Moet God ONS dankbaar zijn?
Enrique Garcia beeft op 12 april 1964 de r.k. kerk verlaten. Hij was priester in de orde van de franciskanen. Op 25 juni '64 ontving hij de doop door onderdompeling in de baptistenkerk van Madrid. In jan. 1965 kwam hij met zijn vrouw, waarmee hij eind mei 1964 kerkelijk getrouwd was, naar de Wartburg in Velp. Wij bemerkten echter langzamerhand, dat br. Garcia toch nog niet ten volle het Evangelie had begrepen. HIJ sprak te dikwijls over Jezus Christus als zijn vriend. Wij hebben hem daarom in onze Bijbelstudies erop gewezen, dat Christus niet was gekomen om vriendjes te redden, maar om zondaren zalig te maken. Deze teksten van de Bijbel hebben een hele krisis bij hem teweeg gebracht. Hij ging door een dal van duisternis heen, maar kwam tenslotte toch, geleid door de Heilige Geest, tot het heerlijke licht, dat God over hen verspreidt die als verloren zondaars aan Zijn voeten komen en enkel op genade bouwen.
Wij laten hieronder een gedeelte van een brief volgen, die een Spaanse priester aan br. Garcia schreef en een gedeelte van het antwoord van br. Garcia.
Het huwelijk is mooi
„Beste Vriend Enrique,
Ik begrijp geheel en al je huwelijksgeluk. Het is goed zo. God schiep de man en legde in hem een sterk verlangen naar de vrouw, dat slechts overwonnen kan worden door een nog sterker verlangen naar Hemzelf. Dit alles is mooi en heilig, dat is duidelijk. Bovendien bezit het huwelijksleven een tendenz naar evenwicht vanwege de twee bewegingen, die zich in het huwelijk voltrekken: de ene beweging rondom de huwelijkspartner en de andere beweging naar God toe en wel vanwege de overdracht van de beweging naar elkaar op God.
Je uit als bezwaar tegen de r.k. kerk. dat zij van de pastoors egocentrische celibatairs heeft gemaakt, terwijl God dat niet van ons vraagt.
Dat God niet van ons vraagt, dat we ongehuwd blijven, is waar. De Kerk plaatst ons in de wereld een klein beetje zoals God dat met zijn Zoon heeft gedaan, toen Hij Hem zond naar de zo verlaten en hulpeloze wereld om de mensheid te dienen.
Als Christus in Gethsemané
Zo voel ik mij ook enigszins als priester: als iemand die liefheeft, terwijl ik zelden liefde terug ontvang; als iemand die troost zonder zelf getroost te worden; als iemand die binnen wordt geleid in allerlei intieme dingen van de anderen zonder dat ik zelf iets van mijn innerlijke leven aan de ander kwijt kan. Wat wil je? Dikwijls voel ik mij als Christus in Gethseman矤ie verzuchtte: Indien het mogelijk is, laat deze kelk aan mij voorbij gaan. Dan zweet ik weemoedigheid en droefheid — dat is het bloed van de ziel — om alles wat ik heb prijsgegeven en om alles wat ik op mij heb genomen......
God is mij dankbaar
Maar ik geloot vast dat God eenmaal recht zal doen aan onze harten. Want het zou een gemene streek (cana'lada) van God zijn als wij die voor Hem alles hebben geofferd, niet de waarheid zouden vinden.
Beste vriend, als ik getrouwd was zoals de anderen, dan zou ik niets hebben opgeofferd...... dan zou ik niet edelmoedig zijn geweest...... althans niet in deze hoge graad...... ik zou dan niets kunnen eisen tegenover het Hart van God dat mij dan nergens dankbaar voor zou behoeven te zijn.
Ik verheug me over je huwelijksgeluk en benijd er je om; ik zal mij moeten afbeulen gedurende mijn hele verdere loven, maar ik hoop dat God mij helpt om trouw te zijn. Je ziet dat ik geen loflied aanhef op het celibaat en toch aanvaard ik het, ook al kost het mij.
Daarom lijd ik
Je weet al, dat het GELOOF en het PRIESTERSCHAP en de GENADE en de LIEFDE geen zekerheid en geen vrede zijn in zichzelf, maar dat het een harde verwachting is, een hoop waarom wij vechten moeten en die wij elk moment weer riskeren en opnieuw moeten veroveren. Daarom lijd ik en daarom hoop ik.
In het oog van de overgrote meerderheid van de mensen zal ik een mislukkeling zijn, evenals Christus. Maar God volgt ons van uit de hemel?".
