden verdreven. Honderdachtentachtig jaar later kwam het moment dat deze belofte zich als een eis aan de monniken opdrong. De noormannen dwongen hen tot de vlucht. Acht jaar zwierven de monniken met de overblijfselen van het lichaam van Cuthbert door het noorden van Engeland, totdat zij zich vestigden in Chester-le-Street bij de rivier de Wear.

Weer honderd jaar later werden zij opnieuw verdreven en namen zij de lijkkist weer mee, totdat ze te Durham kwamen, waar, zo vertelt de legende, de kist ineens niet meer van de grond te krijgen was. Na bidden en vasten ontvingen zij een openbaring, dat inderdaad die plaats door God bestemd was als definitieve rustplaats voor het gebeente van Cuthbert. Nogmaals: aldus de legende. Daar werd in 1093 begonnen met de bouw van de huidige kathedraal, geheel in noormannenstijl, die in 1280 voltooid werd.

Wij (Serafin Lopez, voorheen lid van de congregatie van de Witte Paters, en ik) lopen vooraan in de kathedraal en ondergaan de indruk van de geweldige gewelven, de strakke sobere architectuur, een stuk ascetische schoonheid, beheerst, en toch smekend.

Van te voren werd ik al getroffen door de kloostergangen, die uitzagen op een binnenplein en tevens leidden naar een van de ingangen van de kathedraal.

Weer keerde die droom van stilte in mij terug van het vroegere klooster, maar tegelijkertijd ook de herinnering aan de mislukking: ik had het niet klaargespeeld om mijn ziel tot stilte te brengen. In mij was het altijd blijven woelen, mijn ziel was steeds onrustig gebleven, totdat ik eindelijk ver buiten het klooster de vrede vond in Jezus Christus als mijn enige en volkomen Zaligmaker, totdat ik door Hem kwam tot de stille aanbidding van Gods grootheid vanuit de tempel van mijn lichaam, waarin de Heilige Geest zich verwaardigd had woning te maken. Sindsdien wist ik dat Hij onze zwakheid te hulp komt, wanneer wij niet weten hoe en wat wij bidden moeten naar behoren en dat Hij in ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen en de bede „Abba - Vader!" uit onze harten omhoog doet murmelen.

Ineens klinkt er van ver, van achter in de kathedraal, een prachtig koor. Als slierten van wierookwolken trekt die muziek langs de wanden. We gaan op 't geluid af. En helemaal achter, in de Mariakapel, treffen we het koor aan.

Op de tenen sluipen we naderbij en gaan op een van de banken zitten. Het is een koor van ongeveer twintig mannen en vijfentwintig knapen, allen gekleed in koorhemden. Twee kanunniken hebben de leiding. Het zijn geestelijken van de anglikaanse kerk. Serafin herkent een van hen als zijn professor in de theologie.

Er zijn slechts een vijftal toeristen, die toevallig als „gemeente" dienst doen. En toch voltrekt de ceremonie zich in volmaakte ernst. Er wordt gezongen, meerstemmig en zo nu en dan een solist; er wordt gebeden, statig, monotoon en toch melodieus; er wordt geknield, gebogen en geknikt; men staat op, keert zich naar elkaar en soms in de richting van het altaar. De beide leiders, gekleed in gewijde liturgische gewaden, gaan naar voren om 'n Schriftlezing uit te spreken. Het „Te Deum" wordt uitgevoerd en een van de psalmen. Verrukkelijk om naar te luisteren.

Zal deze schoonheid de wereld redden? Nee, beslist niet. Dit is versteende schoonheid evengoed als deze oude kathedraal. Deze schoonheid zal geen mens afbrengen van de lelijke gemene zonden, waar hij zijn zinnen op had gezet.

Je kunt daar op eenzelfde manier van genieten als van de negende symfonie van Beethoven; mooie woorden en een betoverende wereld van in en over elkaar grijpende klanken. Als je eens tijd hebt, ga je voor dergelijke opvoeringen naar een concertzaal of een schouwburg. Hitier was weg van de opera's van Wagner. Wanneer ik de kathedralen zie, vooral van Frankrijk, in hun gothische, extatische schoonheid, dan kan ik daar intens van genieten. Uren kan ik daarnaar zitten kijken, erin rond lopen, almaar genietend van die eeuwige sferen.

En toch is er ook iets dat mijn genieting vergalt. Ik denk nl. aan de enorme kosten van zo'n gebouw, aan de duizenden arbeiders die daarbij waren ingeschakeld voor een hongerloontje. Men kan dat in de geschiedenisboeken naslaan, maar je kunt het ook wel op je vijf vingers uitrekenen. Zulk een werk zou nu al enorm drukken op de economie. Welke regering of welk stadsbestuur kan zo maar de miljoenen uittrekken, die nodig zouden zijn voor zulk een prestatie? Dat zou alleen maar kunnen ten koste van een enorme belastingverhoging. Terecht protesteren wij nu tegen al te dure kerken en wijzen dan op de vele hongerlijders daarginds in de ontwikkelingslanden. Maar toen waren de hongerlijders vlak bij, wonend in krotten.

