De machten d er duisternis achter de cultus van de vrouw
Een zeer interessante beschouwing over de achtergronden van de Mariaverering trof ik aan in „Mystischer Geist oder Christus- Geist?" van Armin Hippel. Graag wil ik het voor u vertalen :
Uit de Schrift weten wij dat achter de gevaarlijke geestelijke stromingen geen ideeën staan, maar geestelijke persoonlijkheden, de machten van de duisternis. Ideeën komen en gaan, maar deze geestelijke machten blijven tot de dag van het gericht Gods. Aan: één bepaalde stroming is dat duidelijk te herkennen; ik bedoel: de geestelijke macht die zich verbergt achter de antieke vruchtbaarheidsgodin, de „Koningin van de i.emel".
Wij komen deze godin tegen in de Isiis van Egypte en in de Kanaänitische kuituurcentra, in de godsdienst van de Baal en de Ostoreth (Astarte). In Phoenicië en Kanaan was zij de godin van de liefde en de vruchtbaarheid, in Assyrië en bij de Filistijnen de godin van de oorlog. Het is bekend dat de Baals- en Astarte-dienst een ontuchtcultus was. De priesteressen deden dienst als prostituées. Door dit vergift waren de Kanaänitische volken geheel en al verziekt in de tijd omstreeks 1500 vóór Christus; zij konden niet meer gered worden, evenmin als Sodom en Gomorra en de volkeren ten tijde van de zondvloed. Daarom kreeg Israël van God de opdracht dit kankergezwel der volkeren totaal uit te roeien. Zij hebben dat echter niet gedaan en werden zelf slaven van de Baälsen Astartedienst. Tenslotte brachten zij offers aan de „Koningin des Hemels" (Jer. 7:18 en 44:17). En als gevolg daarvan mocht Jeremia niet meer voor Israël bidden, noch enige klacht over Israël uiten of voorspraak voor hen doen bij God. Het vonnis was geveld, het gericht wachtte: de Babylonische gevangenschap. (Als tegenwoordig met de zogenaamde „wraakpsalmen" wordt afgerekend, omdat ze onmogelijk in overeenstemming zouden kunnen zijn met de Geest van God, dan vragen wij ons af of ook bierachter weer niet de invloed werkzaam is van de boze geest, die zich steeds verborgen heeft achter deze „Koningin des Hemels" en achter de „Godin van de Liefde".)
Deze jA.starte-dienst/werd later door de GrieEèn .overgenomen en kwam tot hoge bloei in de Artemis-tempel te Efeze. (De Vulgaat noemt deze godin „Diana" en ook de Statenvertaling heeft nog die naam. Maar in de Griekse grondtekst staat duidelijk „Artemis". H.J.H.) In Hand. 19 kunnen we lezen hoe het volk twee uur achter elkaar bleef roepen: „Groot is de Artemis der Efeziërs!".
Nu rijst de zeer 'belangrijke vraag: Heeft de doorbraak van 'het christendom een definitief eind'e gemaakt aan deze cultus van de Astarte-Artemis- Koningin des Hemels, althans in Europa?
In het maandblad „Das Fundament", nov. 1963, stond een artikel van prof. D. O. Miehei van Tübingen, waaruit ik het volgende aanhaal:
„Juist in datzelfde Efeze is het christelijke dogma uitgeroepen, dat Maria niet slechts moeder van Jezus, maar ook moeder van God zou zijn. De sakrale formule „Voortbrengster van God" is in Efeze vastgelegd, waar de monniken met hun knuppöls een handje geholpen hebben om dat dogma erdoor te krijgen. En eeuwenlang heeft sindsdien de christelijke kerk geworsteld met het probleem, of de vrouw op een of andere wijze het goddelijke voor ons vertegenwoordigt.".
We komen hier weer tot dezelfde konklusie: De goden van de heidenen zijn niet 20 maar lege produkten van de hersenen, ideeën, maar achter hen gaat het demonische leger van de duisternis schuil. Paulus schrijft in 1 Kor. 10:20: „Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij de duivelen offeren en niet Goide; en ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap 'hebt".
De vorst der duisternis hult zijn boze geesten in een kleed, dat aangepast is aan de massa van elke tijd: 'bv. de Kanaanitische Astarte-cultus, de hellenistische Artemis-dienst of de christelijke Mariaverering. In de grond van de zaak is het dezelfde duistere madit; slechts het kleed waarin zij verschijnt is verschillend.
In dit verband het volgende. Dr. K. Burkhardt schreef in „Licht und Leben", nov. 1962, p. 176: „Joannes XXIII heeft als datum voor de feestelijke opening van het concilie de 11e november vastgesteld, omdat hij daarmee het concilie van Efeze in herinnering heeft willen roepen, dat in de geschiedenis van de r.k. kerk zulk een belangrijke rol heeft gespeeld. Het concilie van Efeze! „Maak Maria tooh niet tot godin", zo heeft destijds bisschop Nestorius aan Cyrillus van Alexandrië toegeroepen. Tevergeefs. Met zijn monniken'bende heeft Cyrillus het dogma doorgedreven, waarom dit concilie bij de onbevangen geschiedschrijvers dan ook bekend staat als de „roverssynode".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1968
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
