Gij zijt Petros
(INTERMEZZO)
Van pater Schoffelmeer te Paramaribo ontvingen wij een brief, waarin hij bezwaren maakte tegen het artikel uit deze serie, dat wij in het februarinummer hadden gepubliceerd. Daar dit echter een eenheid vormt met het daarop volgende artikel in ons maartnummer, heb ik per luchtpost dit nummer naar pater Schoffelmeer opgezonden, met het verzoek om ook het maartnummer-artikel in zijn kritiek te betrekken. Daarop ontvingen wij dan onderstaand schrijven, dat wij gedeelte voor gedeelte zullen beantwoorden.
Wat betekent „sleutel"?
„In uw nummer van februari tracht u een uitleg te geven van de tekst: En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen". Ofschoon ik ook bezwaren heb tegen uw vorige artikelen over Petrus, meen ik dat u, hier méér nog dan daar, duidelijk gefaald hebt.
U tracht nl. het begrip „sleutels" nader te bepalen aan de hand van Luk. 11:52.„Sleutels", als beeld, is wat vaag en vraagt uiteraard om een nadere verklaring. In Luk. 11:52 wordt die gegeven door de nadere bepaling „der kennis". In Matt.16:19 evenwel door „der hemelen".
Dat is zeer eenvoudig. U meent ten onrechte, dat we zouden moeten lezen: de sleutels van de kennis van het Koninkrijk der hemelen.
Het antwoord daarop is, dat Jezus dat niet gezegd heeft en dit er ook niet moet worden bijgedacht. Dat zou hoogstens kunnen, wanneer „sleutel" in de Bijbel enkei werd gebruikt in verband met kennis. Maar dat dit niet zo is, blijkt duidelijk uit een tekst in Openb. 3:7: „Zo spreekt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van Davi'd heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent", waarmee Matt. 16:19 bij onbevangen lezing duidelijk en sterk verwantschap heeft.
We zijn hiermede in een grote groep van teksten, als lk ben het Licht der we reld" en „Gij zijt het licht der wereld" waarin wat van Christus wordt uitgezegd, ook op gelovigen wordt toegepast. Ik moge daarvoor vast uw aandacht vragen bij een eventuele bespreking van de tekst van Joh. „Weid mijn lammeren, weid mijn schapen".
De konklusie van dit alles is, dat Matt. 16:19 maar één betekenis toelaat, naar analogie van Openb. 3:7, nl. het verlenen van een volmacht aan Petrus om het Koninkrijk der hemelen te openen of te sluiten".
ONS ANTWOOKD:
Terloops een vraag:
Pater Schoffelmeer spreekt over een grote groep teksten, waarin wat van Christus wordt gezegd, ook op de gelovigen wordt toegepast. Inderdaad bestaan die teksten.
Maar wanneer wij die teksten ontleden dan zullen wij steeds bemerken, dat de betrekking tot Christus daarbij van wezenlijke betekenis is.
Zeker wij, de discipelen van Christus, zijn het licht der wereld, maar slechts in zoverre wij getuigen van dat éna Licht der wereld, Jezus Chrstus, en we worden opgeroepen om in ons leven iets van de heerlijkheid van Christus te weerspiegelen. In onszelf zijn wij slechts duisternis, die echter lichtende sterren worden doordat wij langs de weg van het geloof het Licht van Christus opvangen en weerkaatsen in deze duistere wereld.
Zo zijn ook wij heilig, maar slechts doordat wij langs de weg van het geloof deelhebben aan de heiligheid van Christus. En wat onze eigen heiligheid betrefe. ze is slechts waarachtig in zoverre ze voortkomt uit de inwoning van de Heilige Geest in ons. Alleen in zoverre Hij onze goede daden inspireert, zijn ze werkelijk goed; inzoverre ze echter medegeïpireerd worden door onze eigen natuurlijke krachten zijn ze slecht. Zo kunnen we verstaan, dat Jezus tot zijn wedergeboren discipelen zonder meer zegt: .,Indien dan gij die slecht zijt ....' (Luk. 11:13).
