De heerlijkheid van Gods wet
Wanneer wij ons verlost weten van de vloek der wet, dan kunnen wij die wet van God rustig beschouwen. Dan hoeven we niet meer te sidderen van angst, als wij het onverbiddelijk .,Gij zult" van de berg Sinaï naar beneden horen daveren over het dal van onze zwakke zondige natuur.
De ervaring van de heerlijkheid der wet
Wanneer de heerlijkheid van Gods wet over ons gaat lichten, dan is dat een aparte vreugdevolle ervaring.
Dat komt omdat de wet een weerglans is van Gods eigen heerlijkheid. In de wet zien wij de Here bezig, die strakke lijnen trekt, lijnen die zich uitstrekken naar steeds wijkende einders, eeuwige lijnen, die absolute geldigheid bezitten. In God is alles zuiver, helder. In het nieuwe Jeruzalem, waarin wij eenmaal mogen binnentreden, zijn de poorten uit één parel gevormd en de straten zijn van zuiver goud, gelijk doorschijnend glas (Openb. 21:21). In die stad zal dan ook niets wat onrein is, binnenkomen (vs. 27). Wij kunnen met God nooit schipperen. God haat alles wat krom is. Voortdurend wordt dan ook in de Bijbel de leugen gehekeld. In Openb. 22:15 staat dan ook uitdrukkelijk vermeld, dat uit dit eeuwige Jeruzalem buiten zullen gesloten worden: „een ieder die de leugen liefheeft en doet".
De schoonheid van de geboden
Gods geboden scheppen orde in de wereld, orde in de menselijke samenleving, orde in ons eigen leven. In een prachtige harmonie loopt alles dan naast elkaar grijpt in elkaar in, wanneer wij deze richtlijnen van Gods wijsheid volgen.
En de schittering van die volmaakte orde doet zich aan ons voor als onoverzienbare schoonheid, waarin onze ogen zich telkens weer kunnen verlustigen: „Ik verlustig mij in uw geboden die ik liefheb" (ps. 119:47).
„Ik verlustig mij in uw wet"
In het Oude Testament is de ervaring van de heerlijkheid van Gods wet op ontroerende wijze neergelegd in psalm 119. U moet die psalm eens op u in laten werken. Het is een bewogen lied, een zuchten naar de gerechtigheid, een smeken om de genade.
„Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen" (vs. 10). „Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde" (20). „Ik ben de uwe, verlos mij, want ik zoek uw bevelen" (94). ,.Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht, want uw geboden vergeet ik niet" (176).
U beluistert daarin van de ene kant de verootmoediging voor Gods geboden. Want het aanschouwen van de heerlijkheid van Gods wet vervult ons met ontzag, met deemoed. Voor dit verblindende licht deinzen we bijna instinktmatig terug: „Mijn vlees beeft van schrik voor U, ik vrees uw oordelen" (120). Het is de Here zelf die aan ons verschijnt in zijn heilige geboden.
En van de andere kant het pleiten op Gods barmhartigheid, omdat wij anders niet kunnen leven: „Uw barmhartigheid kome over mij, opdat ik leve, wan uw wet is mijn verlustiging" (77)
Ootmoed - barmhartigheid - verlustiging
Dat zijn de drie magnetische polen, die ons streven naar de vervulling van Gods geboden in evenwicht moeten houden.
Wanneer wij de ervaring van de heerlijkheid van Gods wet ondergaan hebben, dan komt er een geweldig verlangen in ons op om die schoonheid van God in ons leven te verwezenlijken. We strekken ons er naar uit, wij jagen er naar: „Niet. dat ik...... reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik door Christus gegrepen ben" (Fil. 3:12).
Maar telkens ontdekken wij dan ook. dat wij het doel niet bereiken. Telkens stoten wij op ons egoïsme, op onze barre zondigheid. Het is dan ook volkomen begrijpelijk, dat wij de strijd zouden opgeven, als wij niet altijd weer konden rekenen op de barmhartigheid Gods in Jezus Christus.
Daardoor weten we allereerst, dat de Here ons nimmer het kwade blijft aanrekenen. We mogen altijd weer opnieuw met Hem beginnen. Op zichzef is dat niet begrijpelijk. We kunnen dit alleen in geloof aanvaarden op grond van Gods eigen Woord. Met ons gewone menselijke verstand zouden we zeggen: God moet daar op de duur genoeg van krijgen. Hij kan niet aan het vergeven blijven. Ergens moet er toch een grens zijn aan zijn geduld met ons.
Maar door het geloof weten wij, dat die grens er nu niet meer is. In Christus zjjn alle grenzen van Gods barmhartigheid opgeheven, „'s Heren goedheid kent geen palen".
„Het moet voor u vaststaan!!"
Dit is van enorm belang. „Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wel dood zijt voor de zonde, maar levend voor God" (Rom. 6:11). Daar moogt u nooit aan twijfelen. Anders blijft u op de duur teleurgesteld in de zonde liggen. U geeft deze vermoeiende strijd dan op.
Onze hoogmoedige natuur kan dat ook niet verdragen om altijd maar weer zulk een hoog ideaal voor ogen geschilderd te krijgen en toch steeds te moeten konstateren, dat wij er aan te kort komen, dat wij het niet bereiken.
