Gij zijt Petros
VERVOLG
„En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen" (Mat. 16:19).
Ook bij de verklaring van deze tekst gaan we de gouden regel volgen: Schrift met Schrift vergelijken. Dat wil zeggen: We gaan niet onze eigen gedachten schuiven achter de woorden die de Bijbel gebruikt, maar we willen nagaan, wat de Schrift zelf met haar eigen woorden bedoelt. En daarvoor is het nodig, dat wij de plaatsen opzoeken, waar de Bijbel die woorden nog meer gebruikt. En we vinden dan allereerst:
De sleutel van Christus
„Zo spreekt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent". (Openh. 3:7 R.K. vert.) Deze tekst slaat terug op Jes. 22:22. Daar wordt van Elkjakim geprofeteerd: „En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouders leggen; opent hij, niemand sluit; sluit hij, niemand opent".
Hierover schrijft Dr. J. Ridderbos: „Op zijn schouder draagt hij voortaan de sleutel van het paleis; dit is letterlijk te verstaan: in het Oosten waren en zijn de sleutels van hout en hebben dus een grote omvang. Zo heeft hij alleen de macht om de deuren van en in het paleis te openen of te sluiten. Hij alleen beschikt als beheerder over de toegang tot de koninklijke voorraadkameren; en ook de toegang tot het paleis wordt door hem — natuurlijk in overleg met de koning — ontsloten of ontzegd. Hierin is Eljakim type van Christus" (Korte Verklaring p. 164):
Zo verstaan betekent de sleutelmacht de direkte het Koninkrijk der hemelen. macht over de toegang tot
De sleutel der kennis
Maar de Bijbel gebruikt het woord „sleutel" nog in andere zin. In Luk. 11:52 lezen we:
„Wee u, wetgeleerden, Gij hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf zijt ge niet binnengegaan en hun die het wilden, hebt ge het belet" (RK vert.).
Het is duidelijk, dat de wetgeleerden niet, zoals Christus, over een direkte macht beschikken om iemand de toegang tot het Koninkrijk Gods te ontzeggen. Hun macht was slechts indirekt n.1. doordat zij het ware Evangelie niet meer verkondigden en in plaats daarvan de mensen leerden, dat ze de hemel moesten verdienen door de trouwe vervulling van de wet; daardoor brachten ze de mensen op een dwaalspoor en beletten hen aldus om in het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan.
Sleutelmacht van de apostelen
Wij zullen ook de sleutelmacht van de apostelen in indirekte zin moeten ver staan. Dan begrijpen we, waarom Jezus tegen Petrus zegt: „Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen", en dat dit toch niet in tegenspraak is met Openb. 3:7. Jezus hanteert de sleutels van het Koninkrijk op een eigen, absolute manier. Als Hij opent, kan Petrus niet meer sluiten; als Hij sluit, kan Petrus niet meer openen.
Jezus is de toegang tot het Koninkrijk. Hij is ,,de deur der schapen" (Joh. 10:7). Niemand komt tot de Vader tenzij door Hem (Joh. 14:6).
Maar de weg tot Jezus is niet de wetsvervulling, maar het gelovig vertrouwen in Hem. Wie dit weet, bezit de sleutel van het Koninkrijk der hemelen. Wie dit verkondigt, hanteert deze sleutel.
Dieven
De wetgeleerden hadden die sleutel weggenomen. Jezus zeide: ,,Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed" (Joh. 10:9-10). De wetgeleerden waren dieven. Zij zijn het type van hen, die van hun geestelijk ambt willen profiteren door de mensen zware lasten op te leggen, ze te beladen met allerlei angsten, opdat de mensen daardoor ertoe gebracht worden om hun offers te brengen, in naam voor het Koninkrijk Gods, maar in feite voor het eigen koninkrijkje van deze ambtsdragers. Petrus waarschuwt voor hen in zijn tweede brief (2: 3): „Zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen". Van dit type heeft Marx terecht gezegd, dat zij de godsdienst gebruiken als opium voor het volk.
„U is gegeven "
Jezus zeide tot zijn discipelen: „Aan it is het gegeven de geheimen van het Rijk Jer hemelen te kennen" (Mat. 13:11 R.k. vert.).
Het is duidelijk, dat Jezus hier uitspreekt dat de sleutel der kennis van de geheimen van het Koninkrijk ook aan de andere discipelen is gegeven. Dat neemt niet weg, dat sommigen een bijzondere opdracht hebben gekregen bij het hanteren van de sleutel van de kennis. We zien dat bijvoorbeeld bij Paulus: „Gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: dat mij door openbaring het geheimenis bekend gemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus" (Ef. 3:2-4).
Bijzondere plaats van Petrus
Zo heeft ook Petrus een bijzondere opdracht gekregen om op beslissende! momenten van de kerkgeschiedenis de sleutel van de kennis van het Koninkrijk te hanteren.
Wij hebben daarover reeds gesproken. Dat is n.1. gebeurd op de pinksterdag, in Samaria en in Caesarea; dat is voor de wereld van de Joden, de Samar tanen en de heidenen.