Maar nu dan deze terloopse vraag: Waarom treffen we dan binnen „deze grote groep van teksten" nooit een tekst aan, waarin Christus tot zijn discipelen, zelfs niet tot zijn apostelen, zegt: Ik ben (Hoge-)priester en gij zult mijn priesters zijn"? Volgens de r.k. leer is dit toch een fundamentele waarheid, omdat immers de genade, aldus Rome, wordt overgeleverd langs de weg van het sakramenteel priesterschap van de r.k. kerk, hetzij direkt, hetzij indirekt.
Analogie
Het verwondert mij een beetje, dat pater Schoffelmeer zo met nadruk zegt, dat Openb. 3:7 bij onbevangen lezing duidelijk een sterke verwantschap heeft met Matth. 16:19". Hij suggereert daarmee enigszins, dacht ik, alsof ik die sterke verwantschap zou willen ontkennen, terwijl ik die sterke verwantschap juist als uitgangspunt van mijn artikel heb genomen.
De grote moeilijkheid is juist, zo zei ik op p. 8 van het februarinummer, hoe wij deze teksten met elkaar in harmonie kunnen brengen.
Pater Schoffelmeer zegt zelf, dat er een analogie" is tussen deze twee teksten, dat wil zeggen: geen volledige gelijkheid. Terecht, want niemand zal willen beweren, dat Petrus op precies dezelfde manier de sleutels van het Koninkrijk kan hanteren als Jezus.
De vraag is dan echter, waarin bestaat die „analogie", d.w.z. in hoeverre is er een zekere gelijkheid en in hoeverre een zekere ongelijkheid in de sleutelmacht van Jezus en Petrus? Op die vraag is pater Schoffelmeer niet ingegaan. Misschien omdat hij vreesde te veel plaatsruimte in beslag te nemen. Maar dan nodigen we hem vriendelijk uit om dat in een volgend nummer te doen.
Geen tegenstellingen forceren
Ik heb wègetracht een antwoord te geven op die vraag. En daarom heb ik gegrepen, niet naar een uitvinding van mijn eigen gedachten, maar, zoals het hoort, naar een andere Schriftplaats. Daar wordt ook gesproken over de „sleutel", nl. „de sleutel der kennis" (Luk. 11:52).
Het is niet juist wanneer pater Schoffelmeer zegt, dat hier als nadere bepaling van de „sleutel slechts „de kennis" wordt gegeven en niet het „Koninkrijk derhemelen".Dit dan in tegenstelling met Matth. 16:19. Want ook in Luk. 11:52 gaat het duidelijk om de kennis, die nodig is om in te gaan in het Koninkrijk der hemelen. Dat blijkt o.a. uit de toevoeging: „Wee u. wetgeleerden, gij hebt de sleutel der kennis weggenomen. Zelf zijt ge niet binnengegaan en hun die het wilden, hebt ge het belet". Het is toch wel volkomen klaar, dacht ik, dat Jezus met dit .,binnengaan" het binnengaan in het Koninkrijk der hemelen bedoelde.
Wat is het eeuwige leven?
En vervolgens: Als centrale gave van het Koninkrijk wordt telkens genoemd: „het eeuwige leven". Wat is echter dat .,eeuwige leven"? Dat vernemen we in Joh. 17:3, waar Jezus zegt: „En dit 's het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus" (R.K.V.). De kennis van God in Jezus Christus is dus de wezenlijke gave van het Koninkrijk.
Zo kunnen we ook verstaan, dat Johannes de Doper voortdurend de „metanoia", de verandering van geest van gezindte, predikte als voorwaarde om in te gaan in het Koninkrijk. „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij". En zo verstaan we ook, dat Jezus kon zeggen: Als iemand niet wedergeboren wordt, kan hij het Rijk Gods niet zien". en: „als iemand niet geboren wordt uit water en geest kan hij het Rijk Gods niet binnengaan" (Joh. 3:3, 5 r.k.vert.) Er is dus blijkbaar een zeer nauw verband tussen het zien van het Koninkrijk en het binnengaan.
Wat is het eeuwige leven?
En vervolgens: Als centrale gave van het Koninkrijk wordt telkens genoemd: „het eeuwige leven". Wat is echter dat .,eeuwige leven"? Dat vernemen we in Jofi. 17:3, waar Jezus zegt: En dit 's het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus" (R.K.V.).
