VERPAKKING EN INHOUD van de bijbel
Als u het artikel „Ik beroep mij op de Schrift alleen" gelezen hebt, dan zult u kunnen begrijpen, waarom wij zo beducht zijn voor een theorie, die ook in protestantse kringen steeds meer opgeld doet, nl. de theorie dat wij onderscheid moeten maken tussen de inhoud van de Bijbel en de verpakking, waarin die inhoud vervat ligt.
Dan bestaat het levensgrote gevaar, dat wij toch weer gaan heersen over de Bijbel. Konsekwent zou dan zijn, als we een paus aanvaarden clie uitmaakt, wat de verpakking en wat de inhoud van de Bijbel is; ofwel dat we de Bijbel teleurgesteld in een hoek gooien, omdat je er eigenlijk nooit goed op aan kunt.
De Bijbel zegt bv. duidelijk dat er een eerste mens is geweest, Adam, door wie de zonde in de wereld getreden is (Rom. 5:12). Maar als dat een verpakking zou zijn geweest, die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, met welk recht kan ik dan nog vertrouwen hebben in de Schrift, wanneer die spreekt over Christus, de tweede Adam: „Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade voor alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens" (Rom. 5:18). Als de eerste Adam een verzinsel blijkt te zijn geweest, waaraan geen werkelijkheid beantwoordt, wie geeft mij dan de zekerheid dat de tweede Adam, Christus, ook niet tot de verpakking behoort, die ik als waardeloos kan weggooien? Telkens komt dezelfde kernvraag terug: Is de Bijbel onze enige norm? Of is dat de Bijbel, plus nog iets? En dat „nog iets" kan zijn:
a. een menselijk gezag buiten ons: de paus, de synode, de dominee;
b. of een gezag binnen ons, nl. ons eigen verstand met zijn redeneringen en spitsvondigheden.
En het merkwaardige is, dat dat „nog iets", dat „plus" boven de Bijbel, weldra het belangrijkste gaat worden. In de praktijk wordt het clan: De paus, de synode, de belijdenisgeschriften, de dominee, ons eigen verstand en in ondergeschiktheid daaraan: de Bijbel. De Bijbel komt dan helemaal op de tweede plaats.
Het RECHT van de sterkste
De geschiedenis van het mensdom is een aaneenrijging van onrecht, een praktische huldiging van het „recht van de sterkste".
Negatieve mythen
We denken daarbij aan het anti-semitisme. Het vreemde is, dat het hier gaat niet over een vijandschap tegen bepaalde personen, maar over groepsvooroordelen, waaraan bijna niemand ontkomt.
Zo herinner ik mij onze moraalprofessor, dr. L. Buys. Een zeer hoogstaand mens, die later ook gekozen werd als generale overste van de paters redemptoristen. Iemand die steeds ernaar streefde om in dienst te staan van de waarheid.
En toch zei hij een keer tijdens de cursus: Waarschuw de r.k. ouders ervoor om hun dochters niet als hulp in de huishouding te laten gaan bij joden. Want zij hebben een heel losse opvatting over de sexualiteit. Ze nemen er gemakkelijk een bijwijf bij. Typisch dus de negatieve mythe van „de vieze jood".
We denken aan de negers. Wat een onrecht is hen aangedaan in het verleden en hoe worden ze nog vaak verdrukt in het heden. Maar daarover leest u genoeg in de pers. Het is een gelukkig verschijnsel in onze tijd, dat men elke vorm van rassendiskriminatie wil brandmerken als onchristelijk.
Wat mij echter ook opvalt, is het recht van de sterkste in de publiciteitswereld. Wee je gebeente, als je de wereldopinie tegen je hebt. Dan kun je niets, maar dan ook niets goed meer doen. Maar ook: hoe vaak gaat die wereldopinie achteloos aan het grootste onrecht voorbij.
220.000 Indianen uitgeroeid ?
Uit Brazilië werd mij toegestuurd: „Folha de São Paulo", waarin te lezen stond: „Volgens prof. Paulo Duarte is, als gevolg van de uitroeiing van de Indianen door de blanken, het aantal van hen in Brazilië gedaald van 300.000 in 1963 naar 100.000 in 1967 en 80.000 op dit ogenblik."
