Leven uit dankbaarheid
Dit verhaal is werkelijk gebeurd. Waarom ik het hier afdruk ?
Omdat het zo duidelijk het verschil van levenshouding uitbeeldt van de mens, die uit genade leeft en van de mens die het van zijn werken verwacht.
De mens die meent dat hij langs de weg van allerlei verstervingen en boetedoeningen en op grond van zijn goede werken de hemel moet verdienen, ligt onder de zweepslag van het loon. Hij is een ploeteraar die moeizaam zwoegt voor zijn strenge Heer God. En bovendien loopt hij dan nog de kans dat hij zijn loon voor altijd ziet ontglippen, wanneer hij vlak voor zijn dood een zware zonde doet, die hij niet meer kon biechten en waarover hij ook geen volmaakt berouw kon verwekken.
„Ik móét de marbel hebben!"
Er zijn er die de kans op het winnen van de marbel (de hemel) zo zeker willen maken, als maar mogelijk is. Ze gaan zich opsluiten in een klooster en offeren hun jeugd en de normale levensvreugde, die God aan de mens schenkt in het huwelijks- en gezinsleven met de bedoeling om aldus de marbel van de eeuwige heerlijkheid te verdienen. Soms luisteren ze naar de levensvreugde, die aan het klooster voorbijtrekt of ze zien de verrukkingen van twee geliefden, en dan komt in hun harten — het kan niet anders — een stuk jaloersheid boven. Indien dat tot hun bewustzijn doordringt, zullen ze er tegen strijden, want ze weten wel dat in zulk een jaloersheid de opstand van de natuur zich uitwerkt, die niet akkoord wil gaan met dit offer.
Maar vaak zullen ze de juiste aard van hun gevoelens niet kunnen achterhalen. En dan troosten ze zich met de gedachte: Wij verdienen in elk geval de hemel. De anderen moeten het maar afwachten. En wij zullen daar een hoge graad van zaligheid genieten. Wij zullen een van de schoonste marbels krijgen. Wie het laatst lacht, lacht het best.
En toch telkens de angst
En toch, ook hen kan telkens weer de angst bekruipen: Zullen we de marbel wel krijgen? Hebben we wel voldoende gearbeid? Zal de Vader in de hemel wel tevreden over ons zijn?
Het blijde Evangelie echter zegt: „De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba. Vader!" (Rom. 8:15).
Degene die uit genade leeft, gelooft in een God, die reeds vooruit een deel van het loon gegeven heeft als 'n onderpand van het volkomen loon, dat ons eenmaal geschonken zal worden. Wij spelen hier op aarde reeds met de marbel van het eeuwige leven. Wij verlustigen ons in de prachtige kleuren. Wij weten, dat wij door het geloof één zijn geworden met Jezus Christus, en dat God thans ook in ons behagen heeft, louter door Hem. Daarom kunnen wij ook onbezorgd meezingen met de vreugde van deze Zoon Gods, Zijn Woord en Wijsheid, zoals Hij dat uitjubelt: .,Toen Hij de fundamenten der aarde legde, was ik bij Hem als een troetelkind, was ik elke dag zijn vermaak, dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen, spelend op zijn wereldrond, en mij vermakend met de kinderen der mensen" (Spreuken 8:29-31).
Wij weten ook, dat wat wij nu in het geloof mogen genieten, slechts een voorproef is van wat ons te wachten staat, wanneer wij eenmaal voor altijd bij God mogen zijn. „Maar wij verkondigen wat. naar het woord der Schrift, geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensengeest is opgekomen, al wat God heeft bereid voor die Hem liefhebben" (1 Kor. 2:9).
Beloven — Geloven
In deel I van deze brochure hebben wij reeds dit Evangelie van de loutere genade in Jezus Christus vanuit de Schrift belicht. We willen er nu nog dit aan toevoegen:
Ook wij zouden zulk een heerlijke boodschap niet zo maar durven aanvaarden, als het niet al te duidelijk in de Bijbel stond. Steeds weer keert dat thema terug in de Bijbel: Het is louter op grond van het Werk van Christus en niet op grond van onze (goede) werken, niet op grond van een recht of van een verdienste onzerzijds, maar enkel op grond van een belofte, waaraan God Zichzelf heeft willen binden, dat wij het eeuwige leven ontvangen.