De kennis van God in Jezus Christus is dus de wezenlijke gave van het Koninkrijk.
Zo kunnen we ook verstaan, dat Johannes de Doper voortdurend de „metanoia", de verandering van geest van gezindte, predikte als voorwaarde om in te gaan in het Koninkrijk. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij".
En zo verstaan we ook, dat Jezus kon zeggen: Als iemand niet wedergeboren wordt, kan hij het Rijk Gods niet zien". en: als iemand niet geboren wordt uit water en geest kan hij het Rijk Gods niet binnengaan" (Joh. 3:3, 5 r.k.vert.)
Er is dus blijkbaar een zeer nauw verband tussen het zien van het Koninkrijk en het binnengaan.
Twee soorten kennis
Het is echter uit heel de Bijbel wel volkomen duidelijk, dat niet elke kennis van het Koninkrijk zalig maakt en dat Koninkrijk doet binnentreden om etdeel te krijgen aan de heilsgoederen van het Koninkrijk, met name aan het eeuwige leven.
Er is nl. een uiterlijke kennis van het Koninkrijk die niet doordringt tot het hart, die de mens dan ook niet innerlijk omvormt door wedergeboorte en bekering (metanoia), omdat de koningsheerschappij Gods, die een heerschappij van genade wil zijn in Jezus Christus, niet innerlijk wordt aanvaard. Dan blijft men met al de (misschien zwaar theologische) kennis van het Koninkrijk toch nog buiten dat Koninkrijk staan en zal men eenmaal, wanneer men zich niet bekeert.„ buitengeworpen worden in de uiterste duisternis, waar geween is en geknars der tanden".
„Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij"
De kennis echter die ten leven wekt en ons doet binnengaan in het Koninkrijk, vinden wij meermalen in de Bijbel beschreven. Het is een persoonlijke kennis van Jezus Christus en van de Vader in Hem, een kennis die uit het hart voortkomt en gepaard gaat met vertrouwvolle overgave in geloof en in dankbare Hetde. Het is het kennen van de genadige God, het innerlijk weten dat God ons voor altijd barmhartig is op grond van het volbrachte werk van Jezus Christus.
Het is een kennen van de ware God, de God van de liefde, want„ God is liefde", zo lezen we in 1 Joh. 4:16.
Dan kennen wij God als de Koning der barmhartigheid, en treden zo binnen in het Koninkrijk van Zijn genade. Langs de weg van deze gelovige overgave ontvangen wij dan de heilsgoederen van dit Koninkrijk Gods.
Het is ook die kennis die Jezus beschrijft in de gelijkenis van de Goede Herder. ..Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken" (Joh. 10:14). Begrijpt u nu iets van de geweldige heerlijkheid van het Koninkrijk Gods? Wij kennen dan Jezus en Jezus kent ons, zoals ook de Vader en Hij Elkander kennen.
KENT U HEM ?
En nu kan ik niet nalaten om deze vraag te stellen: Lezer, protestant of r. katholiek of wie u ook bent, bezit u reeds deze zaligmakende kennis? Dat is een vraag van wezenlijke betekenis voor uw leven. Ja, dat is de vraag, waar het voor eeuwig op aankomt.
Indien u Jezus aldus niet kent, indien u Hem slechts .,van buiten" kent, zoals u Hem misschien geleerd hebt op de katechismus, dan staat u ook buiten het Koninkrijk Gods. Dan vertoeft u nog in het rijk van de duisternis, waar de demonen heersen. Dan bent u nog slaaf, verkocht onder de zonde.
Zoekt dan echter eerst het Koninkrijk Gods. Rust niet voordat ook u dat licht hebt aanschouwd en binnengetreden zijt in de intieme kennis van de eeuwige God en Koning. Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij".
Tweeëlei sleutels
Wanneer we dat onderscheid in kennis van het Koninkrijk voor ogen houden, dan kunnen we ook, meen ik, het onderscheid in sleutelmacht tussen Jezus en Petrus (en de andere discipelen) verstaan.
Petrus bezit dan de sleutel van de ware kennis van het Koninkrijk. Door de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk ontsluit hij de toegang tot Jezus Christus. Hij kan echter slechts de uiterlijke toegang tot het Koninkrijk schenken.
