In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

woord en wederwoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

woord en wederwoord

10 minuten leestijd

Zeer geachte ds Hegger,

Naar aanleiding van hetgeen u schrijft op blz. 9 van het juli/augustusnummer van „In de Rechte Straat" over de gedachten van Prof. Dr. J. Lever, en in het bijzonder over het kopje „Bioloog, blijf bij je microscoop" gaarne het volgende:

Aan de strekking van uw opmerkingen en aan deze ondertitel heb ik mij zeer gestoten. Naar mijn mening getuigt het gehele boekje van Prof. Lever van een worsteling van de belijdende christen, om het beeld dat de Bijbel ons geeft van de schepping en dat door „de Kerk" op verschillende wijzen wordt „verwoord", te doen aansluiten op, of te brengen in het kader van hetgeen de wetenschap in de loop der eeuwen omtrent de ouderdom van de onderdelen van het geschapene aan het licht heeft gebracht.

M.i. is het boekje van Prof. Lever een worsteling met „de Kerk" omtrent de verwoording van het scheppingsverhaal. In de kringen van de kerk wordt toch algemeen aangenomen dat de periode van de schepping volgens de bijbelse gegevens tot aan de geboorte van Jezus Christus, op rond 5000 jaar kan worden gesteld. De wetenschap heeft echter aangetoond dat men ten aanzien van het heelal moet denken in miljoenen en miljarden jaren; dat sterren zijn waargenomen die miljoenen lichtjaren nodig hebben om met hun licht onze aarde te bereiken. Onvoorstelbaar!

Dat deze christen met de hem thans ter beschikking staande gegevens, tracht een verklaring te vinden voor hetgeen God in zijn scheppingsverhaal ons heeft willen openbaren, vind ik alleszins gerechtvaardigd. Laten wij toch dankbaar zijn dat deze geleerde zich niet op het standpunt stelt: „De Bijbel vertelt ons van een schepping die 5000, 10.000 jaar geleden moet hebben plaats gehad; dit blijkt onzin te zijn. Dus voor mij heeft alles wat er verder daarin voorkomt niets geen waarde; zij heeft voor mij afgedaan"!

Dient de Kerk en vooral dienen de theologen zich niet dezelfde vragen voor te leggen als waarvoor deze bioloog zich geplaatst ziet?

Uw bezwaren tegen het boekje blijken te zijn dat „Prof. Lever met biologische argumenten probeert te komen tot filosofische of theologische conclusies". Als u deze uitspraak goed dóórdenkt, komt u dan niet vanzelf tot de typisch rooms-katholieke gedachtenwereld van de scheiding tussen leek en priester? Is niet juist de protestantse overtuiging dat wij allen zowel leek als priester zijn en dat God van ons allen vraagt om Hem te dienen en te eren? Ook de bioloog moet zijn microscoop stellen in dienst van God, die zich in de Bijbel aan ons heeft geopenbaard. U hebt niet het recht om hem dit te verbieden!

Bovendien vraag ik mij af: Zijn evolutie en schepping begrippen die elkaar bijten? Is evolutie niet een onderdeel, een aspekt, van scheppen? Moeten wij ons niet afvragen of wij het begrip „scheppen" wel verwoord hebben op de wijze als God in de Bijbel heeft bedoeld?

Hoogachtend,

Bilthoven Jhr. W. de Savornin Lohman

ONS ANTWOORD: Een groot gedeelte van mijn antwoord op deze brief heb ik neergelegd in een apart artikel nl. „Geloof en wetenschap". (Helaas was daar geen plaatsruimte meer voor in dit nummer.) Graag wil ik echter nog op een paar puntenx nader ingaan.

Jhr. de S.L. heeft, naar ik meen, toch niet goed begrepen, wat ik bedoelde met mijn oordeel: „Prof. Lever probeert met biologische argumenten te komen tot filosofische of theologische conclusies". Dat heeft totaal niets te maken met een rooms-katholieke gedachtengang of zelfs een scheiding tussen leek en priester.

Ik bedoelde daar dit mee: Elke wetenschap heeft krachtens haar eigen aard bepaalde grenzen, die zij niet kan overschrijden. Doet ze dat toch, dan vervalt zij in loze beweringen die geen waarde hebben.

Een voorbeeld: Een theoloog kan als theoloog geen zinnig woord zeggen over de samenstelling van de stoffen, over moleculen en atomen, ionen en protonen enzovoort. Doet hij dat toch, dan maakt hij zich belachelijk en terecht zal in dat geval niemand naar hem luisteren.