Aan de belofte van God moet van onze kant beantwoorden het geloof in die belofte: Wie gelooft wat God belooft, heeft het eeuwige leven.
Zeer kernachtig tekent Paulus de redding op grond van de belofte van God en langs de weg van het geloof van de mens in Gal. 3:21, 22: „Is de Wet dan in strijd met de Beloften? Zeker niet! Was er een wet gegeven die het leven kon schenken, dan zou de gerechtigheid inderdaad voortvloeien uit de Wet. Maar in feite zijn allen volgens de Schrift de gevangenen der Zonde. Slechts op grond van het geloof in Jezus Christus zou de Belofte worden ingelost, aan hen dus die geloven". Wij willen echter niet weer opnieuw allerlei teksten aanhalen, waarin de redding enkel door geloof wordt verkondigd. We hebben dat in het eerste gedeelte gedaan.
Lees eens opnieuw de Bijbel
Wij zouden u echter de raad willen geven: Ga nu eens opnieuw de Bijbel lezen in het licht van deze blijde boodschap. En u zult zien, dat dan het geheel van Gods Woord veel doorzichtiger wordt. Allerlei teksten zult u nu ineens kunnen verstaan en u zult iets gaan begrijpen van de wondere samenhang van Gods openbaring.
Alleen nog dit:
In het laatste hoofdstuk van de Bijbel lezen wij: „lk verklaar aan ieder, die de profetieën van dit boek hoort voorlezen: „Als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven staan. En als iemand iets afneemt van de woorden van deze profetie, zal God hem zijn deel afnemen van de boom des levens en van de heilige Stad. die in dit boek beschreven zijn". (Openb. 22:18, 19).
Welnu, vlak te voren, in vs. 17 lezen we nog: „Wie dorst heeft, kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet". Om niet. Dat wil dus zeggen, dat we er niet voor hoeven te betalen. We hoeven er geen prestaties voor te verrichten. Wij behoeven in ruil voor dit water des levens niets terug te geven. We lezen trouwens telkens in de Schrift, dat Christus alles voor ons heeft betaald. Daarom mag Hij ook de schatten van verzoening en van leven, die Hij voor ons verdiend heeft, gratis uitdelen. God is rechtvaardig en eerlijk. Hij laat de hemelse goederen, die Jezus voor ons heeft betaald, niet nog een tweede keer betalen, p... door ons. „Maar Jahweh is ook barmhartig en genadig, lankmoedig en rijk aan ontferming". „Hij vergeldt ons niet naar onze zonden, en straft ons niet naar onze schuld. Neen. zo hoog als de hemel zich boven de aarde verheft, zo groot is zijn goedheid voor hen, die Hem vrezen. Zo ver het oosten staat van het westen, werpt Hij onze schuld van Zich af, Zoals een vader zich over zijn kinderen ontfermt, ontfermt Zich Jahweh over hen die Hem vrezen" (ps. 103 102:8, 10-13).
Diskussie uit waarheidsliefde?
Misschien komt iemand nu aandragen met de tekst in Openb. 22:12, waar staat: „Zie, ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk".
Natuurlijk is het goed. dat wij alle teksten tot hun recht laten komen. Wij mogen bepaalde gedeelten in de Bijbel niet ontvluchten, omdat ze niet goed lijken te passen bij onze opvattingen.
Maar van de andere kant moeten wij ook onszelf onderzoeken en nagaan, waarom wij bepaalde stukken steeds maar naar voren schuiven.
En zo zou ik ook willen vragen: Waarom haalt u deze tekst (en misschien nog enkele andere teksten) aan, terwijl er toch een overweldigend getuigenis tegenover staat van teksten, die het Evangelie van Gods loutere genade verkondigen? Doet u dat uit rustige waarheidsliefde? Dan is het prachtig en dan kunnen we daar ook in alle vrede verder over praten.