Toch is dit reeds een geweldige macht. Paulus schrijft daarover: „Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden, en in degenen die verloren gaan; dezen wel een reuk des doods ten dode, maar genen een reuk des levens ten leven" (2 Kor. 2:16 S.V.). „Ja, voor God zijn wij een reukwerk van Christus, zowel onder hen die gered worden als onder hen die verloren gaan, voor dezen een dodelijke walm, voor genen een levenwekkend aroom" (r.k. vert.).
Alleen Christus sehenkt de Geest
De innerlijke toegang tot het Koninkrijk kan ons echter door geen mens worden gegeven. Die toegang schenkt Christus ons door zijn H. Geest.
Dat zegt Paulus bv. heel scherp: Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan dienaren met wier hulp gij tot het geloof zijt gekomen, en wel ieder in de mate die de Here hem toedeelde. Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft" (1 Kor. 3:57).
En zo meen ik dan de harmonie verklaard te hebben tussen Openb. 3:7, waarin op geheel enige wijze gesproken wordt over de sleutels van het Koninkrijk, die Jezus hanteert, en Matth. 16:19, waar gesproken wordt over de sleutels van het Koninkrijk, die Petrus zal ontvangen.
Pater Schoffel moer vervolgt:
„Maar zelfs wanneer we uw toevoeging aanvaarden, dus lezen „de sleutels der kennis", komen we nog een heel eind in de katholieke richting. Aan Petrus wordt dan beloofd, dat hij eens de kennis zal krijgen benodigd voor de intrede in het Rijk Gods. Maar dan natuurlijk ook alle kennis. Dus ook de kennis om het Evangelie onfeilbaar uit te leggen. Onfeilbaar ja, want anders zou deze kennis waardeloos zijn".
ONS ANTWOORD:
Ho, ho. wat een redeneersprongen! Tussen die redeneersprongen bevindt zich minstens één onbewezen bewering, nl. dat de Bijbel zo onduidelijk zou zijn, dat zelfs de meest wezenlijke dingen daaruit niet kunnen verstaan worden, zonder dat daarbij een verklaarder aan te pas komt.
Maar dat moet nu juist bewezen worden. En ik zou willen vragen: Hoe durft men zulk een bewering uiten? Dan zou God dus een boek hebben laten samenstellen, de Schrift, dat Hij helemaal gedekt heeft door Zijn eigen gezag, terwij! dat boek zo onduidelijk zou zijn, dat je er kop noch staart aan kunt vinden. Welk een dwaas schrijft een boek, bestemd voor iedereen, waarvan men zonder aparte verklaarder zelfs niet eens de wezenlijke bedoelingen zon kunnen achterhalen? Ik kan er niets aan doen, maar ik vind het een belediging van God te veronderstellen, dat Hij, uitgerekend Hij, een boek— het enige boek van God — het licht doet zien, waarin Hij Zich richt tot elk mens en waarin de wijze God zo duister is, dat de overgrote massa er geen snars van begrijpt. Dan had God Zich in dat boek niet moeten richten tot iedereen, maar uitsluitend tot de kleine elite, of liever zelfs alleen maar tot de paus, die Hij, volgens Rome. tot enige onfeilbare verklaarder van dat boek zou hebben aangesteld.
Pater Schoffelmeer:
„Ik zou mij tot deze uiteenzetting kunnen beperken, want een duidelijke tekst kan niet door andere ongedaan gemaakt worden.(Volkomen akkoord, maar wanneer twee duidelijke teksten elkaar schijnen tegen te spreken, dan moeten wij vanuit het geheel van de Bijbel tot een harmonieus verstaan van beide teksten zien te komen. H.J.H.).
Maar daar u zo hoffelijk was mij het volgende nummer van uw tijdschrift toe te sturen, wil ik toch nog even ingaan op de daar besproken teksten. Om niet te vee! plaatsru mte van u te vergen, moet dit uiteraard kort zijn.
