In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Ik beroep mij op de Schrift alleen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik beroep mij op de Schrift alleen

10 minuten leestijd

Op de avond van mijn spreekbeurt in Oudewater werd mij een gestencilde brochure overhandigd, geschreven door de heer J. Joosten te Oudewater.

De titel van die brochure luidt: „Enkele bedenkingen tegen „De Rechte Straat" van ds Hegger".

Ik heb veel waardering voor dit initiatief van dhr Joosten. Het lijkt mij uitermate vruchtbaar, wanneer wij aldus met elkaar van gedachten wisselen. Juist als iets op papier wordt gezet, bestaat de mogelijkeid om er nog eens rustig over na te denken en om alles te vergelijken met wat de Bijbel ervan zegt. Bovendien kunnen op deze manier allerlei misverstanden uit de weg worden geruimd. De brochure begint aldus:

Algemene opmerkingen

Een van de grondbeginselen van het protestantisme is het recht van vrij onderzoek van de Schrift. Waarom en met welk recht bekritiseert ds Hegger dan de zienswijze die de katholieke Kerk op de Schrift heeft? Heeft die kerk dan niet evenveel recht haar mening te bepalen als die honderden protestantse kerken, genootschappen en sekten die het protestantse beginsel toepassen? Nu geeft ds Hegger een tijdschrift uit „In De Rechte Straat", waarin hij pretendeert dat zijn idees alleen zaligtnaliend zijn en praktisch het „Dogma" van het vrije onderzoek met voeten treedt ten opzichte van de katholieke kerk."

Ons antwoord:

Hier is duidelijk sprake van een, overigens begrijpelijk, misverstand, dat in heel de brochure terug is te vinden. Ook aan het slot schrijft dhr. Joosten: „De opmerkingen in deze bladzijden zijn vanzelf niet volledig, doch hebben in hoofdzaak ten doel enige van die „onfeilbare uitspraken van „In De Rechte Straat" te toetsen naar een ander gezichtspunt".

Om dat misverstand op te lossen lijkt mij noodzakelijk het verschil tussen de r.k. en de protestantse opvatting over de Bijbel weer te geven.

De reformatie zegt: De laatste en beslissende norm voor de uitleg van de Bijbel is de Bijbel zelf.

Daaruit volgt het zogenaamde beginsel van het vrije onderzoek. Dat betekent dat niemand mij een in geweten bin dende verplichting kan opleggen om zijn uitleg van de Bijbel te aanvaarden, als die in strijd is met wat ik persoonlijk meen te moeten lezen in de Bijbel. Rome zegt: De laatste en beslissende norm voor de uitleg van de Bijbel is niet de Bijbel zelf, maar de onfeilbare verklaring van de Bijbel, die door de r.k. kerk gegeven wordt en die zij in haar hoogste vorm uitoefent door middel van de ex-cathedra-uitspraken van de pausen.

Wanneer een rooms-katholiek op grond van zijn studie van de Bijbel tot de konklusie zou komen: De mis is geen „echt en waar offer" (concilie van Trente), want Jezus heeft eens en voor goed Zichzelf geofferd aan het Kruis, dan is hij toch verplicht om die verklaring van Trente aan te nemen als waar. Hij moet dan voor zichzelf de konklusie trekken, dat hij de Bijbel blijkbaar verkeerd interpreteert en zich clan maar opnieuw aan de studie begeven, totdat ook hij in de Bijbel leest, wat ook zijn eigen kerk erin leest.

Loopjongens

Dhr. Joosten zal dan de vraag stellen: Maar met welk recht beweert u dan dat uw overtuiging dat de mis geen echt en waar offer is, juist is?

Mijn antwoord: ik ben daarvan overtuigd op grond van de Bijbel zelf. En om ook u daarvan te overtuigen, verwijs ik niet naar een soort gezag, zelfs niet naar een feilbaar gezag van mijzelf. Ik heb geen enkel gezag om de Bijbel te verklaren, behalve dan als ambtsdrager van mijn kerk. Maar dat gezag betekent alleen dat ik door de gemeente, en aldus door Christus Zelf, geroepen ben om in de samenkomsten van de gemeente het Woord van God te verklaren. Dat is ten diepste echter alleen maar een kwestie van orde. Alles moet met orde geschieden, zegt de Bijbel; natuurlijk, want anders zou het een janboel worden in de kerk.

