In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Over de priester

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over de priester

8 minuten leestijd

"

Dit boek (uitg. De Fontein. Utrecht, 422 bl., prijs f 12,90) is een bundel van interviews en essays, waaraan verschillende schrijvers hebben meegewerkt. Hel is een voorbeeld van de verregaande zelfkritiek, die er thans binnen de r.k. kerk, vooral van Nederland, plaats heeft, een zelfkritiek waaraan vele protestantse groeperingen nog helemaal niet aan toe zijn.

Het lijkt mij het beste om hier en daar een greep te doen uit de rijke stof van dit boek.

Ter verklaring voor protestantse lezers: „De H. Blasius stierf de marteldood te Sebast in Armenië in het jaar 316. Het verhaal van zijn marteling heeft gedeeltelijk een legendarische oorsprong. In het martelboek wordt verteld dat. toen hij naar de strafplaats werd geleid, een moeder hem smeekte haar enig kind te redden dat in stervensnood verkeerde door het inslikken van een visgraat. Toen de heilige het kind gezegend had, was het onmiddellijk van zijn benauwdheid verlost. Op dit verhaal gaat de alom bekende Blasius-zegen terug, die gegeven wordt bijzonder tegen keelziekten". Aldus het Spectrum-Missaal bl. 773).

In een interview zegt kapelaan J. J. Kramer te Laren hierover in „Over de Priester":

„In ieder geval voel ik mij gehandicapt door een aantal vormen in de Kerk waar je niet meer achterstaat."

Bijvoorbeeld ?

„De Blasiuszegen om iets onbenulligs te noemen. Er wordt vaak teveel verwacht dat je er wel achterstaat. Vooral de kerkse mensen willen je per se in een traditionele hoek zien staan."

Zijn er meer voorbeelden? Die Blasiuszegen is tenslotte maar ÉÉn keer per jaar. „Nou ...lof, processies, maar vooral mislezen terwijl er vrijwel geen mensen zijn. Het is toch een dwaze situatie dat er elke ochtend missen worden gelezen, niet naar het aantal gelovigen maar naar het aantal priesters. En met de ... halve ... liturgievernieuwing gaat dat nog veel sterker spreken. Je richt je in het Nederlands tot de gelovigen, die er dan toch wel moeten zijn. Er moet voor een mis een minimale gemeenschap zijn. Waarom niet ÉÉn mis per dag? Een nare bijsmaak is dan nog dat er een financieel kantje aan zit: elke mis minder is een stipendium minder. Beleef dan de mis nog maar eens als een zinvol gebeuren. Pastoors voelen dat niet zo, omdat ze doorgaans de drukste mis lezen. Voor neomisten moet die weekse vroegmis een enorme klap zijn." bl. 14.

Pastoor Sleegers over: „vernieuwingen"

„Hoe staat u als oudere priester tegenover de vernieuwingen in de Kerk?"

„Ze waren hard nodig. Alles heeft eeuwen vastgelegen. Als je nog eens terugdenkt aan vroeger: al die devoties, de dwaze gebruiken, al die bepalingen, wat is het dan toch vreemd geweest in Gods Kerk. Ik kan me nog steeds niet voorstellen hoe dat allemaal mogelijk is geweest. Dat al die pausen en bisschoppen, die toch heus wel wisten wat ingrijpen was, dat allemaal hebben laten voortbestaan." bl. 35.

„Is die tegenstelling oud-nieuw in uw parochie een probleem?"

„Nee, hier is het niet zo'n groot probleem. We zitten met veel onverschilligen, voor wie de vernieuwingen een grote opluchting betekenen. Voor deze mensen was de Kerk van vroeger niet meer te volgen. Ik heb al van verschillende mensen in mijn parochie gehoord: wat is het geloof toch veel blijder geworden. Dat is hoopgevend, een teken dat de vernieuwing doorwerkt." bl. 36.

Trouw en radeloosheid

„Want de herziening van het „doe je best, God doet de rest" tot het inzicht dat wij ons best Én de rest moeten doen, leidt als vanzelf tot het beangstigende vermoeden dat God verdwijnt, dat er voor God geen plaats meer is in ons bestaan. En als God verdwenen is, wat moet de godsdienst dan nog? Welke zin heeft het Evangelie dan? Wat is dan het werkelijkheids- of waarheidsgehalte van ons geloven in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, onze Heer? Waarom zich nog inspannen voor een kerk? En wat valt er nog te verwachten na de dood? Hoe begrijpelijk wordt het niet, wanneer je soms op een laat uur in de nacht en binnenskamers een priester hoort bekennen: „Ach, ik geloof er allemaal niets meer van; het enige dat ik zal doen (en dat blijf ik doen, want ik kan mijn mensen toch niet in de steek laten!) is aan de parochianen zoveel mogelijk geestelijk-hygiënische hulp bieden, troost, bemoediging, inspiratie, zodat ze een zo gelukkig mogelijk leven hebben." „Trouw aan het ambt, maar tegelijk ook een speurbare radeloosheid dieper nog en daarachter". Aldus Drs F. J. A. de Grijs op p. 69-70.

