In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

in gesprek met pater Rademaker (vervolg)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

in gesprek met pater Rademaker (vervolg)

11 minuten leestijd

Vraag 2 (Ds H. J. Hegger): „Pater Rademaker, hoe ziet u de bekering? Iets minder blij was ik met uw uiteenzetting in het Bazuin-artikel, waarin u schreef dat u met uw Bijbelretraites zoals u die voorstaat een „bekering" tot de Bijbel wilt bewerken, een bekering die in twee hoofdtrekken valt samen te varten, nl. een volledig zich toevertrouwen aan het Wóórd des Heren dat eeuwig doet leven en vooral het zich in gelijke mate toevertrouwen aan het Brood en de Beker des Heren die ons eeuwig doen leven."

Volgens ons bestaat de eerste bekering uit het besef en de erkenning van onze volstrekte verlorenheid voor God. De Bijbel noemt dat de verbrokenheid des harren of de verbrijzeling van de geest. Wanneer Gods Geest ons tot dit zondebesef heeft gebracht, geven wij alle opstandigheid op, zoeken geen uitvluchten meer om onze zonden goed te praten, maar staan voor Hem, stil, gelaten, verlegen, beschaamd. Innerlijk is er dan alleen maar het schreien om onze schuld voor Zijn heilig aanschijn, een harde zelfaanklacht.

De bekering heeft als tweede element het geloof in Jezus Christus, de gelovige overgave aan Hem op Wie ik verder al mijn verwachtingen bouw. Jezus is dan mijn Borg, mijn Toeverlaat, mijn Middelaar, mijn enige troost in leven en sterven. Daarom heb ik dan geloofszekerheid van mijn eeuwig behoud, want ik weet, dar voortaan de Vader mij enkel aanziet in Zijn Zoon, Jezus Christus. Deze heilszekerheid vermindert dan ook naarmate ik toch nog enigszins op mijn brave leven, op mijn goede werken, zou gaan steunen, en naarmate ik minder leef vanuit het gelovige vertrouwen in het volbrachte verlossingswerk van Christus.

Als derde wezenlijke element van de bekering zien wij het verlangen om Gods geboden zo good mogelijk re volbrengen en een leven te leiden van zichzelfvergetende liefde, in bereidheid tot het offer. Wij mencn dat een geloof niet waaraohtig, niet levend, kan zijn•, wanneer het niet uitbloeit in dit leven der dankbaarheid, van de vruchtdragende liefde. Daarnaast is er dan nog de dagelijkse bekering, die bestaat in de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens (Heid. Cat. zd. 33). Wat is uw visie daarop?

Antwoord (pater Ben Rademaker C.ss.R.): „Mijn eerste antwoord hierop is een diepe zucht, als ik al die onderscheiden „bekeringen" onder elkaar zie staan. Ik wil daarmee niet zeggen, dat de genoemde onderscheidingen niet te maken zijn en dat zij niet teruggaan tot Gods Woord in de Bijbel. Alleen die „dagelijkse bekering" - hoe bijbels die ook geduid kan worden - zou ik als een breinbrouwsel van krampachtige asceten uit voorbije tijden van de hand willen wijzen en ik wil ook direct aangeven waaróm. Als men ons met „dagelijkse bekeringen" gaat kwellen - en dar doen de asceteru -, dan kom je direct terecht - het gevaar is tenminste zeer groot - in de kramphouding van de „eigen werken" Stel je voor bovendien, dat je iedere dag aan je bekering moet denken! Hoe kunstmatig en al te menselijk is dat! Ik ben daar bizonder beducht voor, en wel uit persoonlijke ervaring, dar eendags-technieken menselijk onuirvoerbaar zijn. Zij zijn met de pijp in de mond uitgedacht en zo eng als de kloosterkamer, waarin zij geformuleerd werden. Zij beantwoorden dan ook helemaal niet aan de ruimte, de tijdloze ruimte, die men in de Bijbel overal aantreft, ook op het punt van bekering. Tijdnood kent de Bijbel niet en als ik de Bijbel goed lees, dan toont zij nog het minst tijdncod, waar het gaat om ons aller bekering. Mag ik hier venellen, hoe hct míj gegaan is, toen ik van de vele bekeringen tot de ene bekering kwam, waartoe ik mij door de Bijbel meende te horen oproepen? Bij Abraham, die de Vader is van allen die geloven (Rom. 4: 11), vernam ik, dat de bekering die van ons gevraagd wordt, het geloof is. Ook vernam ik, dat dit geloof een volledige ontworreling inhoudt, een ontworteling die bestaat in het loslaten van iedere menselijke zekerheid. Lees hierover bv. Genesis 12:1-3, 15:1-6 en het weergaloos mooie hoofdstuk 22. De zin van deze ontworteling, van dit volledig vaarwel zeggen aan iedere mensefijke zekerheid is, dar je gaat wonen, je heel en al vestigt irt de zekerheid Gods, in God die je tot zegen wil zijn, en die daar zijn hand voor heeft opgestoken door het uitspreken van een „eeuwige" Belofte en het aangaan van een „eeuwig" Verbond.

