In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De marbel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De marbel

11 minuten leestijd

Het was in een dorp achteraf. Ergens in Limburg. Dertig jaar geleden. Een jongen van een jaar of tien.

Zijn vader had een winkel. Een soort bazar van het dorp. Je kon er van alles kopen. Manchesterbroeken en harken voor het veld. Schoensmeer en chocolade. Nu had vader schone marbels ingekocht. Niet van die kleintjes, uit leem gebakken. Neen, van die dikke glazen stuiters. Prachtig gekleurd. Rood. groen en geel. In spiraalvormige slierten waren die kleuren in het glas ingeweven. Het was gewoon een wonder om te zien!

Ze lagen netjes ingepakt in een doosje. Met houtwol tussen de marbels, opdat ze niet beschadigd konden worden. De kinderen mochten er naar kijken, maar ze niet aanraken. Ze hielden hun adem in. O, hoe schoon!

Herman zou er graag een hebben. Maar het kon niet, had vader gezegd. Ze moesten weer verkocht worden. Vader moest er geld mee verdienen. Er waren negen kinderen, wier monden gevuld moesten worden.

Toen rijpte in Herman een plan. En hij stelde het meteen aan vader voor: Vader, morgen is het feest van Maria-Boodschap. Dan is er geen school. Als ik nu eens de hele morgen onkruid ga wieden op onze akker bij de Vossenberg, krijg ik dan zo'n schone marbel?

Dit verzoek moest vader wel inwilligen.

De volgende dag om ongeveer negen uur toog Herman naar het veld. De houten egge lag er nog. Hij hoefde alleen maar een hark mee te nemen.

Maria-Boodschap (25 maart) is een halve feestdag in Limburg. De boeren die erg gierig zijn, werken dan enkele uren. De anderen nemen helemaal vrijaf.

Herman had zijn door-de-weekse versleten pakje aangetrokken. De andere kinderen en ook de meeste grote mensen waren op zijn zondags gekleed. Dat schrijnde wel even in de ziel van Herman. Zijn grauwe jasje en zijn gerafelde broek tegenover de zonnige kleedjes van Annie en Mientje. Hij met de hark op de rug naar het veld en de andere mensen begonnen al te lopen naar de Hoogmis van half tien.

Maar de marbel lokte. En zo stapte Herman moedig verder. De akker bij de Vossenberg was een weerbarstig stuk grond. Erg vochtig, maar ook vruchtbaar. De bonenstruiken slingerden zich daar lustiger rondom de staken dan overal elders. Maar ook het onkruid tierde er welig.

Daar was vooral een soort onkruid, dat zich met lange, taaie wortels voortzet onder de grond. Vader had er heel wat zware vloeken aan besteed, maar het had niet geholpen. En zijn grotere broer had er ook al heel dikwijls de kleine vloekjes, die hij van vader nu ook al mocht zeggen, over uit gesproken. En een keer, toen vader er niet bij was, had hij zelfs de grote vloek van vader gebruikt. Maar grote of kleine vloeken, vloeken van vader of zoon, het baatte niet. Het onkruid bleef hardnekkig.

Herman nam de egge en trok die over de akker. Daarna harkte hij het onkruid bij elkaar. In duidelijke afgebakende hopen, zodat vader zijn resultaten goed kon overzien.

Het was een mooie lentedag. De botten zweiden in de bomen. De vogels zongen en speelden in de struiken. Overal rook je de groei en het leven.

In het begin ging het goed. Herman had een beetje plezier in zijn werk. Hij kon toch al veel. Hij leek wel een groot mens. Zo alleen op het veld. Sjaak van de Mulder (molenaar), die bekend stond als de rapste werker van het dorp, zou het hem misschien niet eens na doen. En dan de marbel! Die danste voor zijn ogen. Wat zou hij stoefen tegenover de andere kinderen. Hij lekker zo'n schone marbel. En zij hadden het voor het toekijken. Ja, nou zaten ze vroom in de kerk en straks zouden ze wel gaan spelen met hun lemen marbels. Maar wacht maar eens! Straks zou hij thuis komen en dan zou hij met zijn grote glazen marbel al hun lemen ondingen omver knikkeren. Wat zouden ze jaloers zijn! Herman keek naar de Vossenberg. Hij voelde zich zelf ook als een vos, zo slim. Zou hij misschien ook niet van de vossen afstammen? Had hij niet ergens zo'n sprookje gelezen?

De zon klom hoger aan de hemel. De rug van Herman begon pijn te doen van het voortdurend bukken. Zweetdruppels blonken op zijn hoofd en liepen in zijn ogen. De eenzaamheid begon zwaar te wegen. Geen mens kwam er voorbij. Achter de Vossenberg strekten de dennebossen zich heel. heel ver uit. Je kunt daarin verdwalen.

