de sluizen des hemels
„U publiceerde een verslag van een watervloed in Velp en nam aan dat men het letterlijk aanvaardt, zoals het verslagen is. Daarvoor is het een verslag.
Dan haalt u Gen. 7:11 aan als een verslag over een vloed in de oudheid. Maar de opmerking die u daarbij plaatst, vind ik niet eerlijk. U hebt het over „de Schriftcritici van alle tijden", waarbij de vraag opkomt: „Wie zijn dat dan? Zijn dat al degenen die het zondvloedverhaal niet als een verslag opvatten, zoals men de watervloed van Velp verslaat?". En beweren die Schriftcritici: „Dat kán niet waar zijn, want het behoort tot Gen. 1-11"? Is daarmee hun mening eerlijk weergegeven?
Men moet dit „verslag" dus aanvaarden als „echt gebeurd"; zo is het toch met verslagen. Volgens de verslaggever zijn de fonteinen van de grote afgrond opengebroken en de sluizen des hemels geopend. De verslaggever in Velp noemt riolen en putten in de straten, waaruit het water omhoogborrelde. Die zijn aanwijsbaar. Maar die grote afgrond en die sluizen, waar zijn die? Ze zullen er toch moeten wezen, 't Is immers „waar", wat die verslaggever ons meldt?
Zo rijzen de vragen door u opgeroepen."
Roodeschool
Ons antwoord:
Ik ben collega Hamming heel dankbaar voor zijn reaktie. Daaruit blijkt dat er zo gauw misverstanden zijn. Overigens is zijn brief ook een aanvulling op mijn artikel.
In de eerste plaats wil ik erop wijzen, dat er ook in een verslag van een krant dikwijls zegswijzen voorkomen, waarvan iedereen meteen begrijpt dat we ze niet letterlijk kunnen nemen. Wanneer ik in een krant lees, dat de regen met bakken neerviel, dan weet ik heel goed dat die journalist alleen maar heeft willen uitbeelden hoe zwaar de regenval was, maar niet aan echte bakken heeft gedacht.
Zo weten wij ook, dat wij in het boek Job geen verklaring krijgen van het ontstaan van de sneeuw, als de Here zegt: „Zijt gij gekomen tot de schatkamers van de sneeuw en hebt gij de schatkamers van de hagel gezien?" (Job 28:22). Het is niet de bedoeling dat wij dan gaan geloven, dat de sneeuw ergens in grote kamers ligt opgestapeld en dat de Here die sneeuw uit die kamers haalt en ze over de aarde strooit, wanneer het sneeuwt.
Zo hoeven wij ook niet te geloven, dat er ergens boven in of achter de lucht grote kanalen vol water zijn, en dat de Here een sluiswachter is, die grote sluisdeuren openrolt, als het gaat regenen. Dat is niet de bedoeling van dat verhaal. Maar wanneer uit het verhaal zelf blijkt dat de gewijde Schrijver het letterlijk bedoelt, dan moeten wij het ook als echt gebeurd aannemen, hoe ongelooflijk het ook voor ons klinkt.
Ongelooflijk, maar waar!
En zo kom ik dan aan het eigenlijke misverstand, dat ik blijkbaar gewekt heb. Ik heb beslist niet iedereen die niet alles van Gen. 1-11 als geschiedenis meent te moeten beschouwen, willen hekelen. Het ging mij om de aanduiding van een bepaalde instelling, die ik wel veroordelenswaardig vind. Laat ik mij nader verklaren.
Hoe vaak gebeurt het niet dat wij een verhaal te horen krijgen, waarvan de verteller zelf zegt: „Ongelooflijk, maar waar". Wanneer wij dan van die verteller weten dat hij heus geen fantast is, maar een nudhter en betrouwbaar iemand, dan geloven wij hem, ook al klinkt zijn relaas nog zo onwaarschijnlijk. En als ik sommige theologen hoor over Gen. 1-11, dan kan ik mij ergeren aan het gemak, waarmee ze dan praktisch zeggen: „Ongelooflijk en dus NIET waar". Dat is toch volkomen in strijd met de eerbied die wij verschuldigd zijn aan de Bijbel, dit Boek dat God Zelf heeft willen dekken met Zijn onfeilbaar gezag.
„Als honden in elkaar gedoken"
Een voorbeeld. Het is duidelijk dat er veel overeenkomst is tussen het verhaal van de zondvloed in het Gilgamesj-epos en dat van de Bijbel. Maar het geeft m.i. blijk van een verkeerde instelling om dan maar meteen te konkluderen: Het Bijbelse verhaal is alleen maar een eigen redaktie van een stukje Babylonische overlevering. Want:
„Een voornaam verschilpunt is, dat de Babylonische voorstelling geheel en al doortrokken is van het veelgodendom. Hier en daar komt dat veelgodendom op heel grove wijze aan de dag: de goden houden gezamenlijk raad om de vloed te verwekken, maar een van hen die zonder enig merkbaar verzet aan de beraadslaging heeft deelgenomen, speelt achterna de rol van de verrader door aan de eenling die gered wordt langs een omweg daarvan mededeling te doen; als de vloed losbreekt, worden de goden zelf door schrik bevangen en heel oneerbiedig heet het in de voornaamste Babylonische zondvloedtekst, dat ze als honden in elkaar doken en wegkropen tegen de buitenwand van het hemelpaleis; bijzonder frappant is ook, dat althans de meeste goden, als het eenmaal zo ver gekomen is, spijt hebben van het genomen besluit; en als eindelijk de geredde eenling zijn offer brengt, komen de goden die zolang van offers verstoken zijn gebleven, als vliegen op dat offer aan" (Dr. G. Ch. Aalders in Korte Verklaring, p. 243).