De uitleg vont 2 Tim. 2:9 „Het woord Gods is niet gebonden" verwondert me. Als dit een verklaring was van Paiihis over de aard van het Woord Gods, dan is het nauwelijks te begrijpen, hoe hij op dit punt van zijn brief daar ineens over komt te spreken. Maar als zo vaak bij nader toezien blijkt, hebben we ook hier weer geen uitspraak over dc aard van iets of iemand, maar over de werkzaamheid. Paulus is geboeid, maar het Woord Gods wordt door hem en anderen vrijelijk gepredikt. Dat is de betekenis van de onderhavige tekst. Nu wordt ook het vervolg begrijpelijk:„Daarom ben ik bereid alles te verdragen ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus met de eeuwige heerlijkheid". Omdat de Evangelieprediking toch voortgang vindt, is Paulus bereid zijn gevangenschap te verdragen.
Wanneer, zoals u wilt, hier gezegd zou worden, dat het Woord Gods een onbeperkt bindend gezag heeft op aarde, is het verband met vs 10 zoek of geforceerd. Ik wijs verder op 2 Thess. 3:1 en Fil. 1:1214. We hoeven ons dus ook niet af te vragen, welke van de teksten de andere beperkt; een exegetisch nog al bedenkelijke methode".
ONS ANTWOORD:
Allereerst: een van de grondregels van de exegese is: Schrift met Schrift vergelijken, en dat houdt ook in, dat wij ons soms moeten'afvragen of en in hoe verre de ene tekst een beperking van de andere inhoudt. Dat pater Schoffelmeer dit een bedenkelijke exegetische methode vindt, begrijp ik dan ook beslist niet. Vervolgens: pater Schoffelmeer moet het maartnummer nog eens goed overlezen. Ik heb daar helemaal niet gezegd, dat volgens mij deze tekst allereerst wil zeggen, ,.dat het Woord Gods een onbeperkt bindend gezag heeft op aarde". Dan zou inderdaad het verband met vs 10 enigszins zoek raken. Maar de eerste en trouwens heel duidelijke betekenis is, dat men het Woord Gods niet kan binden, zoals men w窠de mens Paulus kan binden. Dat Woord Gods kan door niets op aarde gebonden worden, dus... ook niet door het gezag van de pausen. Wat betreft 2 Thess. 3:1 en Fil. 1:12—14, ik zie niet in, dat vanuit die teksten een ander licht op de kwestie zou worden geworpen. En omdat pater S. er ook verder niet op ingaat, lijkt het me verstandig, ook om dit artikel niet al te lang te maken, om er nu maar niet over uit te weiden.
Pater Schoffelmeer:
„Uw uitleg van de tekst uit Matt. 16:19 over binden en ontbinden berust op een ontoelaatbare verwaarlozing van de grondtekst. U schijnt immers te zeggen, dat deze woorden dezelfde zijn als in Matt. 18:18, waar Jezus Zich volgens u richt tot de discipelen. Daarom zouden de woorden van Matt. 16:19 niet gericht zijn tot Petrus alleen, maar tot alle apostelen.
Maar dit laatste is onmogelijk, want tn het grieks staan deze woorden in het enkelvoud en kunnen dus alleen op Petrus slaan, terwijl ze in de andere tekst in het meervoud staan.
Ik heb ten overvloede drie vertalingen geraadpleegd in talen, die een onderscheid maken in de tweede persoon enkelvoud en meervoud, zoals bv .het Frans tussen „tu" en „vous". En gelijk te verwachten was, maakten ze alle drie — er was één protestantse onder — in het weergeven van bedoelde tekst het aangegeven onderscheid. Dat u hier geen acht op hebt gegeven, is een onvergeeflijke fout Ik denk dat u in uw studietijd ook door uw protestantse universiteitsprofessoren er lelijk voor op de vingers zoudt getikt zijn".
ONS ANTWOORD:
Maar, beste pater Schoffelmeer, er is geen haar op mijn hoofd die eraan gedacht heeft om aan te nemen, dat er in Matt. 16:19 sprake zou zijn van een grammatikaal meervoud. Er is geen enkel handschrift, ook niet van latere tijd, dat de mogelijkheid van een grammatikaal meervoud toelaat.
Als u echter mijn artikel goed op u had laten inwerken, dan zoudt u begrepen hebben, dat ik niet een grammatikaal, maar een representatief meervoud ais mogelijkheid aannam. Laat ik mij dan nog iets duidelijker uitdrukken: Jezus richt Zich eerst tot alle apostelen. .,Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben". Dan antwoordt Petrus: „Gij zijt.....". Wij mogen toch aannemen, dat de andere apostelen met dit antwoord van Petrus instemden, zodat het antwoord van Petrus een representatief meervoud inhield.