Zinneloos breviergeprevel

„Nu moet ik eigenlijk mijn brevier bidden, maar dat heb ik al in geen dagen meer aangeraakt. Dat schijnt een peccatum mortale te zijn, maar dat geloof ik niet. In plaats daarvan heb ik kunnen mediteren, maar ook dat is vandaag niet gebeurd. Ik ben nog steeds bezig me af te vragen, waarom ik niet brevier en waarom ik niet meer mediteer. Het brevier doet me niets, maar dat mag geen argument zijn. Ik kan niet een bepaald latijns programma afwerken en ik kan me niet voorstellen dat God nu van me vraagt, dat ik te Zijner ere ettelijke duizenden letters ga eten. Een psalm vind ik mooi en een hymne van Schulte Nordholt vind ik een vreugde, maar dat brevier doet me niets. Aanvankelijk beperkte ik me tot de Lauden en de Vespers: het morgen- en avondgebed van de Kerk, maar ook dat is verdwenen. Ik weet ook niet hoe de jonge generatie van priesters deze dingen beleeft. Ik herinner me alleen hoe een kollega van me eens op een morgen na de mis in de kerk liep te brevieren en hoe hij plotseling tot het besef kwam, dat hij daar al een half uur wezenloos had gelopen en dat hij dat dagen, weken, ja maanden had gedaan. Plotseling overviel hem 18 een gevoel van dwaasheid en zinloosheid; hij greep zijn brevier en gooide het met een verwoede zwaai door de lucht achter het altaar. Daar plofte het op de grond. Even bleef hij staan, verschrikt door zijn eigen optreden, en schichtig omkijkend, of wel niemand het had gezien, is hij stilletjes naar voren gelopen, om daar waar de Heer in zijn grote liefde toefde, zijn brevier weer op te rapen, vergeving te vragen en nooit meer te brevieren." Aldus een anonieme priester op p. 84—85.

Mis en vrijffezelleninentaliteit

„Een oude buurtpastoor zegt me: „Ja, maar, het moet toch heerlijk voor je zijn om iedere morgen even Christus te ontmoeten in de H. Mis." Ik heb hem alleen geantwoord dat ik dan na vijfendertig jaar iedere dag Eucharistie vieren wel wat meer resultaat had willen zien in zijn persoon. Toen zweeg hij. Want het enige resultaat was schijnbaar een eigengereide, sterk-egoïstische vrijgezellenmentaliteit, die je de man niet kon verwijten, omdat hij meende het zelf goed te doen. Het spijt me, maar ik kan in zo'n man niet meer de „geestelijke" zien. De vraag blijft staan: hoe moet je dan zelf als priester zijn?" Idem op p. 86”87.

De koude pastorie

„Een pastorie is geen plaats voor interpersoonlijke relaties. Gelukkig maar aan de ene kant. Maar de keerzijde is, dat ook de vertrouwdheid en de fijne nuanceringen van de trouw ontbreken, zo goed als fijngevoeligheid, aandacht voor de kleine dingen van het dagelijks bestaan en waardeschatting van het doodgewone. Het is een huis zonder huiskamer en met een huis-vrouw, maar geen echtgenote. Men leeft er met elkaar, maar loopt nu juist langs elkaar heen in die dingen, die elders een samenleving tot een gezin maken. De gezelligheid is er zelden hartelijk en het gesprek houdt altijd iets onpersoonlijks omdat het zich ook in zijn beste momenten rond de beroepsbezigheden blijft bewegen. Je trekt als goede vrienden met elkaar op, maar het is een vriendschap, die niet uitgroeit tot verwantschap." Aldus aalmoezenier M. Huybregts op p. 188-189.

Een dergelijke mogelijkheid tot kritiek is een goede uitlaatklep. Ik ben overtuigd, dat veel priesters daardoor geruime tijd worden weerhouden om hun kerk te verlaten. In mijn tijd was zulk een kritiek onmogelijk. De kloosteroverste of anders de Curie zou je zo bij de kraag hebben gepakt.

Het verblijdende en hoopvolle is dat achter deze kritiek ergens het kontakt met de Bijbel zit. Het is vanuit Gods Woord, dat priesters de onbenulligheid van een Blasiuszegen en de zinloosheid van een afgeraffeld brevier zijn gaan zien.

Tegen de cellbaatswet

Zo goed als alle schrijvers in dit boek uiten hun bezwaren tegen de r.k. celibaatswet. Zo kapelaan J. J. Kramer te Laren: „Hij was op de huwelijksreceptie geweest van een kapelaan die alleen maar burgerlijk huwde. „Dat is ongelooflijk ard", zegt hij, „dat mensen zo hun huwelijk moeten beginnen. Dat moet toch n strijd zijn met de bedoeling van Christus. De afschaffing van het celibaat ds ongeldigmakend beletsel, daarmee zou het moeten beginnen" (bl. 23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1966

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Over de priester

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1966

In de Rechte Straat | 32 Pagina's