Gij zijt Petros
vervolg van intermezzo
Pater Schoffelmeer:
„Het gedeelte van uw uiteenzetting, dat ik met instemming heb gelezen, is te vinden op de pag. 6 en 7. Ik ben het althans geheel met u eens, dat een uiterlijke kennis van het Koninkrijk niet voldoende is, er wordt ook van ons een persoonlijke kennis van Jezus en de Vader gevraagd. Wat u en ik kunnen doen is alleen die uitwendige kennis bijbrengen. Ook Petrus kan niet meer dan dat.
Nu kan men echter de vraag stellen, of de (uitwendige) kennis van Petrus groter was dan van anderen. U meent, dat in de woorden betreffende de sleutelmacht aan Petrus kennis beloofd wordt.
Nu zou ik hier veronderstellingen kunnen gaan maken over de wijze waarop u zich die kennis voorstelt en dan elk van die veronderstellingen gaan bespreken. Dit zou echter onnodig plaatsruimte in uw blad innemen. Mag ik u daarom enkele vragen stellen? Dan kan ik naar gelang het antwoord daarop de volgende maal ingaan.
Was de aan Petrus gegeven kennis een bijzondere? Zo ja, wat hield die in? Zo nee, waarom zegt Jezus haar dan hier speciaal aan Petrus toe? Zoals u ziet hebben deze vragen alleen zin wanneer niet wordt aangenomen, dat Christus zich met deze woorden tot alle mensen richt. Ik meen echter reeds duidelijk te hebben aangetoond, dat hier alleen deze ene apostel wordt aangesproken.
Naar ik meen is de vraag naar de kennis van Petrus een belangrijk kernpunt van heel onze gedachtenwisseling. Het leek me beter me daartoe te beperken, reden waarom ik voorlopig tenminste niet inga op andere kwesties, die door uw uiteenzetting worden opgeworpen. Mag ik met name nog wat wachten met het beantwoorden van de vraag, die u op blz. 5 gesteld hebt over de aard van de analogie, die er bestaat tussen de sleutelmacht van Jezus en van Petrus?"
ONS ANTWOORD:
Kennis van de heilsfeiten
De kennis, die aan Petrus (en aan de andere apostelen) wordt beloofd, is allereerst de kennis omtrent de heilsfeiten en vervolgens de wetenschap, hoe ze die feiten moeten interpreteren. Die feiten zijn: het leven, de dood, begrafenis en opstanding van Christus.
De apostelen zullen straks geen abstrakte leer moeten verkondigen, maar feiten, heilsfeiten. Daarom zegt Jezus ook tegen hen: „Gij zult mijn getuigen zijn" (Hand. 1:8). Het eigenlijke van het apostelschap van de Twaalf bestaat dan ook in het getuigen zijn van Christus' leven, dood en opstanding (Hand. 1:2122). En het is dan ook in die zin, dat de Twaalf het fundament van de kerk worden genoemd (Openb. 21:14 en Ef. 2:20).
Petrus een eerste getuige
Zoals wij reeds eerder gezegd hebben, was Petrus bestemd om in meerdere betekenissen de eerste getuige van Christus te worden. Aan hem zou Christus als eerste verschijnen na Zijn opstanding (1 Kor. 15:5); Petrus is ook als eerste getuige opgetreden na de pinksterdag; hij was ook bestemd om naar Samaria en naar Caesarea te gaan en om aldus de eerste apostel-getuige van Christus te worden voor de Samaritanen en de heidenen.
Petrus zou ook een eerste worden in de interpretatie van die heilsfeiten. Juist hij was zo diep gevallen door de verloochening. En juist hij kon getuigen dat de dood en de opstanding van Christus alles betekenen voor ons heil, voor de vergeving van alle zonden, hoe verschrikkelijk die ook mochten zijn geweest. Daarom kon Jezus ook tot hem zeggen: „En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broeders" (Luk. 22:32).