Er is grote nederigheid voor nodig om altijd weer opnieuw te beginnen: een nederigheid waarom wij steeds moeten blijven bidden, want het is een vrucht van de Heilige Geest.
Alleen zo kunnen we ons toch steeds weer laten bezielen door de wet Gods en ons verlustigen in haar schoonheid en streven naar haar vervulling, alsof we nog nooit een nederlaag hadden geleden.
Het hooglied van de liefde
In psalm 119 klinken de verlustiging in Gods wet, de verootmoediging en het zuchten naar de barmhartigheid nog door elkaar. De psalmist slaat nu eens deze, dan weer een andere toon aan.
Maar in het Nieuwe Testament ligt dat veel opener voor ons. En zo vind ik dan in 1 Kor. XIII een zuivere lofzang op de heerlijkheid van Gods wet zoals die zich openbaart in het hoogtepunt en de samenvatting en de grond van al Gods geboden, n.l. de liefde.
Heel de opbouw van dat hoofdstuk, het ritme, de lange volzinnen ter inleiding en ter afsluiting, met de korte uitroepen in het midden, — dat alles is op zichzelf reeds een uitbeelding van de schoonheid van de liefde.
Maar als je dan let op de inhoud, dan is het alsof de liefde in al haar gratie voor je oprijst. En het is alsof je Paulus hoort hijgen, alsof je zijn ogen ziet tintelen, alsof je hem hoort uitroepen: Kijk toch eens. hoe mooi, hoe mooi!
„De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren... Zij zoekt zichzelve niet... Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij".
Nog meer laat Paulus de liefde voor het voetlicht treden, wanneer hij haar stelt tegenover de uitingen van de duistere, koude zelfzucht:
„Zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet. zij is niet opgeblazen......"
Zonder zekerheid der vergeving; geen liefde
Wellicht zult u het er nu mee eens zijn, dat zulk een zichzelf vergetende liefde niet mogelijk is zonder de zekerheid van de vergeving der zonden.
Wanneer wij bang zijn, dat God ons eenmaal toch nog zal wegwerpen in het eeuwige vuur, dan kunnen wij Hem immers niet echt liefhebben. Denkt u dat maar eens in. Hoe kan een vrouw een man oprecht liefhebben, wanneer zij weet, dat hij in staat is om haar levend in een oven te verbranden, wanneer zij in ernstige mate zijn bevelen zou overtreden. Bij zulk een ontzettende mogelijkheid kan alleen de angst de grondtoon zijn van haar verhouding tot haar man. .,De volmaakte liefde drijft de vrees uit" (1 Joh. 4:18).
En als wij de naaste helpen, omdat we daardoor iets verdienen willen, n.l. een hogere graad in de hemel, dan zit het eigenbelang reeds aan de wortel van onze hulpvaardigheid. Een dokter die een zieke behandelt, is niet te vergelijken met de barmhartige Samaritaan van de Bijbel, want hij werkt voor loon, terwijl de barmhartige Samaritaan bereid was om zelfs de dokterskosten te betalen voor deze gewonde, die verder een vreemde voor hem was.
O, de schoonheid van de liefde!
Laat ik die liefde nog even tekenen in het leven.
Vindt u het niet mooi, wanneer u geen spoor van jaloersheid in u zou ontdekken? Als een ander succes heeft, als u ziet hoe uw buurman steeds vooruitgaat. Eerst had hij een fiets, toen een bromfiets, daarna een lelijk eendje, en nu glijdt hij in een slee van een wagen voor zijn huis. Overigens zal hij weldra verhuizen naar een riante villa. Kunt u zich dan zuiver verheugen over dit snelle opklimmen? Of knaagt het aan u, dat u nog altijd maar door weer en wind op uw fiets moet springen?
En als uw buurman, die eerst uw vriend was, nu op u neer begint te zien; als zijn vrouw nu vanuit de hoogte begint te doen, — begint er dan niets in u te koken? En gaat u dan niet uit wraak allerlei kwaad van hem denken en ook verder vertellen? Of blijft u volkomen rustig, vergevingsgezind, verbonden in de alomvattende vrede met uw God en Vader, met uw Heiland Jezus Christus, in wie u immers alles hebt, alle schatten van vrede en verzoening en liefde?
Er was er EEN die dit klaarspeelde, n.l. Jezus Christus. Hij is volmaakt gehoorzaam geweest aan de geboden. En dat is al een stuk heerlijkheid: "Wij zijn van Jezus Christus en Hij heeft ons gezegd, dat wij Zijn heiligheid ook als de onze mogen beschouwen, als wij door het geloof één Lichaam met Hem worden. In Christus hebben ook wij dus enigszins dat ideaal al bereikt. Maar we moeten steeds weer trachten dit beeld van Christus in ons te laten vormen.
Het gaat vanzelf
Als de Heidelbergse catechismus de leer over de rechtvaardiging om niet, zonder enige verdienste onzerzijds, besproken heeft, dan stelt hij deze vraag:
„Maar maakt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen?"