Alle lust in de arbeid begon bij Herman te verdwijnen. Als het Angelus-klokje twaalf uur zou kleppen, mocht hij naar huis komen, had vader gezegd. Dan had hij zijn marbel verdiend. Zou het nog geen twaalf uur zijn? Neen, dat kon nog niet.

Weer trok hij de egge over het stugge land. Weer harkte hij het onkruid bij elkaar en voelde zich zo moe. Hij struikelde over de hark. Voor het eerst kwamen de kleine vloekjes van zijn grotere broer over zijn lippen. Hij mocht dat nu toch onderhand wel. Hij was al een groot mens, die alleen op het veld werkte. Waarom zou hij eigenlijk ook niet de grote vloek van vader mogen zeggen met „God" er in? Vlak bij zat een vink te zingen in de heesters. Verderop trippelde een wipstaartje verend over het veld. Hij pakte een steen en gooide naar het wipstaartje. Natuurlijk mis. Die rotdingen zijn ook altijd te rap.

Herman ging er bij zitten. Even uitpuffen. Het was,of de lente ook in zijn jonge lichaam begon te werken. Het gareel van de gestage arbeid beklemde hem. Hij had lust om te spelen, om te buitelen en te vechten.

Was hij nu werkelijk zo slim? Is het niet dwaas, om voor een marbel — hij mag dan nog zo mooi zijn — een heerlijke vrije morgen op te offeren? De zandheuvel tegenover hem leek hem nu geen Vossenberg meer, maar een Ossenberg. En aan de voet van die heuvel zat hij, de grootste os van heel de wereld en van alle tijden. Want wie gaat een hele morgen met de houten egge over het veld trekken, om en simpele marbel te verdienen? Hij werd kwaad op zich zelf, kwaad op zijn vader, die van hem geëist had, dat hij tot twaalf uur zou werken. Hij stond op. Iemand moest hem eens vanuit het bos bespionneren. Dan zou hij misschien niet eens zijn marbel krijgen. Zijn grote broer, die hem deze morgen zo vierkant had uitgelachen, zou best op de loer kunnen liggen, om het dan aan vader over te klikken, dat hij maar wat geluierd had.

Wat schoot de tijd slecht op. Zou het nog geen twaalf uur zijn? Misschien had hij het Angelus-klokje niet gehoord. Als de wind in de verkeerde hoek zit, is dat best mogelijk. Hij wierp een verdord blad in de lucht. Maar het kwam bijn recht naar beneden. Het was zo goed als windstil.

Ineens hoorde hij wat kraken in het bos. Was het misschien zijn broer? Maar neen, het moest wel die Vlaamse gaai zijn geweest ,die hij nog net zag wegvliegen. Een ekster zat te kraaien in een hoge boom. Het leek of die hem ook al zat uit te lachen. Ineens was het. of heel de natuur hem voor de gek hield. Daar werd geleefd, gefloten en geliefd. En dat ging allemaal vanzelf. Zonder die domme harde arbeid van Herman.

Het bos met zijn geheimzinnige donkerte begon nu dreigend naar hem te kijken. Het was of dat hem toeriep: Wat doet gij hier, onnozele hals, in deze speelse, zonnige, onbezorgde omgeving? Maak, dat ge weg komt. Gij verstoort onze vreugde met uw starre strakke tronie.

Herman voelde zich klein worden. Angst bekroop hem. Had hij in de boekjes niet gelezen van rovers, die zo maar de struiken uitsprongen en kinderen meenamen?

Waar bleef het bevrijdende Angelus-klokje? Het moet al lang twaalf uur zijn. Hij moet het vast niet gehoord hebben. Zal hij maar gaan? Maar als het nu toch nog geen twaalf uur is. dan heeft hij de marbel niet verdiend en dan zullen de andere kinderen de spot met hem drijven.

Moeizaam werkt hij nog enkele minuten verder. Maar de twijfel besluipt hem opnieuw. Misschien is het al lang twaalf uur geweest. En dan zal zijn grotere broer schaterlachen van leedvermaak om die stomme ezel, die zo lang heeft liggen ploeteren voor een marbel.

Suf geredeneerd, moe gesloofd kan hij het tenslotte niet meer uithouden. Hij neemt de hark op de rug en gaat naar huis. Onderweg meent hij dat alle mensen naar hem kijken en alsof heel het dorp zit te schudden van het lachen om die dwaze Herman. Haastig gaat hij iedereen voorbij. Vlak bij huis zet hij het op een lopen en rent naar binnen.