Onjuiste konklusie
Maar dit alles betekent nog geen gezag van Petrus over de andere apostelen. Dat is een konklusie, die men hieruit niet kan trekken.
En vervolgens kan men hieruit ook niet konkluderen, dat Petrus en de apostelen opvolgers zouden hebben. Men zal er integendeel uit moeten konkluderen, dat ze geen opvolgers kunnen hebben. Want degenen die in de latere eeuwen leven, kunnen niet voldoen aan de wezenlijke voorwaarde van het apostelschap van de Twaalf, nl. door Christus aangewezen getuige te zijn van zijn leven, dood en opstanding.
Petrus monument van de genade
Ik zei, dat de kennis, waarover Petrus en de andere apostelen zullen beschikken, bestaat in de kennis van de heilsfeiten, maar ook in de wetenschap hoe ze die heilsfeiten moeten interpreteren. Dat laatste zullen ze krijgen, wanneer de H. Geest over hen komt op de pinksterdag. Dan is alle aardse interpretatie van het Koninkrijk Gods en van Christus als een politieke messias voorbij. Dan hebben ze door de Geest Gods geleerd de dingen des Geestes te verstaan.
Getuigen met kracht
Ik zou er nog aan willen; toevoegen, dat ze dan ook de kracht tot het getuigenis ontvangen.
Zulk een krachtig getuigenis van de heilsfeiten en de ware betekenis daarvan zal de sleutel zijn, waarmee ze het Koninkrijk Gods kunnen openen of sluiten.
Aan ons, die „door hun woord in Jezus geloven" (Joh. 17:20), worden ook deze sleutels van het Koninkrijk gegeven, maar toch weer in andere zin. Immers ons getuigenis steunt op het getuigenis van de door Christus aangestelde oor- en joggetuigen, de Twaalf, de fundamenten van de Kerk.
Pater Schoffelmeer:
„Waarop ik echter nog wel even wil ingaan is uw bewering op blz. 8, dat mijn redenering onbewezen stellingen bevat, althans ÉÉn. Dat is niets bijzonders. Vrijwel elke redenering bevat die, al of niet uitgesproken. Zo b.v. ook uw edenering op pag. 12, waar u verklaart, dat de H. Geest zich zelf heeft gebonden aan het Woord Gods. Het feit echter, dat dit nog bewezen moet worden, is iroor mij geen reden tot ho-ho-geroep. Want als alle stellingen in een uiteenzetting bewezen waren, zou er nooit een diskussie ontstaan; men zou, daar illes toch al bewezen was, alleen maar kunnen beamen wat een ander zegt. Van :ne wederwoord was dan nooit sprake.
Het is mij echter slechts te doen om een voorbeeld, daarom heb ik uw uitspraak, dat de H. Geest zich zelf heeft gebonden aan het Woord Gods, aangehaald. Het LS mij niet te doen om een nadere verklaring van die stelling uit te lokken. Deze stelling moet nl. dienen om mijn konklusie te ontzenuwen, die luidde, dat gezien 1 Joh. 2:24: „Wat u betreft, hetgeen gij vanaf het begin gehoord hebt, dat moet in u blijven", er geen reden is om aan te nemen, dat een absoluut bindend leergezag in strijd is met de andere tekst uit dezelfde brief „Zoals zijn zalving u in alles onderricht, zo is het waar" (2:27). U valt alleen mijn konklusie aan en wel door daar een andere redenering tegenover te stellen; u laat echter niet zien, dat mijn uitgangspunt (1 Joh. 2:24) of de daarop gebouwde redenering verkeerd is. Zo loopt onze gedachtenwisseling gevaar te ontaarden in iets, waartegen zowel van protestantse zijde (Karl Barth) als van katholieke (Hans Küng) gewaarschuwd is, nl. in twee min of meer parallel lopende monologen. Ik hoop, dat dit gevaar nog tijdig bezworen kan worden.