Geen proklamatie van dogma's
De sleutel der kennis, die toegang verleent tot het Koninkrijk, is de boodschap van bekering en geloof in Jezus Christus, een boodschap die elk mens, ook de meest eenvoudige, kan verstaan, wanneer hij wordt verlicht door de H. Geest. Die verlichting is evengoed nodig voor de verkondigers van dit Evangelie („Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is") als voor hen, die het Evangelie horen („Ik dank U, Vader, ...dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard") (Matt. 11:25).
Wanneer Jezus dus aan zijn discipelen de opdracht geeft om de sleutel der kennis van het Koninkrijk te hanteren, dan betekent dit niet een opdracht om allerlei dogma's te proklameren, maar om het mensdom op te roepen tot bekering en geloof in Jezus Christus en om de gelovigen steeds verder in te voeren in de kennis van Jezus Christus, d.w.z. in de ervaring van het eeuwige leven (Joh. 17:3). Maar deze laatste opdracht hoort meer bij de herderlijke .taak. Daarover hopen wij echter in een van de volgende nummers te spreken. (Wordt vervolgd).
U bent hoogmoedig, bot, boers en ounzig
Geachte Redaktie,
Nu ongeveer een jaar geleden registreerde ik in de „Vox Veritatis" (het Utrechts r.k. studentenblad. H.J.H.) mijn verbazing over het feit dat uw „boerse achterdocht" bij mijn protestantse vrienden voor zoete koek geslikt werd. Hoewel uw blad wel wat van haar hoogmoedig podium is neergedaald, heb ik in uw januarinummer nog van voldoende botte beledigingen kunnen genieten. Vanaf pag. 38 vlogen uw boeren door de lucht alsof er geen enkel gebod van naastenliefde bestaat. Ook hebt u me deze keer verschillende keren voor antichrist uitgemaaktk hoewel u op p. 3 belooft ook de hand eens in eigen boezem te steken. Wanneer u zich beijvert voor de ex-priestersk voor uw medebroeders in Spanjek sta ik (als katholiek) achter u! Maar zodra uw verketteringen de naastenliefde aantasten (op een vunzige manierk zoals sinds „De Bijencorf" gebruikelijk is in Nederland) verzoek ik u het woordje gesprek in „getuigend gesprek met Rome" te willen schrappen. Moge uw hoogmoed (en uw boeren en antichristenen) plaats maken voor naastenliefde.
In deze zink en in de hoop het bovenstaande in uw blad onder „zoveel hoofdenk zoveel christenen" terug te vindenk wens ik u een zalig nieuwjaar.
Utrecht
P. P. M. Dekkers
ONS ANTWOORD :
1. "Wij willen voor deze keer plaatsruimte geven voor deze niet bepaald hoogstaande ontboezemingen, maar willen toch vriendelijk verzoeken om in de toekomst wat zakelijker te zijn en wat meer geargumenteerd voor de dag te komen. Wij menen dat ook van een universiteitsstudent te mogen verwachten.
2. Ons blad is steeds gedokumenteerd. Wij onthouden ons van loze uitroepen en simpele beweringen, maar citeren steeds onze bronnen, zodat ieder de feiten en leerstellingen, die wij vermelden, kan controleren. Zulk een zakelijke uiteenzetting, waarom men het met een ander niet eens kan zijn, is op zichzelf geen aantasting van de naastenliefde. Dat wordt het pas, wanneer men de ander allerlei beledigende termen naar het hoofd slingert zoals... de heer Dekkers dat doet te onzen opzichte, wat wij hem overigens van harte vergeven.
3. Ik meen dat wij niet over het hart van een ander mogen oordelen. Daarom acht ik het onjuist, wanneer de heer Dekkers ons hoogmoed verwijt. Wij hebben zelfs de paus niet van bewuste hoogmoed willen beschuldigen, ofschoon hij zich toch wel op een zeer hoog verheven podium stelt, wanneer hij zich laat eren als plaatsbekleder van Christus op aarde, als soeverein vorst, enzovoort.
4. Ik heb van geen enkele r. katholiek, ook niet van Paulus VI, gezegd, dat hij een antichrist zou zijn. Antichristen is volgens Joh. 2:22 ieder „die mèt de Zoon de Vader loochent". En wat DE Antichrist betreft, die aan het einde der tijden zal komen, ben ik het met Het Zoeklicht van 8 jan. 1966 eens, dat zegt: „De Antichrist zal zich bewust en in het openbaar tegenstellen ert verheffen boven al wat God genaamd wordt of als God geëerd wordt. Hij zal daarbij in de tempel Gods zitten en zichzelf vertonen dat hij een god is. Dit is een zeer duidelijk kentekenk dat tot dusverre in de wereldgeschiedenis nog niet gezien is". De tijden zijn echter ernstig, en daarom meen ik, dat wij meer dan ooit op de tekenen der tijden moeten letten.
5. Ik heb liever te doen met iemand die zo „giftig" rageert als de heer Dekkers, dan met hen die alles lauw-lauw laat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1966
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1966
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