De rijke jongeling
Een prachtige brief van een hoogstaand mens. Maar wat een weemoedigheid, wat een oneindig verdriet klinkt er door deze regels heen. Het doet mij denken aan de rijke 'jongeling van het Evangelie in Mark. 10:17-27. Vooral deze verzen: „En lezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg Mij. Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg, want hij had vele goederen".
Ik vermoed, dat iedereen bij het lezen van die brief sympathie heeft gekregen voor deze priester. Maar we zouden zo graag zien, dat hij al die „goederen" die hij in de brief uitstalt, vooral de goederen van eigen offers en edelmoedigheid, ook nog zou opgeven en enkel als een verloren zondaar, berooid en naakt, tot Jezus zou gaan om door Hem overladen te worden met hemelse zegeningen. Hier volgt dan een gedeelte uit het antwoord van br. Garcia:
„Beste Vriend,
Ik was het type van de vleselijke mens
Je brief heeft mij zeer verblijd. Ik kan volkomen in je gcdachtengang inkomen. Ik heb het klooster verlaten in de overtuiging, dat daarbuiten er „ook" een mogelijkheid zou zijn om zalig te worden. Dat was voldoende voor mij. Maar ik moet erkennen, dat ik ben uitgetreden met een hele boel egoïsche n louter menselijke oogmerken. En ik zie nu heel goed. dat God zelfs dit alles wilde inschakelen om Zijn reddende, heilbrengende werk aan ons te voltrekken.
Enkele weken geleden heb ik een ervaring doorgemaakt, die een heel andere koers aan mijn leven gegeven heeft. Ik ben er geheel door veranderd. Mijn christcnzijn is niet meer dat van vroeger. Vroeger was ik dood, maar nu leef ik. leef ik in Christus.
Ik was een type van de vleselijke mens die de innerlijke spanning in zich draagt van het verlangen naar God ondanks alles; een tweestrijd die mijn ziel verscheurde.
Thans echter......
Thans echter zucht ik niet meer naar God, want God is een werkelijkheid in mijn leven geworden, die mij geheel vervult.
Vroeger werd ik heen en weer geslingerd tussen de zondigheid die ik in mijzelf ontdekte en het verlangen naar eeuwig heil, dat ik toch zo begeerde ondanks al mijn zonden. Nu is dat angstige verlangen verdwenen, want nu ben ik zeker van mijn eeuwig behoud. Ik weet dat omdat de Bijbel mij verzekert van de oneindige barmhartigheid die God in Jezus Christus betonen wil aan een ieder die in Hem gelooft. Toen de vastheid van de belofte van de genadige God zich voor mij opende, ontsprong de zekerheid van mijn behoud in mijn ziel en vervulde mij met de grootste vreugde van mijn leven. Geen lawaaierige vrolijkheid, maar een innerlijke zoete vreugde van de Heilige Geest, een vreugde die ik tevoren nooit had gekend.
Wedergeboren tot een nieuw leven
Natuurlijk ben ik niet zo hoogmoedig en zo dwaas dat ik zou beweren, dat ik voortaan niet meer za! zondigen. Maar wat is er dan met mij gebeurd, zo zul je vragen. Wil je dat ik het noem met een naam, dan zou ik willen zeggen, dat ik wedergeboren ben tot een nieuw leven. Maar de ervaring zelf is niet helemaal te beschrijven, zoals er ook in de liefde dingen zijn die aan elk woord ontsnappen. Wat ik je nog kan zeggen, is dit: God is een heel jaar met mij bezig geweest om mij zo ver te brengen. Deze blijde ervaring van de wedergeboorte greep plaats op de dag, dat ik inzag, dat de bron van de onzekerheid zit in de vermenging van het Evangelie met allerlei filosofieë theorieëen instellingen. Geloof en genade bieden wèl zekerheid volgens de Bijb! En als geloof en genade geen zekerheid meer aan ons bieden, dan ligt dat aan ons zelf, omdat wij deze Bijbelse openbaringen misvormd hebben door ons menselijk denken.
Nog dit over mijn ervaring:
Ik zag mijn ellende
Ik ontdekte dat ik vol ben van geestelijke ellende, besmeurd met de modder van de zonde, van onder tot boven. Ik zag het: als God oneindig heilig is, dan kan hij in mij niets vinden, dat voor Hem geen reden tot afschuw is, geen plekje in mij zonder vlek. Ik begreep de woorden van Paulus: „Er is niemand die rechtvaardig is, ook niet éé...... allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Rom. 3). De zondigheid van mijn natuur is radikaal en totaal, omdat het in wezen niets minder is dan de afwezigheid en zelfs de afwijzing van elke waarachtige liefde. En daarom: als ik iets verdien voor God, dan is het alleen dit, dat Hij mij van Zijn kant totaal en radikaal negeert en dat is nu juist de verwerping van voor Zijn ogen.