Ik zal voor wat betreft mijn weerlegging van 1 Joh. 2:27 vasthouden aan het reeds eerder ingenomen standpunt totdat de door mij gegeven redenering zelf wordt aangetast, en wel rechtstreeks".
ONS ANTWOORD:
Ik heb toch de indruk, dat u mijn antwoord in het meinummer niet goed begrepen hebt. Dat zal dan wel aan mij liggen, omdat ik mij niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt. Ik zal het nog eens proberen:
In 1 Joh. 2:24 gaat het over „WAT gij van het begin gehoord hebt......". Dat is dus het Woord Gods. Daaraan zijn de gelovigen gebonden, evenals de H. Geest Zichzelf heeft gebonden aan dat Woord (Joh. 16:12-15).
In 1 Joh. 2:27 gaat het om de vraag: WIE moet de verklaring geven van dat Woord?
En dan zegt Johannes eerst, dat de H. Geest door Zijn zalving hen zal onderrichten in Gods woord. En hij voegt er dan aan toe, dat zij dus „niet nodig hebben dat iemand hen onderricht". Met die „iemand" moet dan wel bedoeld zijn: iemand anders dan de H. Geest, dus: andere mensen.
Elders in de Bijbel lezen we dan toch weer, dat bepaalde mensen in de gemeente moeten worden aangesteld om onderricht te geven in Gods Woord. Ik meen dat we dat dan zo moeten verklaren: Die verklaringen van Gods Woord door de daartoe aangestelde dienaren des Woords zijn op zichzelf nooit in geweten bindend. Zij zijn slechts bindend voorzover ze in overeenstemming zijn met Gods Woord. En de individuele gelovige is dus geroepen om steeds de verkla ringen van Gods Woord, die door andere mensen gegeven worden, te toetsen aan dat Woord Gods vanuit het onderricht dat de Geest hem geeft door Zijn zalving.
(Wordt vervolgd)
Geen persoonlijke tegenstanders
Sommige lezers zullen zich misschien nog herinneren, dat het in de diskussie met pater Schoffelmeer aanvankelijk nog al heet toeging. Althans, zo leek het. Men zie hiervoor ons meinummer p. 9—11.
We hebben toen gemeend te moeten schrijven, dat we de indruk kregen, dat pater S. niet voldoende zakelijk was ingesteld en ons een beetje behandelde alsof wij persoonlijke tegenstanders zouden zijn. We spraken echter tevens de hoop uit, dat wij ons in die indruk zouden vergissen.
En inderdaad, niet lang na het verschijnen van ons meinummer ontvingen wij een brief van pater S., waardoor deze indruk volkomen werd weggenomen. Trouwens, ieder die daarna onze gedachtenwisseling heeft gevolgd, zal vanzelf wel bemerkt hebben, dat wij gelovig willen luisteren naar Gods Woord en daarover met elkaar rustig van gedachten wisselen.
Wij waren van plan om die brief van pater S. in zijn geheel op te nemen, maar door een abuis van ons is dat achterwege gebleven. Toch meenden we, om eventueel nog bestaande bevreemding bij sommige lezers weg te nemen, deze brief niet onvermeld te laten, ook al is daar nu een hele tijd over heen gegaan, sinds hij geschreven werd.
Eindelijk
Tot onze grote vreugde hebben de r.k. bisschoppen van Nederland eindelijk gewaarschuwd tegen de vrijzinnigheid, die steeds verder aan het doorvreten was in prediking en geschriften van vele Nederlandse priesters. Zij hebben de oude geloofswaarheden opnieuw bevestigd zoals: „Jezus Christus, God uit God, is om ons heil mens geworden"; „Hij is zonder toedoen van een man geboren uit de maagd Maria"; De opstanding en het eeuwige leven „is meer dan het voortleven in de gedachten-s van de nabestaanden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