In de geschiedenis van Israël las ik de heilsboodschap, dat de bekering die God van ons verlangt, bestaat in het „luisteren" naar Gods Woord en in de „gehoorzaamheid" aan zijn Wet. Woord en Wet en ook de geboden waar zo vaak sprake van is, zijn aan elkaar verwant en in hun diepste betekenis synoniem, zoals uit Jesaja 2:3, laatste zinnen, mag blijken. De Wet en de geboden worden ongetwijfeld te eng geduid, als wij ze primair zouden verstaan als voorschrifren, die wij te vervullen hebben om Gods genade waardig te zijn, deze te „verdienen". lk meen in de geest van de Bijbel re spreken, als ik ook de Wet en de geboden allereerst zie als het Woord Gods - de woorden Gods - die ons het Koninkrijk Gods niet alleen openbaren maar ook brengen als een gave om niet vanuit Gods eeuwige Trouw. En dan mogen wij ook op de Wet en de geboden toepassen, wat in Jesaja 55:2 geschreven staar: „Luistert naar Mij, dan ect gij het goede, en uw ziel zal in overvloed zwelgen", en wat in vers 11 gezegd wordt: „Niet ledig keert het (Woord) tot Mij terug, maar wat Mij behaagt ricin het uit, het volbrengt waartoe Ik het zond". (vert. Spectrumbijbel). Zo gezien - en ik kan de Bijbel niet anders verstaan - zijn ook de Wet en de geboden woorden Gods die het leven meer géven dan dat zij de gelovige aanvaarding ervan eisen. De kern van de bekering is bij Israël daarom niet de Wetsbeleving als menselijke Wetsvervulling, maar net als bij de Aartsvaders gaat het om een totale ontworteling aan menselijke zekerheden - ook de „zekerheid" van de zelf volbrachte Wet en geboden! - om slechts zekerheid te zoeken in de door Woord en Wet ge•boden en geschonken nabijheid Gods, die ons onverdiend redt. Die bekerinog vind ik prachtig getekend in Jesaja 55 :2: „Waarom weegt gij uw zilver voor iets wat geen brood is, en uw zwaarverdiend geld voor wat niet verzadigt? Luistert naar Míj!" (Spectrum vert.)

In het Nieuwe Testament komt het begrip van wat „bekering" is tot zijn volle ontplooiïng. „Bekeert u" - zo lezen wij bij Mattheüs 3:2 en 4:17 - „want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (vert. Ned. Bijbel Gen.). Ik vind deze tekst daarom zo kostbaar, omdat zij zo duidelijk stelt, waartóe wij ons moeten bekeren - waar het bij de bekering om gáát: het volledig je heenwenden tot en het volmaakt je overgeven aan het Koninkrijk Gods, wat inhoudt, dat je je afwendt van al het andere. Het is een dubbele bekering. Als gelovige, die geen andere zekerheid kent en érkent dan de zekerheid die uit God is, vraagt de Bergrede ieder van ons om een volledige toewijding en overgave aan God én een niet minder volledige toewijding ann elkander. Deze tweevoudige en tegelijk „ene" bekering is duidelijk voor ieder die weet, dat wij ons bekeren moeten tot het Koninkrijk Gods, dat hierin bestaat, dat God tot ons aller zegen voor eeuwig „Alles in allen wil zijn" (l.c.). Een bekering tot God in de zin van een volledige overgave is daarom ondenkbaar zonder eenzelfde bekering tot de naaste. Voor dít Koninkrijk Gods moeten wij álles over hebben : vervolging, lijden en dood. Wij moeten er alles voor verkopen, zoals de parabels van de schat in de akker en van de kostbare parel ons duidelijk maken (Matth. 13:44-46). De bekering is dus de gehoorzaamheid des geloofs of kortweg het geloof ten voeten uit.

Ik zou, aanhakend op wat Ds Hegger in vraag 1 stelde, hier nag aan toe willen voegen, dar heel deze bekering als geloof ons wordt toegereikt door de gerechtigheid van Christus, die „gehoorzaam" was tot de dood (Phil. 2:8). Wij bekeren ons dan ook rot Hém. En wij mogen de zekerheid hebben, dar Hij het is, die in opdracht van de Vader en gestuwd door de kracht van Diens Geest ons geloof als bekering en onze bekering als geloof niet alleen zal grondvesten maar ook zal voltooien (Hebr. 12:2).