Wat nu? Moeten we dan maar verloren gaan? Neen, want er was een andere stem in mij, die tot mij sprak: Bekeer je! Maar deze bekering van het Evangelie is heel wat meer dan het uitspreken van een „mea culpa" (het was mijn schuld) aan de voeten van een priester. Het is heel wat meer dan het maken van goede voornemens, het volbrengen van de penitentie en het nauwgezette gewetensonderzoek.
Zie jezelf in je val en je vuil
In deze bekering luidt het: Ontledig je voor God; dood al die dingen van je, waarover je zo voldaan bent; laat je opgeblazenheid voor God varen, prik de luchtballon van je hoogmoed door, waarmee je denkt tot God te kunnen opstijgen en val neer voor Zijn voeten en schrei je berouw uit (ik vertel hier mijn eigen ervaring) en zweer niet meer: IK, IK zal nooit meer zondigen, want God walgt van die dure eden, die je zweert in eigen kracht. Zeg niet meer zo gemakkelijk: „Ik beloof of ik doe de gelofte......", want dan zal God je andermaal laten tuimelen in je ongerechtigheden, totdat je eindelijk al die listige goede voornemens beu bent. die zo verweven zijn met subtiele ijdelheid. En als je dan jezelf zo ziet, nadat je duizendmaal de nederlaag hebt geleden, als je jezelf ziet in je val en in je vuil, in je duisternis en je dood, roep dan met heel je ziel:
Christus red mij, want ik verga!
God heeft ons liefgehad
Toen deze schreeuw om hulp tot Christus zich uit mijn ziel losscheurde, gaf ik mij rekenschap van de waarheid, van de enige waarheid, die waarde heeft in deze wereld: „Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad en zijn Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden" (1 Joh. 4:10 r.k. vert.)
Christus is gestorven voor de zonden van hen die in Hem geloven. Het was voldoende dat Hij éémaal stierf om ons geheel en al te reinigen van elke schuld. De zaligheid ligt dus reeds voor ons klaar. Er is slechts nodig, dat wij evenals Zijn moeder zeggen: Mij geschiede naar uw wil! Het woord dat werelden kan omvormen, het woord dat wonderen wekt, is: „Ik geloof". Maar dan een geloof dat veel meer betekent dan: „Ik ben het er mee eens" (ook de duivel gelooft en toch siddert hij (Jak. 2 : 19) en er zijn er velen in de wereld die geloven en toch sidderen). Dit geloof betekent veel meer dan: „Ik hoop dat in het uur van mijn dood......". Het geloof dat zalig maakt, geeft antwoord op de uitnodiging van Christus: „Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven" (Mat. 9 : 2 ) . Dit geloof roept uit: lk vertrouw in U, o Christus, als mijn enige persoonlijke en eeuwige Zaligmaker.
Als de heilige Drie in ons wonen......
Als de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ons liefhebben en in ons komen wonen (Joh. 14 : 23), hoe zou zij ons dan mét die heilige inwoning ook niet de zekerheid van Hun liefde geven?
En met die zekerheid, dat de heilige God ons liefheeft en in ons woont, gaat vanzelf — het kan niet anders — de haat gepaard tegen al wat ingaat tegen de heilige wil van God, de haat tegen de zonde. De goede werken zijn een noodzakelijk liefdevol uitvloeisel van ons geloof.
Vrees en vreze
Nu weet ik wel, dat er staat: „Blijft (—) uw behoudenis werken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Fil. 2 : 12). Maar moeten wc dit vrezen en beven" niet verstaan in de zin van de eerbied voor de heilige God, die in ons bezig is en zijn heiligend werk aan en in ons voltrekt? Immers, hoe kunnen wij nog vrees hebben in de zin van angst voor de hel, als God zelf in ons niet alleen het werken maar ook het willen werkt? Angst in deze zin zou immers een motie van wantrouwen betekenen tegenover het werk van God in ons. En dan ook alleen kunnen we begrijpen dat er elders in de Bijbel staat: „Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf" (1 Joh. 4 : 1 8 ) . Ja, de vrees houdt verband met straf, maar de vreze houdt verband met eerbied en kan en moet samengaan met de liefde.