En als ik dan in Matth. 18:18 lees, hoe Jezus daar precies dezelfde woorden spreekt, minstens tot alle apostelen, dan is het toch helemaal geen gezochte verklaring om te veronderstellen, dat Jezus Zich ook in Matth. 16:19 via het enkelvoud, via de persoon van Petrus, richt tot alle apostelen. We moeten toch een verklaring vinden voor het feit, waarom Jezus in Matth. 18:18 precies dezelfde woorden richt tot alle apostelen, die Hij hier richt tot Petrus alleen. Tenzij u zegt: Matth. 18:18 interesseert mij niet. Ik kijk alleen naar Matth. 16:19, want daaruit meen ik het pauselijk onfeilbaar gezag te kunnen afleiden. Maar dan zijn we met onze exegese op dood spoor gekomen.
Geen steekspel, maar een gesprek
En vervolgens deze vraag: Waarom dat triomfantelijk breed uitmeten over een vermeende verkeerde vertaling van mij uit het Grieks? Waarom het „op de vingers tikken van mijn protestantse professoren" erbij halen? Dacht u na werkelijk, dat ik niet eens zoveel van het Grieks zou verstaan, dat ik zelfs niet het verschil zou kunnen lezen tussen een grammatikaal enkelvoud of meervoud? Heus, als het er zo met me voorstond, dan zou ik het niet aandurven om eind redakteur te zijn van een tijdschrift, dat handelt over het verschil Reformatie— Rome.
Maar wat mij een beetje tegenvalt, is de instelling die ik meen daarachter te moeten bespeuren.
U zult wel weten, dat ik een uitgesproken tegenstander ben van een romantisch oecumenisme dat de tegenstellingen tracht te verdoezelen. Ik ben echter wil voorstander van de oecumenische instelling in de goede zin, die daarin bestaat, dat wij naar elkaar willen luisteren, samen met elkaar verder willen denken, kortom een echt gesprek met elkaar willen voeren.
Uw reaktie maakt echter een beetje de indruk, alsof u mij als een persoonlijk tegenstander ziet, die een steekspel met u voert, waarin wij elkaar met Bijbelteksten te lijf gaan. En dan is het te begrijpen, dat u kraait van de pret, wanneer u meent mij op een gegeven ogenblik knock-out te hebben geslagen.
Ik hoop dat ik mij in die indruk vergis, want u zult het toch met mij eens zijn, dat wij naast elkaar moeten gaan staan, dat wij onze lezers moeten opwekkei om zich met ons te verdiepen in in het heerlijke, rijke, machtige Woord van God. Dan is ons gesprek vruchtbaar. Dan zal het door de H. Geest gebruikt kunnen worden om zielen tot bekering te brengen, om verloren zondaars te voeren naar de voet van het Kruis, waar zij voortaan alleen zullen roemen in de onbegrijpelijke genade Gods over hun ellendige, verdorven leven.
Het is dan helemaal niet erg, dat wij soms radikaal van elkaar verschillen en harde waarheden zeggen, mits daar maar niet de bedoeling achter staat om elkaar te treffen, om elkaar nodeloos pijn te doen.
Pater Schoffelmeer:
„De tekst van 1 Joh. 2:27: ,,Zoals zijn zalving u in alles onderricht, zo is het waar", kan evengoed tegen uzelf gericht worden. Want als de zin die u eraan schijnt te geven, waar is, dan is het onbegrijpelijk, dat u over de bevoegdheid van de ambtsdragers schrijft, dat dit een punt is, waarover nog veel biddend moet worden nagedacht (p. 15). Heeft de zalving u daarin dan niet onderricht?"
ONS ANTWOORD:
Hier heb ik inderdaad een beetje moeite om mijn geduld te bewaren, want hier maakt pater S. gebruik van een apologetische weinig hoogstaande methode, nl van de zg. Konsequenzmacherei". Men trekt konklusies uit de beginselen van een tegenstander, die de ander er beslist niet uit wil trekken, om dan daarna die konklusies te gaan aanvallen en belachelijk te maken. Op deze manier zou ik immers ook weer kunnen repliceren: Maar als volgens u Petrus en de pausen onfeilbaar zijn in, alle dingen, waarom is er dan nog een r.k. theologie, enz.