Reeds eerder heeft hierover een bericht gestaan in „Le Monde".
De Tijd van 16 maart 1968 schreef onder deze kop: „Massamoorden op Indianen":
„In Brazilië is een enorm schandaal aan het licht gekomen rond de „Dienst voor de bescherming van Indianen" (SPI). Gebleken is dat deze dienst de Indianen in het Braziliaanse binnenland, in plaats van hen te beschermen, op grote schaal heeft uitgeroeid met machinegeweren, bommen en opzettelijke besmetting met pokken. Een commissie van cle regering, die de zaak heeft onderzocht, heeft thans een rapport gepubliceerd, waarin ontstellende feiten staan, die herinneringen opwekken aan de Jodenuitroeiing door het Derde Rijk.... Volgens het rapport waren de mannen van de SPI belust op cle rijke en vruchtbare grond van de Indianen. Om die te bemachtigen, roeiden zij in de staat Bahia twee Patachos-stammen uit door hen met pokken te besmetten. In Matto Grosso werden Indianenstammen gedecimeerd met explosieven, die uit vliegtuigen werden geworpen. De SPI-mannen ontzagen zich niet de mensen die zij de moderne beschaving moesten bijbrengen, te martelen, slavenarbeid te laten verrichten, of hen zonder meer met machinegeweren neer te maaien. Volgens het rapport genoten zij de bescherming van commerciële ondernemingen, die hun oog op de grond van de Indianen hadden laten vallen."
Volgens prof. Duarte lopen de hoofdschuldigen nog steeds vrij rond en ontvingen geen enkele straf. Het recht van de sterksten!
ONS recht van de sterkste
Natuurlijk zullen we deze massamoorden met verontwaardiging afwijzen. Maar laten wij ook in onszelf keren. Hoe dikwijls passen wij in ons leven niet het recht van de sterkste toe? Macht is zo verleidelijk. Geld maakt recht wat krom is. Hebben we het er niet allemaal moeilijk mee, om ongelijk te bekennen; in elk geval wanneer zulk een bekentenis geen enkel voordeel met zich meebrengt? Als er geen haan naar kraait, dan laat je een bedreven onrecht gemakkelijk zitten. Wie onder ons gaat volkomen recht door zee? Misschien willen de meesten van ons dat wel, maar ze zien het onrecht niet dat ze anderen aandoen. De vloek van de zonde is dat ze ons blind maakt voor de zonde. Wat is het een zegen, als de Here je telkens ontdekt aan je eigenlijke drijfveren, zodat je niet berusten kunt in je zelfvoldaanheid, je oneerlijkheid en allerlei andere vormen van zelfzucht.
De Heidelbergse Katechismus zegt, dat ook de allerheiligsten onder ons slechts een klein beginsel van heiligheid bezitten. Ik kan, wat mijzelf betreft, daarop alleen maar van harte, hoewel ook met droefheid, ja zeggen. En iemand die deze belijdenis wil bestrijden, kent zichzelf niet. Hij kijkt misschien alleen maar naar zijn bewuste ideeën, maar ziet niet achter de schermen van zijn onderbewustzijn.
We hebben alleen maar reden om ons altijd weer opnieuw te verootmoedigen voor de heilige God. Wij moeten nooit denken, clat wij de Heilige Geest HEBBEN. Ook al mogen we met vreugde ervan zingen, dat de Heilige Geest in ons woont, wanneer wij kind van God zijn geworden, toch blijft het ook waar, dat die Geest telkens weer over ons moet komen. Anders worden we blind, arm en naakt, terwijl we het niet eens weten (Openb. 3:17).
Gods recht van de sterkste
Handelt God ook volgens het recht van de allersterkste? Iemand die zo over God denkt, kent Hem niet. En het is te begrijpen, clat een mens, die zulk een idee van God heeft, ondanks alle vrome woorden die hij misschien gebruikt, in het diepste van zijn ziel opstandig is tegen God.
Neen, God is de sterkste in de liefde. Daarom is Hij ook heel anders dan wij.