En van de andere kant kan een bioloog als bioloog geen zinnig woord zeggen over de verhouding van de twee naturen in Christus. Doet hij dat toch, dan maakt ook hij zich belachelijk.

In „Jong Gereformeerd" van 19 sept. 1969 gaf prof. dr. J. R. van de Fliert eigenlijk eenzelfde oordeel over het boekje van Lever, als hij schrijft: „Een eerste opmerking die ik wel moet maken, is deze dat prof. Lever, hoezeer hij ook de theologie en de filosofie buiten beschouwing heeft willen laten, dat in feite toch niet helemaal heeft gedaan" (p. 163). „Wie en wat de mens is, moet door de Ander geopenbaard worden. Wie ik, mens, ben, kan ik niet wetenschappelijk uitmaken. (...) Het eigenlijke wetenschappelijke deel van ons werk is veel kleiner dan we vaak denken" (p. 164). „Ik kan het niet anders zien dan dat een „wezen" dat bv. 5 0% mens en 5 0% dier zou moeten zijn - en dat zou moeten, als van een geleidelijke overgang tussen mens en dier gesproken zou mogen worden - wetenschappelijk en religieus een onaanvaardbare gedachtenconstructie is, waarin wij verder pogen te zien dan ons wetenschappelijk gezichtsvermogen reikt". „......want, als er een overgang is, dan kunnen wij die ons alleen maar abrupt, van het ene moment op het andere, voorstellen" (p. 165). „Maar daarom is het dan ook van groot belang telkens weer te trachten ons in ons wetenschappelijk werk van de grènzen van onze menselijke wetenschappelijke ervaring rekenschap te geven, omdat wij niet „als God" mogen zijn, al moeten wij uiteraard wel open staan voor alle nieuwe mogelijkheden die in de wetenschapsbeoefening werkelijk binnen het bereik van die wetenschappelijke ervaring komen" (p. 168).

Met opzet heb ik nogal uitvoerig geciteerd uit dit artikel van prof. v.d. Fliert, die naar zijn eigen bewering zeer sympathiek tegenover prof. Lever staat, maar toch ook tot eenzelfde konklusie is gekomen als ik ten aanzien van de grensoverschrijding van Lever als bioloog.

Nog een opmerking. Ik heb niet ontkend, dat prof. L. een belijdende christen zou kunnen zijn. Nadrukkelijk schreef ik: „Men versta mij goed. Ik wil niet beweren dat zij ongelovigen zijn. Ik matig mij geen oordeel aan over hun harten" (p. 13). Naar aanleiding daarvan kreeg ik ook een paar reakties van abonnees, die mij vroegen: Hoe kunt u nog de mogelijkheid open houden, dat deze mensen (Kuitert, Lever, Baarda c.s.) gelovigen zijn?

Ik kan zulk een vraag begrijpen, maar nog eens: ik weiger in de rechterstoel van God te gaan zitten.

Maar wel kan en moet ik kijken naar de vruch-ten, want dat heeft Jezus zelf ons geleerd: Aan de vruchten kent ge de boom. En dan moet ik soms zeggen: Dit zijn vruchten die beslist niet uit geloof kunnen voortkomen, ook al zeg ik daarmee nog niet, dat zulke mensen ook ten diepste ongelovigen zijn.

Vlucht voor de telefoon

Ik wil dit verduidelijken met één voorbeeld. In hetzelfde nummer van „Jong Gereformeerd" staat een interview van A. ter Braak met prof. Lever. Daaruit citeer ik:

„J. Lever: Ik ga graag naar de kerk.

A. ter Braak: Waarom?

J.L.: Ten eerste omdat ik niet gestoord kan worden door de telefoon, ten tweede omdat ik 't plezierig vind om daar met mijn kinderen te zitten, en ten derde omdat tk graag een preek boor, waar ik iets aan heb.

AtB: Noemt u eens een voorbeeld.

J.L.: lk vind het prettig, wanneer een preek ingaat op de gebeurtenissen in het en ons dagelijkse leven.

AtB: Zoals bijvoorbeeld Vietnam en Tsjechoslowakije?

J.L: Ja." (p. 152).