Geen zakelijk wantrouwen tegenover God
Of komt het misschien daaruit voort, dat u niet de vreugde hebt ervaren, dat u kind van God bent. Staat u misschien nog tot God in de verhouding van een arbeider tot zijn werkgever?
In dat geval is het te begrijpen, dat u steeds enig wantrouwen bewaart ten opzichte van Gods liefde. Zoals ook een werknemer terecht enig wantrouwen heeft ten opzichte van zijn baas. Dat is gezond. Niemand zal het een arbeider kwalijk nemen, als hij zijn loonzakje kontroleert, en als hij nagaat, of het loon wat hij krijgt, wel in overeenstemming is met het arbeidskontrakt. Dat is volkomen zakelijk. Dat is nodig in deze wereld, waar wij telkens met zondige mensen te maken hebben.
Maar als wij een dergelijk zakelijk wantrouwen tegenover God koesteren, staan wij niet in de juiste verhouding ten opzichte van Hem. Dan hebben wij nog een slavenziel. We leven dan nog onder de slavernij van de Zondemacht en van de Boze. We zijn dan nog niet overgeplaatst in het Koninkrijk van Gods liefde. We hebben God dan nog niet persoonlijk leren kennen als onze Vader in Jezus Christus. We bezitten dan niet de Geest van het zoonschap, maar de geest van slavernij (Rom. 8:15).
Hebt u een slavenziel?
En tegenover zulk een slavennatuur is niet te redeneren. Zulke mensen zullen altijd wantrouwend blijven staan tegenover Gods grote liefde. Ze kunnen eenvoudig niet anders: „Maar de natuurlijke mens aanvaardt niet wat komt van de Geest Gods. Hij beschouwt het als dwaasheid. Hij is niet eens in staat deze dingen te vatten; alleen de Geest Gods onderscheidt ze" (1 Kor. 2:14). Het is n.l. dan een kwestie van instelling. Ze zullen dan altijd wel weer een tekst vinden om Gods oneindige goedheid in twijfel te trekken. Ze staan tegenover de gratis-saanbieding van Gods genade, zoals wij staan tegenover gratisaanbiedingen van reclame-artikelen. Dan denken wij ook (terecht): „Oppassen! Langs een omweg zul je het toch wel weer moeten betalen". Maar zo mogen wij niet denken over God. Wanneer Hij zegt: „Neem het water des levens om niet" dan is het ook werkelijk om niet. Bij God schuilen er geen addertjes in het gras. God zegt niet: „Hier, neem het maar gratis", om dan toch nog langs een omweg betalingen te eisen. God houdt er geen dubbelzinnigheden op na.
Het werk, dat God van ons vraagt, is het geloof
Maar hoe zit het dan met die woorden: „Zie, ik kom spoedig, en mijn loon breng ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk".
Ik wil daarvoor wijzen naar Joh. 6:22-47, waar Jezus gewikkeld is in een twistgesprek met de Joden, die immers ook tegenover God stonden in de verhouding van een knecht, die zijn loon wil verdienen op grond van zijn gepresteerde werk. Jezus zegt tot hen: „Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u geven zal. De Vader, God zelf, heeft Hem immers van zijn waarmerk voorzien. Daarop zeiden zij tot Hem: Welke werken moeten wij voor God verrichten? Jezus gaf hun ten antwoord: Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft" (27-29).
Het is dus duidelijk, dat, wanneer Jezus spreekt over de werken, op grond waarvan wij vergelding zullen ontvangen, Hij daar steeds mee bedoelt: het geloof en het ongeloof. Jezus bedoelt dan blijkbaar, dat het geloof een daad is, die van de ene kant een gave Gods is, maar die van de andere kant door ons moet worden gesteld. Daarom zegt Jezus in hetzelfde gedeelte: „Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt" (vs. 44).
O geloof dan in Jezus Christus en wees voor eeuwig behouden !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