Op één punt meen ik nog nader in te moeten gaan, nl. op de samenhang van bekering en zonde-besef. Van een „volsrrekte verlorenheid voor God" durf ík niet te spreken, of het zou moeten zijn in de zin van volstrekte onwaardigheid ten aanzien van God. Ik geloof, dat de Schrift ons niet anders kent dan als zondaars, maar dan als om niet begenádigde zondaars. Hoe hoopvol de Bijbel ons herinnert aan het feit, dat wij begenadigde zondaars zijn mag blijken uit Jesaja 53, dat handelt over Christus als de lijdende Godsknecht, die niet al onze zonden beladen de dood inging om ze teniet te doen. Sint Paulus slunit daar bizonder krachtig bij aan door in 1 Korintiërs vers 21 te zeggen: „Hem, die geen zonde heeft gekcnd, heeft Hij (de Vader) voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij in Hem zouden worden: gerechtigheid Gods". (Spectr. vert.) Vergeef mij , als ik u vooral attent maak op de twee laatste woorden. Dar wij als zondaars tot „gerechrigheid Gods" worden, is heel en al het werk van God, die ons deze „bekering", dit „geloof" in Christus Jezus toercikt en schenkt als een genade, vanuit Zijn genadige Trouw. Of God daarbij gesteld is op „harde zelfaanklacht" van onze zi jde kan ik nauwelijks geloven. Hij zal er wellicht wél oor voor hebben, al ligt het volgens mij meer in de lijn van Gods zelfopenbaring in de Schrift, waarin de genadegave als veel overvloediger wordt getekend dan de val (Rom. 5:15 ), dar God harde zelfaanklachten zal beschouwen als menselijke gebrekkigheden des geloofs, die uitgezuiverd moeten worden, wil ons geloof en willen wij als bekeerden, die zich van alles afwenden om zich tot God te wenden, tot volwassenheid komen. Daarom gaat in de Bijbel de deemoed altijd samen met het ventrouwen. En wilt u weten, hoe volwassen zondaars bidden en hoe vredig zij dat doen - zonder ook maar iets van hun zondigheid en die van hun volk te verdoezelen - bidt dan psalm 130, waarmee wij vanuit de „diepten" van onze zondigheid mogen bidden, dar bij de Heer „overvloed van verlossing" is.

Ons kommentaar

Ik dacht dar we dar heel kort zouden moeten maken. Het is duidelijk dar pater R. de term „dagelijkse" bekering niet goed heeft begrepen. Dar is hem niet kwalijk te nemen. Het is voor protestanten ook heel moeilijk om b.v. te begrijpen war rooms-katholieken bedoelen met „dagelijkse" zonde.

Natuurlijk bedoelen wij met „dagelijkse" bekering niet een bekering die we elke dag opnieuw moeten beginnen. We bedoelen daarmee een proces dar zich heel ons leven lang doorzet. En zulk een bekering moet zich voltrekken, niet door een ascetische bestrijding van de zonde, maar door de omvorming naar het beeld van Christus, een omvorming die slechts kan geschieden onder de beademing van Gods Geest.

Wat betrefr „de harde zelfaanklacht", deze is volgens mij helaas gebaseerd op de harde werkelijkheid. En het is merkwaardig dat een moderne humanist, zoals dr. F. Sierskma, tot dezelfde zakelijke konklusie komt als de Bijbel.

In DNL van 9 maart schreef hij:, „Zijn (= prof. Tinbergen) helaas verouderd humanisrne gaat er nog steeds van uit, dar de mens eigenlijk goed is. De mens is niet goed. Uitzonderingen daargelaren, waartoe de ondergetekende zichzelf niet rekent, is de mens een meer of minder verfijnde bruut, voor wie de begrippen veranrwoordelijkheidsgcvoel, medeleven en medelijden misschien met solidarireit vertaald kunnen worden, als hem hardhandig aan het verstand gebrachr wordt, dar zijn eigen belang ermee gemoeid is." Sierksma zal dir natuurlijk geen zonde noemen, maar een biologisch defekt van de mens. Uit Gods Woord weren wij echter dar dit hot gevolg is van de vloek die op ons mensengeslacht rust. Daarom past ons de ootmoed, d.w.z. het erkennen van de werkelijkheid. En God die allereerst de waarheid wil, wil ook dat wij die harde werkelijkheid erkennen in de harde zelfaanklacht,- al weten wij inJ ezus Christus dar Hij de berouwvolle verloren zoon met uitgebreide Vaderarmen wil ontvangen.

Lezers, die er behoefte aan voelen, kunnen verder rechrstreeks met pater Rademaker hierover corresponderen. Zijn adres: L. Lombardsrtaat 35, Den Haag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1968

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

in gesprek met pater Rademaker (vervolg)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1968

In de Rechte Straat | 32 Pagina's