Hij staat niet tegenover ons in de houding van: Ik ben lekker de sterkste. De God van de Bijbel openbaart Zich zo beslist niet.
Johannes zegt: God is liefde! God wil ons overwinnen door en in de barmhartige, vergevende liefde. Paulus zegt het zo scherp: „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven" (Rom. 5:8-10).
De overgave aan God die door Zijn Geest bewerkt wordt, betekent dan ook op geen enkele wijze een pijnlijk bukken voor de Sterkere, een vernederend capitulatie. In die overgave juicht de verrukking van de liefde, van de verloren zoon die zijn Vader vindt in de vergeving van de schuld. Dan schreit hij tranen van berouw, verlossende tranen, die gedroogd worden door de liefde van de Vader.
Het luistert zeer nauw
Naar aanleiding van het stukje: „Gewetenszaak" schreef A.J.V. te O.:
„ .... de mondigheid van elk kerklid. Ja, was dit maar zo! Alsof elk kerklid zich laat leiden door zijn geweten, verlicht door Gods Geest! Alsof elk kerklid het gevaar onderkent, dat men zich laat leiden door het natuurlijk verstand, door de overweging: wat is voor mij het gemakkelijkst en het prettigst?"
Dat gevaar zie ik heel goed. Arglistig is ons menselijk hart!
Maar ik zie ook een ander gevaar: Ons gebrek aan vertrouwen in de kracht van Gods Woord. Wanneer wij de uitwerking van Gods Woord niet meteen zien, clan worden we er gemakkelijk toe verleid om dat Woord te gaan stutten of te versterken met menselijk gezag, het gezag van de dominee, van de kerkeraad of de synode.
Zeker, de Bijbel zegt heel duidelijk dat er ambtsdragers moeten zijn, maar zij zijn geroepen om dienstknechten te zijn, dienaars van het Woord. Zij moeten uitsluitend de kracht van het Woord losmaken, door dat Woord doorzichtig te maken, door aan de gemeente als geheel en aan elk kerklid afzonderlijk te laten zien, wat Gods Woord in konkrete omstandigheden van ons verlangt.
Soms is dat heel duidelijk. Iemand die in echtbreuk leeft, komt heel duidelijk tegenover het zevende gebod te staan. Andere keren is dat niet zo direkt duidelijk en dan ontstaan die twee gevaren. Van de ene kant is ieder van ons dan geneigd om, als het over je eigen leven gaat, je te laten leiden door egoïsme en genotzucht en van daar uit de Bijbel te interpreteren. Van de andere kant is er het gevaar, dat de ambtsdragers van de gemeente deze onduidelijkheden gaan opvullen met hun eigen menselijk gezag.
Op grond van de redenering van A.J.V. heeft de r.k. kerk steeds het pauselijk onfeilbaar gezag verdedigd. Ik zie ook niet, hoe A.J.V. weerstand kan bieden aan de argumentatie van Rome. Wanneer je eenmaal dat beginsel van de mondigheid van elk kerklid verlaat, is de onfeilbaarheid van een paus de onvermijdelijke konsekwentie. Het luistert zeer nauw.
Ik kan dus heel goed meegaan met de bewogenheid van A.J.V. Ik deel ten volle zijn zorgen. Maar ik zou als reaktie daarop een andere weg willen gaan nl. mij met nog meer inspanning werpen op de studie van Gods Woord. Ik zou daarom mijn uiterste best doen om het Woord Gods nóg duidelijker aan de gemeente voor te houden via verkondiging of geschrift, om nóg meer dienaar cles Woords te zijn. Want elke heilbrengende kracht is ALLEEN gelegen in het Woord Gods. Elk menselijk bijmengsel, hoe goed ook bedoeld, verzwakt alleen maar het Woord dat wij brengen. De Here wil Zijn eer niet delen met mensen. Hij wil niet dat een bekering te danken zou zijn aan „uitnemendheid van woorden of wijsheid", niet aan meeslepende redenaarskunst, maar aan „betoning des geestes en der kracht" (1 Kor. 2:1, 4).
Hem alleen zij de heerlijkheid! Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