Dan zie je de zonde door dat alles heen. Dan huiver je van deze tegenstelling: 'n bedehuis „tot eer van God" en ten koste van de armen, in feite tot eer van de prelaten, die zo hun naam wilden vereeuwigen. Ik zag in de kathedraal 'n troon, die bisschop Hatfield (1345-81) voor zich had laten bouwen. Het is de grootste en meest pompeuze bisschopstroon, die ooit werd gemaakt, zo vermeldt althans de Engelse folder over Durham. Ik denk aan de vele tronen en graven van de pausen, die zich toch rustig de nederigste dienaar van alle dienaren durven noemen.

Vrucht van de Geest?

Vroeger maakte het veel indruk op mij, als beweerd werd: Het protestantisme heeft weinig kuituur, althans weinig grote kunstenaars voortgebracht. Zonder het uitdrukkelijk te formuleren zagen wij daarin een van de vele bewijzen, dat het protestantisme onjuist moest zijn; aan de vruchten kent men immers de boom. Enige tijd geleden realiseerde ik mij echter ineens, dat de Bijbel nergens de kunst als een van de vruchten van de werking van de Heilige Geest aangeeft. Ik lees in Gal. 5 : 2 2 : „Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid".

Kunst en wetenschap worden dus niet vermeld als vruchten van de Heilige Geest. Daarom mogen wij ook een kerk niet beoordelen naar de mate van de kunst en de wetenschap, die zij bevorderd heeft. Aan de vruchten kent men de boom, zegt Jezus. Maar wat die vruchten zijn, waarnaar wij de goede boom moeten beoordelen, moeten wij ook van de Bijbel leren. Ik had dus gemerkt, dat ik onwillekeurig zelf de vruchten was gaan aanwijzen, die volgens mij het echte christendom zou moeten voortbrengen.

Dat wil niet zeggen, dat ik nu onverschillig ben geworden voor de uitingen van de kuituur. Nee, ik houd nog steeds van letterkunde. Ik vind het geweldig als iemand zijn diepste belevenissen kan uitstorten in de muziek, kan uitbeitelen in de steen of uitgieten in de kleuren en lijnen van een schilderij. Dat zijn produkten van de gaven die God in de natuur, in dit geval in de menselijke natuur, heeft gelegd.

Maar het gevaar is, dat wij schoonheid met goedheid gaan verwarren. Wij hullen ons dan in het kleed van de kunst en menen dan dat dat kleed alles mag bedekken, zelfs vieze godslasteringen. Maar dat is niet waar. Een godslastering blijft godslastering, ook of zelfs nog erger, wanneer die uitgesproken wordt in bijtende beeldende taal en in een vlammend ritme.

Het is alleen de gerechtigheid van Christus, die werkelijk onze ongerechtigheden bedekt. Maar die gerechtigheid van Christus kan dan ook alleen ons deel worden langs de weg van bekering en geloof. Wie niet innerlijk zich distantieert van zijn verkeerde neigingen, wie niet voortdurend verdriet heeft over de zonden in zijn leven, maar ze integendeel blijft koesteren, bezit niet het ware geloof, dat hem de gerechtigheid van Christus deelachtig maakt. Tot hem zou ik met Jakobus willen zeggen: Wat baat het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft en hij heeft de werken niet, kan dat geloof hem zalig maken? ( Jak. 2:14).

Het kleed van de gerechtigheid van Christus wordt niet eens en voor goed over ons geworpen in deze zin, dat we ons daaronder kunnen verschuilen om rustig verder te zondigen. Nee, ook de dagelijkse bekering is nodig. Dat betekent dat wij ons altijd weer opnieuw bewust moeten afkeren van de zonde, waardoor de afkeer tegen de zonde steeds meer groeit. Doen we dat niet, dan worden wij zonder dat we het zelf merken, meegesleept in een valse rust, in een dodelijke narcose. Maar vanuit die dagelijkse bekering mogen we dan ook altijd weer genieten van dat schone kleed der gerechtigheid van Jezus Christus, waarmee wij stralend voor de hemelse Vader mogen verschijnen. En de schoonheid van Christus valt samen met Zijn goedheid en heiligheid; die schoonheid is de uitstraling van het innerlijke wezen van Christus.

En eenmaal mogen we opgaan naar de zalen van de voleinding. Dan zal ook bij ons het gevaar voorbij zijn, dat wij onze zondigheid verbergen achter de schoonheid. Dan zal onze lofzang zuiver klinken voor Gods troon tot lof van het Lam, dat zich aan een bemodderd stuk hout, aan een niet eens geschaafde, laat staan gepolijste, plank liet vastnagelen om ons te redden voor de eeuwige schoonheid. ALLEEN CHRISTUS KAN DE WERELD REDDEN.


GIFT VAN N.N.

Wij ontvingen een anonieme gift van ƒ 2000,— van „Merico" te H. Langs deze weg willen wij de goede ontvangst bevestigen en tevens onze hartelijke dank uitspreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ZAL DE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's