Maar — en dit is heel belangrijk — mijn preken heeft alleen dan gezag, als ik erin slaag om aan de gemeente duidelijk te maken, dat de Schrift zelf iets zegt. Alleen dan kan de gemeente mijn preek werkelijk beamen, want dan zegt ze geen amen op mijn woord, maar op Hét Woord. Dan buigt zij niet voor mij, maar voor God. Daarom vind ik de benaming van een predikant zeer juist: dienaar des Woords. Wij zijn er alleen maar om te dienen. Wij mogen knechtjes zijn van het Woord, loopjongens tussen het Woord en de gemeente. Meer niet.

De Bijbel plus iets

Wanneer een rooms-katholiek een dogma verdedigt, beroept hij zich op de Bijbel, plus nog iets anders, nl. het onfeilbaar gezag van zijn kerk om de Bijbel uit te leggen, zoals dat voornamelijk zijn hoogtepunt vindt in de uitspraken van de pausen.

Dat wil ik dus beslist NIET doen. Ik vraag dus geen aanvaarding van mijn verklaring van de Bijbel op grond van iets buiten die Bijbel, b.v. omdat ik 'n scherp verstand zou bezitten of op een of andere manier begenadigd zou zijn door God. Niets maar dan ook niets daarvan. Ik verwijs alleen naar de Bijbel.

En als iemand dan toch niet hetzelfde in de Bijbel leest als ik? Dan berust ik daar in. Dan ga ik niet die ander veroordelen of mij op een of andere manier boven hem verheffen. Dat zou hoogmoedig zijn.

Eén hartstochtelijke poging

Eigenlijk is „In De Rechte Straat" één hartstochtelijke poging om aan onze r.k. lezers duidelijk te maken, dat het Evangelie van de verlossing door Jezus Christus als enige en volkomen Zaligmaker inderdaad de verkondiging van de Bijbel is. Dat wij blijkbaar daarin toch bij vele rooms-katholieken niet slagen, komt vanwege:

a. onze beperktheid. We moeten het dan toegeven, dat we dus niet voldoende talenten van de Here ontvangen hebben om alles helder uiteen te zetten.

b. onze zondigheid. Wij kunnen ons nooit helemaal ontdoen van onszelf. In onze mondelinge of schriftelijke uiteenzettingen klinkt altijd iets van onze menselijke persoon door. Dat is van de ene kant noodzakelijk, anders zou ons blad een saaie bedoening worden, zonder leven, zonder persoonlijke kleur. Maar onvermijdelijk vermengt zich dan ook het zondige in onze artikelen, bv. in een stukje zelfbehagen, in hoogmoed die altijd door de gaten heengluurt, bv. door de kieren van een valse nederigheid, een voorgewende bescheidenheid. En dit stoot onze r.k. lezers terecht af. Ik zou daarop alleen kunnen antwoorden: Niemand van ons is volmaakt. Laten wij, zondaars, daarom geduld met elkaar hebben.

c. Het kan ook voortkomen uit de beperktheid en de gebondenheid van onze r.k. lezers zelf. Ik kon het vroeger als rooms-katholiek ook niet goed verdragen, als men de leer van mijn kerk bestreed. Dat is echter een volkomen natuurlijk iets. Dat heeft elk lid van een groep. Het is het saamhorigheidsgevoel van de groep. Je vindt dat bij allerlei gemeenschappen, vooral van levensbeschouwelijke aard.

Het saamhorigheidsgevoel is op zichzelf een waardevol iets, maar het heeft zijn grenzen. Elk lid van de gemeenschap heeft zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid. We mogen nooit zonder meer de gedachten van de groep aanvaarden, maar moeten elke opvatting persoonlijk verwerken en toetsen. Anders worden we kuddedieren, soms zelfs wrede kuddedieren.