Ik ben geschrokken van je woorden
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik geschrokken ben van je woorden over God die dankbaar tegenover jou zou moeten zijn vanwege je heldhaftige celibaat en vanwege de hoop die je al vechtende in jezelf in stand houdt door vele offers heen. En van de eisen die je meent tegenover God te kunnen stellen. Je drukt op deze manier wel zeer scherp de leer van Trcntc uit over de verdienstelijkheid van de goede werken. Ik betwijfel of veel priesters je dat op zulk een krasse manier zouden durven nazeggen. Maar goed, jij geeft tenminste op heldere en harde wijze weer, wat diep in je ziel leeft.
Geef jij een liende van je inkomsten?
Maar dan moet ook ik van mijn kant eerlijk zeggen, dat ik bij het lezen daarvan vanzelf dacht aan de gelijkenis van de farizeë de tollenaar. Maar laat ik er meteen aan toevoegen, dat ik met het woord „farizeër" niet bedoel een bewuste huichelaar. De farizeeër loog niet toen hij zijn goede werken opsomde: „Ik vast twee maal per weck, ik geef tienden van al mijn inkomsten" (Luk. 18:22). Denk je dat eens in: Deze man leefde heel netjes. Hij was niet onrechtvaardig. geen rover, geen echtbreker en behalve dat gaf hij tienden van al zijn inkomen. Dat is heel wat. Doe jij ook wat? En dan vastte hij nog twee keer per week. Doe jij dat ook?
Moeten we liegen voor God?
En toch zegt Jezus van hem, dat hij niet gerechtvaardigd naar huis ging, omdat hij zich niet voor God wilde vernederen. Wat dan? Verlangt God dan van ons, dat wij voor hem staan te liegen en allerlei kwaad over ons zelf zeggen, dat niet waar is? Heeft God er plezier in, dat wij onszelf voor Hem zwart zitten te maken, terwijl we er diep in ons hart niets van menen?
Neen, natuurlijk niet. God heeft de waarheid lief en wil dat alle mensen tot de erkentenis der waarheid komen" (1 Tim. 2 : 4 ) . Maar die waarheid is nu juist, dat achter al onze „rechtvaardigheid", achter al onze „goede werken" het bederf schuilgaat, omdat wij in zonde ontvangen en geboren zijn.
„De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij zondaar genadig!"
Ik BEN een zondaar
Die tollenaar sprak de volle waarheid. Hij erkende niet slechts: lk heb zonden gedaan, maar: Ik ben een zondaar. En omdat hij de volle vernederende waarheid voor God erkende en zich hulpeloos overgaf aan de genade van God. daarom zei Jezus van hem: „Deze keerde gerechtvaardigd naar huis".
Lees deze gelijkenis toch eens opnieuw over, en vergelijk dan wat Jezus daar zegt, met wat jij schreef in je brief. Wat mij zo schokte, was vooral ook dit: Die farizeeër zei tenminste nog: „O God, ik dank U, dat ik niet ben zós de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers......". Maar jij schrijft, dat God jou dankbaar zou moeten zijn jegens jou vanwege je goede en heldhaftige leven. Hoe kun jij dan straks gerechtvaardigd naar het eeuwige Vaderhuis van God gaan?
Gods genadige Vaderarmen om je heen
Toe, denk hierover toch eens ernstig na. Ik stel je die vraag als vriend. Ik zou het verschrikkelijk vinden, dat jij. na zo veel ontzeggingen, toch nog verloren zou gaan, evenals ik het verdrietig vind, dat die farizee갬 die twee maal in de week vastte en tienden gaf van al zijn inkomen, toch niet verzoend was met God. Alleen wanneer je in ootmoed en geloof je keert tot de levende God. zoals de verloren zoon zijn berouw uitschreide voor de vader (Luk. 15). alleen dan zul je de ware vreugde vinden, de vreugde om de Vaderarmen die zich vol barmhartigheid en in eeuwige liefde om je heen sluiten!
Moge de Here je voeren naar zijn wonderbaar licht en naar zijn „onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde" (1 Petr. 1 : 8).
Zij vonden het geheim, V. R. Edman, 190 bl. f 3,50, ui tg. Het Zoeklicht, Driebergen. Twintig verhalen van levens die vernieuwd werden door een aanraking van de Geest Gods, o.a. Hudson Taylor, Bunyan. Oswald Chambers, Finney, Moodv, Andrcw Murray. Boeiend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