Hoe majestueus rijst het bijbelse verhaal van de ene God hier boven uit. Hoe wondervol tekent zich daarin Gods soevereiniteit en toch ook weer Gods barmhartigheid.
Een woestijnwind?
Een ander voorbeeld. Uit het verhaal hoeft niet per se te volgen, dat heel de toenmalige wereld onder water kwam. Uit vergelijking met andere teksten van de Bijbel blijkt dat we daar ook onder kunnen verstaan: „heel de toenmaals bewoonde wereld". Zie bv. Joz. 4:24, 1 Kon. 4:34, en bv. in het Nieuwe Testament het welbekende gebod van keizer Augustus, „dat de gehele wereld beschreven zou worden" (Luk. 2:1). Het Romeinse rijk besloeg destijds wel een groot gedeelte van de wereld, maar niet alles. De zondvloed kan dus de gehele aarde hebben omvat, maar het is ook mogelijk dat het alleen de toenmaals bewoonde wereld betrof. Slechts één ding moet als vaststaand uit het verhaal worden opgemaakt: alle levende wezen, zowel mens als dier, met uitzondering dan van Noach en de zijnen en de levende wezens in de ark, alsmede vanzelfsprekend de waterdieren (zie Gen. 7:22), zijn door die watervloed gedood.
In het Zuid-Afrikaanse r.k. blad „Die Brug" las ik, dat het woord „wind" in Gen. 8:1 moet worden vertaald door „woestijnwind" en het blad besluit dan: Laat daarom de Bijbel zelf niet doorschemeren, dat het niet om de gdhele aarde ging? Want als de aarde opgedroogd zou zijn door een woestijnwind, dan moet er dus ergens een woestijn zijn geweest, die niet door de zondvloed bereikt werd. Ik ben het hebreeuws veel te weinig machtig om daarover een zelfstandig oordeel te kunnen vormen of dat woord inderdaad door woestijnwind zou moeten vertaald worden. Maar in elk geval zal ik de schrijver van dat artikel op geen enkele wijze willen veroordelen, want hij meent op grond van de Bijbel zelf tot zijn konklusie te moeten komen. Hij is dan bezig Schrift met Schrift te vergelijken.
Wonderzucht en wondervrees
Wij weten uit de middeleeuwen, dat er toen een wonderzucht bestond. De meest bizarre verhalen deden de ronde. U kunt daarvan allerlei voorbeelden vinden in de „Heerlijkheden van Maria" van Alfonsus Ligouri, bv. van een vogel die geleerd had om „ave (= wees gegroet) Maria" te zeggen. Op zekere dag stond het deurtje van zijn kooi open en hij vloog de vrijheid in. Daar kwam een roofvogel op hem af, maar de vogel piepte: „ave Maria" en op hetzelfde moment viel de roofvogel dood op de aarde.
Maar in onze tijd is er een uitgesproken wondervrees, ook onder christenen. Dat verbaast mij enigszins. Immers, wij christenen, geloven in het grootste wonder dat zich maar denken laat: Gods eigen eniggeboren Zoon, die mens werd en Zich voor ons opofferde in een verschrikkelijke dood, en dat terwijl wij God vijandig gezind waren.
Soms vraag ik mij af: Beseffen sommige christenen wel goed wat ze belijden? Dringt het wel tot hen door, als ze zinigen van God die Zijn onschuldige, Zijn geliefde Zoon liet sladrten voor ons? In vergelijking daarmee verbleken alle wonderen van de natuur. Wat is in vergelijking daarmee een wonder als de zondvloed, ook al zou die watermassa zich tot ver boven de top van de Himalaya verheven hebben? Tegenover het wonder van Golgotha kun je alleen maar klein worden en je verstand geheel en al gevangen geven aan de God van die barmhartige verrassingen.
Juist in dit verband blijkt zo sterk de waarheid van Hebr. 4:12 over het Woord Gods, dat zo diep doordringt in de ziel van de mens en alles openlegt, ook de geheimste overleggingen van het hart. Dat Woord ontdekt onszelf aan onze diepste instelling: Geloven wij werkelijk in de God van de wonderen; buigen wij ons ootmoedig voor Hem, wiens wegen onnaspeurlijk zijn; zijn wij bereid om kinderlijk de gave van Gods Zoon aan te nemen, die ons uit onze volstrekte onmacht en algeheel bederf optilt naar de hoogten van de genade Gods?
Wat zijn onze overleggingen, als wij de Bijbel overdenken? Lezer, dit is een heel ernstige vraag. Geef daar antwoord op, voordat het grote oordeel komt. Geef antwoord tegenover uzelf, maar vooral geef antwoord aan de eeuwige HEERE, uw God, antwoord in de stilte van het intense gebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