Toch wil ik wel een antwoord geven aan pater Schoffelmeer. Als ik de overtuiging uitspreek, dat de Schrift in zichzelf duidelijk is en geen onfeilbare uitleg nodig heeft, dan bedoel ik daar allereerst dit mee: Wat nodig is voor de redding van de mens, wat nodig is om binnen te gaan in het Koninkrijk Gods en het eeuwige leven deelachtig te worden, staat volkomen duidelijk in de Bijbel te lezen. Daarvoor is nodig bekering, verandering van gezindheid, geloof in Jezus Christus.
Maar dat wil niet zeggen, dat er in de Schrift in punten die niet tot het heil noodzakelijk zijn, geen moeilijke teksten zouden voorkomen. God heeft dat blijkbaar zo gewild. En dan moeten wij in ootmoed, in de gemeenschap met de in Christus geheiligden, in gebed zoeken naar de diepere zin van al die teksten.
Pater Schoffelmeer:
„Ik wijs verder slechts nog op 1 Joh. 2:24, waarin staat: „Wat u betreft, hetgeen gij vanaf het begin gehoord hebt, dat moet in u blijven". Hierin is duide lijk sprake van de prediking van de rechte leer. waaraan de christenen zich moeten houden. Als dat bij Johannes blijkbaar kan samengaan met de (inwendige) zalving, dan is het niet in te zien, dat een absoluut bindend leergezag daarmee in strijd zou zijn".
ONS ANTWOORD:
Maar zulk een absoluut bindend gezag is wél in strijd met de woorden van Johannes: „Gij hebt niet nodig dat iemand u onderricht". De gelovigen worden onderricht door de H. Geest, maar de H. Geest heeft Zichzelf ook gebonden aan het Woord Gods. De binding aan het Woord Gods is dus geheel in overeenstemmig met de zalving van de H. Geest. Maar evenmin als de H. Geest Zich heeft gebonden aan het woord van een mens, evenmin zijn de gelovigen gebonden aan het woord van een mens. In de aanspraken op het onfeilbaar bindend leergezag keren de pausen zich dus, zonder dat zij zich daarvan bewust zijn, tegen de H. Geest die Zich slechts aan het Woord Gods, het Woord van Christus, heeft gebonden, en niet aan het woord van een mens.
Tenslotte
„U nogmaals dankend voor de extra toezending van uw tijdschrift en met belangstelling uw wederwoord afwachtend, teken ik hoogachtend:Paramaribo
J. Schoffelmeer C.s.s.R.
Ook van onze kant hartelijk dank voor deze deelname aan de gedachtenwisseling, die in het begin misschien nog wat stroef verlopen is, maar... al doende leert men. Laten we dus hopen: tot een volgende keer.
BRIEF VAN EEN PASTOOR
,,Al ben ik katholiek priester, trouw aan mijn Kerk, toch spreek ik mijn respekt uit voor de moed, waarmee ge voor de stem van uw geweten uitkomt. In veel zaken denken we hetzelfde bijv. over het autoritaire van Rome.
De stem van onderop, lagere clerus en leek tesamen, zal de lemen reus van zijn hoge voetstuk verwijderen. Rome moet dienares worden; dan alteen kan bet iets in de toekomst bereiken.
Zoeken we samen de Damascusweg naar Christus, het UNIEKE HOOFD der Kerk. Weg met alle voze en soms onmenselijke juristerij (Codex-strafwetboek, kerkelijke huwelijksrecht, rompslomp en ballast van aflaten en relieken). Spoedig gireer ik een bedragje voor de ex-priesters en uw stichting. Hoogachtend in Christo",…..... (naam en adres ons bekend).
PRIJSVERHOGING BOEK
Het boek .,Moeder, ik klaag u aan" is door de uitgever in prijs verhoogd. Het kost nu niet meer ƒ 1,75, maar ƒ 2 , — . Ook de Franse uitgave van „Mijn weg naar het Licht" (Du couvent a 1'Evangile) kost nu: ƒ7,60.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1966
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