De gemakzuchtige en de vechtjas

We weten dat het heel moeilijk is om volkomen alles zelf te verwerken. We laten ons veel liever drijven door het zg. „kudde-instinkt". Dat zie je telkens weer. Er zijn protestanten die 't voortdurend uitroepen: „De Schrift alléén", maar praktisch steunen op professor of dominee die of die. Ze vragen van de synode allerlei uitspraken over wat mag en niet mag en in de grond is dat toch eigenlijk een afschuiven van de eigen verantwoordelijkheid op de anderen, die de beslissing voor ons moeten nemen.

Daarnaast zijn er ook „betweters", die steeds tegen alles en iedereen ingaan. Ze hebben geen kudde-instinkt, of beter: ze hebben geprobeerd zich daarover heen te gooien door altijd weer „er tegen" te zijn.

Wij moeten steeds weer onszelf kontroleren en ons afvragen: Word ik misschien gedreven door de gemakkelijke weg van de minste weerstand, door het kudde-instinkt? Of ben ik het type van nooit aflatende vechtjas, die onrustig wordt als hij niets meer heeft, waartegen hij zich keren kan? Daarom moeten wij bij onze Bijbelstudie voortdurend vragen om het licht van Gods Geest, niet alleen opdat wij daardoor zien wat de Bijbel wil zeggen, maar ook opcïat de Geest ons ontclekke aan onze zondigheid, waardoor wij geremd worden en de juiste boodschap van de Bijbel niet KUNNEN (ten diepste ook: niet willen) verstaan.

Praktische konklusie

Om nog even konkreet te antwoorden op de vragen van dhr Joosten: Ik beschouw mijn idees dus op geen enkele wijze als alleen-zaligmakend. Mijn idees hebben zelfs geen enkele zaligmakende kracht. Zoals boven uiteengezet: mijn uiteenzettingen hebben alleen dan en slechts in zoverre kracht, als ze min of meer duidelijk Gods Woord weergeven. Want alleen dat Woord bezit kracht in zichzelf. En al mijn inspanningen zijn — met voorbehoud van mijn eigen zondigheid — erop gericht om slechts dat Woord te laten spreken, dienaar van dat Woord te zijn.

Op geen enkele wijze bestrijd ik het recht van de r.k. kerk en van de afzonderlijke leden van die kerk om hun eigen mening te hebben en te verkondigen. De rooms-katholieken menen dat de Bijbel aan de paus het onfeilbaar gezag geeft om de Bijbel voor iedereen, dus ook voor de protestanten, te verklaren. Wij zullen deze mening op geen enkele wijze bespottelijk maken of er ons bitter of vijandig over uitlaten. Maar wel hebben ook wij het recht om deze aanspraak op onfeilbare verklaring van de Bijbel af te wijzen. Als de r.k. kerk zich direkt of indirekt tot ons wendt met de verkondiging: „U moogt de Bijbel niet vrij onderzoeken. Onze kerk, met name de paus, heeft van Christus de opdracht en het gezag gekregen om de Bijbel onfeilbaar voor u te verklaren; u bent dus in geweten verplicht om uw eigen verklaring van de Bijbel prijs te geven, wanneer die in strijd zou zijn met de verklaringen van de paus", — dan hebben wij het recht en de plicht om te antwoorden: Maar wij kunnen onmogelijk zien dat de Bijbel zulk een recht aan de bisschoppen van Rome geeft.

De Bijbel roept ons juist voortdurend op om slechts op het gezag van die Bijbel zelf te steunen en op geen enkel menselijk gezag daarbuiten. Paulus vermaant ons met alle stelligheid om toch de vrijheid der kinderen Gods, die Jezus voor ons gekocht heeft met Zijn bloed, niet prijs te geven.

Christus alleen

Daarnaast hebben wij ook de roeping, dus een gewetensverplichting, om onze r.k. medemensen te wijzen op de heerlijkheid van Christus, die ons direkt wil leiden door Zijn Woord en Zijn Geest, zonder menselijke middelaar. Steeds weer willen wij erop wijzen, dat wij aan Jezus genoeg hebben, die „het Beeld is van de onzienlijke God, dë eerstgeborene aller kreaturen", „want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk" (Kol. 1:15; 2:9), en Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ja, ook op de aarde. Hem alleen zij de eer en de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Ik beroep mij op de Schrift alleen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968

In de Rechte Straat | 32 Pagina's