Kijk, als ik zo iets lees, dan vind ik dat verschrikkelijk. In de eerste plaats voor prof. L. zelf. Is dit nu de vrucht van het geloof? Hoe heel anders spreekt de Heidelbergse Katechismus over de redenen, waarom wij „inzonderheid op de rustdag tot de Gemeente Gods naarstig moeten komen", namelijk: „om Gods Woord te horen, de Sakramenten te gebruiken en God de Here openlijk aan te roepen".

Is dit niet een bespotting van het Woord Gods, wanneer je als reden opgeeft: Ik ga allereerst naar de kerk, waar Gods Woord verkondigd wordt, omdat ik dan niet gestoord kan worden door de telefoon? Moet de verkondiging van Gods Woord dienen om het telefoongerinkel tegen te gaan? Waarom legt L. dan niet gedurende een uur de haak naast de telefoon, als hij wat rust wil hebben? Bovendien: Is het al zover gezakt met onze betrachting van de zondagse rust, dat wij elkaar voortdurend ook op zondag opbellen?

Toch is het misschien te begrijpen, want, als L. 's zondags voornamelijk een preek de moeite waard vindt, wanneer die ingaat op aktuele gebeurtenissen zoals van Vietnam en Tsjechoslowakije, dan zoekt hij toch eigenlijk Gods Woord niet meer.

Ik weet, dat het hier gaat om een interview en niet om een uitgebalanceerd verhaal dat L. zelf heeft geschreven, maar een interview zal toch ook niet de bedoeling van de geïnterviewde totaal verkeerd mogen weergeven. En indien dat gebeurd is, dan behoort L. zelf daar nadrukkelijk tegen te protesteren in „Jong Gereformeerd" en in het dagblad „Trouw", dat juist bovenstaand stukje van het interview heeft overgenomen. En dat is niet gebeurd.

Welk een prachtige kans had L. om deze vraag te beantwoorden met een getuigenis over de heerlijkheid van het Woord Gods, dat, hoe gebrekking soms ook verkondigd, daarom zo groot is, omdat God Zelf Zich daarin tot ons richt, vermanend en vertroostend, toornend en barmhartig. In dat Woord is immers het leven en het licht en de kracht en de vrede. Waarom sprak hij niet over het samenkomen van de Gemeente Gods, die ondanks de zonden en kleinzieligheden die ons helaas aankleven, toch de openbaring is van het Volk Gods, waarmee God Zijn verbond heeft gesloten in het bloed van Zijn Zoon?

Zo jaag je de jeugd de kerk uit

In de tweede plaats vind ik deze uiting van L. zo verschrikkelijk, omdat het gepubliceerd is in „Jong Gereformeerd", orgaan van de Bond van Gereformeerde jeugdverenigingen. Zo jaag je onze jeugd toch immers uit de kerk. Ze zullen zeggen op reden 1 van Lever: „Ik heb geen last van de telefoon, dus....."; op reden 2: „Ik heb nog geen kinderen, dus..."; op reden 3: „Ik interesseer mij niet aan politiek" of: „Ik kan elders veel grondiger informatie krijgen over Vietnam en Tsjechoslowakije dan zondags in de kerk. Dus..... ga ik 's zondags maar niet naar de kerk".

Het is niet prettig zo te moeten schrijven, maar het is evenmin prettig om zulke taal te moeten beluisteren van iemand die een belijdend christen beweert te zijn. Zo iets doet je pijn en ik meen toch dat die pijn niet zo maar voortkomt uit persoonlijke gevoelens, maar omdat ik Gods Woord liefheb en het verdrietig vind, wanneer men zo schrijft over dat eeuwige, heerlijke Woord Gods, waaruit een gelovige wedergeboren werd (1 Petr. 1:23) onder de werking van Gods Heilige Geest.

Neen, deze uiting van L. is geen vrucht van geloof en ik meen in dit geval de woorden van Rom. 14:23 te moeten toepassen: „Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde". Al herhaal ik nog eens, dat ik niet over de harten van anderen wil oordelen, maar slechts over hun uitingen.

„En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij mogen onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer naarmate gij de dag ziet naderen" (Hebr. 10:24-25).

Tot slot: Wat de tijd van de schepping betreft (5000, 10.000 jaar geleden), daarover kunt u lezen in het prachtige boekje van ds Visee: „Verstaat prof. Kuitert wat hij leest?" op p. 57-58, maar over dit boekje meer in een volgend nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

woord en wederwoord

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1969

In de Rechte Straat | 32 Pagina's