„Vader, mag ik nu de marbel hebben?" Vader is verbaasd, hem nu al terug te zien. Hij kijkt op de klok. „Het is nog pas elf uur, jongen. Je hebt de marbel nog niet verdiend. We hadden toch afgesproken: totdat de Angelus zou kleppen.' Dat wordt voor hem te veel. De vermoeidheid en de spanning op het stille veld breken zich een baan en zoeken een oplossing in tranen. Herman begint hevig te snikken. Te midden van deze stortvloed smeekt hij: „Ik heb al zoveel gedaan. Ge moet eens gaan kijken."

Vader krijgt medelijden. „Herman, kom maar. je mag kiezen." Van onder de toonbank vandaan haalt vader het kistje met de schone marbels. Herman droogt met zijn mouw zijn tranen af. Zijn gezicht begint weer te glunderen. Hij pakt meteen die ene, die hij gisteren ook al op het oog had. „Dank u wel, vader", zegt hij en rent naar buiten, om zijn marbel aan iedereen te laten zien. Zijn oudste broer stuift echter op hem af: „Wat jij, stiekemerd! Je hebt niet tot twaalf uur gewerkt. Dat vind ik gemeen!" Ook de andere kinderen zijn jaloers. Ze gaan met elkaar verstoppertje spelen en Herman mag niet meedoen. Hij gaat nu alleen met zijn marbel spelen. Hij is er wel blij mee. maar er is zoveel bitterheid gemengd in zijn vreugde. Laat in de middag is de vrede weer getekend. Ze gaan samen naar de Witte Berg, niet ver van huis. De top van deze heuvel is onbegroeid. Onderweg omklemt Herman angstvallig de marbel. Het is toch een rijk bezit en dat mag je zo maar niet verliezen.

Ze gaan spelen in het mulle zand. Er wordt een kuiltje gemaakt en daar mogen ze één voor één de glanzende marbel van Herman in mikken.

Wat later gaan ze diepe voren graven. Herman doet aarzelend mee, maar betast telkens weer eens zijn zakken, of hij zijn marbel nog heeft. Andere kinderen komen ook naar de heuvel. Ze hebben veel plezier. Ze gaan „vlag veroveren". Herman gaat op in het spel. Hij vergeet zijn marbel. De druk van de morgen ontspant zich in dit wilde ravotten. Hij is gewoonweg uitbundig.

Ginds klept weer het Angelus-klokje van de avond. Dat is het teken, dat ze naar huis moeten. Ineens herinnert Herman zich weer de marbel. Zenuwachtig grijpt in zijn zakken. Hij is niet te vinden. Kwijt! Zijn schone marbel verloren, waar hij de hele morgen zo hard voor gezwoegd heeft.

Koortsachtig gaat hij zoeken. Sommige kinderen zoeken mee. Anderen genieten van het verdriet van Herman. Zijn oudste broer roept hem toe: „Allez, stommerik, ga zondag maar weer de hele morgen in het veld zitten wroeten. Dan krijg je wel weer een nieuwe!"

He: is onbegonnen werk. De marbel is onvindbaar tussen het zand. Teleur gesteld gaat Herman naar huis. Hij kropt zijn verdriet op. Hij wil zich niet laten kennen. Hij bijt zijn tranen weg.

's Nachts wordt hij met een schreeuw wakker. „Waar is mijn marbel, waar is mijn schone marbel?"

Een week later. Vader heeft een goede bui. Er zijn die dag veel klanten geweest van andere dorpen. Dat was het resultaat van een advertentie, die vader in het streekblad had geplaatst. Wel voor vijftig gulden was er die dag verdiend. Vader roept de kinderen. Ze krijgen nu allemaal een glazen marbel. Ze mogen ook zelf kiezen. Ook Herman krijgt een nieuwe.

Die dag zijn de kinderen erg lief. De groteren gaan 's middags mee met vader naar de akker bij de Vossenberg. Ijverig helpen ze mee met het wieden van het onkruid. Tussendoor mogen ze even spelen met hun marbels.

Herman voelt nog wat napijn, dat de andere kinderen de marbel voor niks hebben gekregen, terwijl hij er een hele morgen voor had moeten werken. Maar de gemeenschappelijke blijdschap krijgt ook hem te pakken. Tenslotte had hij dan toch ook weer een nieuwe gekregen, ook zo maar voor niks.

Wat is nu de arbeid licht! Met de marbel al vooruit in je zak. En dan met zijn allen samen aan het werk! Nu fluit Herman mee met de vogels in de struiken. Nu werkt hij niet van negen tot twaalf, maar van twee tot zes uur. En hij voelt zich niet half zo moe, als het Angelus-klokje hen weer naar huis roept.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De marbel

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965

In de Rechte Straat | 32 Pagina's