En het antwoord luidt dan:
„Neen, want het is onmogelijk, dat iemand die door een waarachtig geloof in Christus is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid".
Dat is volkomen de leer van Jezus zelf. „Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen" (Joh. 15:5).
Wanneer iemand weet, dat Christus ons door Zijn dood van onze eeuwige dood heeft gered en dat wij nu leven door Zijn leven, dan kan het niet anders of er zal wederliefde in ons hart komen. En de reden is vooral dit: Slechts door het gelovig vertrouwen in Hem kunnen wij weten, dat Hij voor ons is gestorven en voor ons is opgestaan uit de doden. Het ligt in de aard van dit gelovig vertrouwen, dat Christus dan het middelpunt wordt van ons zieleleven. Dit geloof is uit zichzelf een levende verbondenheid met Jezus Christus. Welnu wanneer wij innerlijk steeds met Christus omgaan, dan kan het niet anders of wij worden geprikkeld om Hem na te volgen. Dan komt vanzelf het verlangen in ons op om te worden zoals Hij.
Toch is er oefening nodig
Dat de heiliging vanzelf gaat, moeten we echter niet zo verstaan, dat wij er geen moeite voor behoeven te doen. De Bijbel spreekt duidelijk een andere taal. Ik noem slechts enkele voorbeelden: „Gij hebt nog niet ren bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde" (Hebr. 12:4). „Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd..." (2 Petr. 1:5). „Ik tuchtig mijn lichaam en houd bet in bedwang" (1 Kor. 9:27).
„Oefen u in de godsvrucht" (1 Tim. 4:7). ,.En hierin oefen ik mijzelf, altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen" (Hand. 24:16).
Wanneer wij menen, dat de vruchten van de levensheiliging zonder persoonlijke inspanning in ons zullen rijpen, wanneer wij maar door het geloof met Christus verbonden zijn dan vergissen wij ons. Want de oude mens is in ons nog niet dood. „want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde" (Rom. 6:7). Het doodvonnis is over de oude mens uitgesproken in Christus, maar dat vonnis moet nog in ons worden voltrokken. En die terechtstelling zal heel ons leven in beslag nemen. Wij zijn rechtens vrij van de zonde, wanneer wij door een waarachtig geloof lid zijn geworden van het Lichaam van Christus. De duivel kan ons dan nooit meer aanklagen. Er is geen verdoemenis meer voor ons op grond van onze zonde. Maar dat rechtens vrij zijn van de zonde, wil nog niet zeggen, dat we ook in feite vrij zijn van de zonde. Het dagelijkse leven van de gelovige bewijst het maar al te zeer.
De Heilige Geest zal het doen
Dat is weer een andere troostvolle openbaring van de Bijbel. Zeker wij moeten „ten bloede toe weerstand bieden in onze strijd tegen de zonde" en wij moeten vol „ijver ons toeleggen op de deugd" en ,.ons oefenen zelfs in de godsvrucht", maar het is geen strijd van ons alleen. Want God heeft ons .,verkoren tot behoudenis, in heiliging door de Geest" (2 Thess. 2:13).
De H. Geest is onze Heiligmaker. Ook de levensheiliging is daarom toch weer louter genade.
Hoe kan dat dan? Aan de ene kant is er worsteling en oefening nodig door onszelf. En aan de andere kant is het de H. Geest die het doen moet?
Dat komt daarvandaan, dat de H. Geest niet een persoon buiten ons is, maar Hij komt in ons wonen. Hij doordringt ons geheel en al, zonder daarbij onze eigen persoonlijkheid op te heffen.
Maar als de Here ons zijn Heilige Geest zendt om in ons te zijn en ons aldus te heiligen, dan moeten wij ons ook door die H. Geest laten heiligen. Dan moeten wij ons dus aan zijn heiligmakende werkzaamheid overgeven. Dan moeten wij ons oefenen in de godsvrucht. En de overgave aan de werkzaamheid van de H. Geest kan alleen gebeuren door de overgave aan het Woord Gods. Want de H. Geest werkt alleen door het Woord van Christus.
Voor de levensheiliging is dus nodig geregeld de Bijbel te overdenken. En niet zo maar verstrooid daar wat in bladeren of er een stukje uit lezen maar u overgeven aan de werking van dat Woord. U moet luisterend gebogen staan over de Bijbel of in knielende, afwachtende, smekende houding, terwijl u dan in rust en ook in de spanning van het geloof elke fluistering van Gods Geest in u tracht op te vangen.
En wanneer u dan midden in de strijd tegen de Boze gewikkeld bent, dan moet u „met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid bidden in de Geest" (Ef. 6:18). „Bidden in de Geest", dat wil zeggen dat u zich innerlijk geheel tracht één te maken met de H. Geest door het gelovige gebed. Dan zult u ervaren welk een kracht er van dit bidden uitgaat. Het zal u sterken, verlichten, ontspannen, verzadigen.
Er is hierover nog wel heel wat meer te zeggen, maar ik wil deze brochure niet te lang maken.
Nog eens: de heerlijkheid van de Wet
Maar ik wil nog eens wijzen op de ervaring van de heerlijkheid van Gods wet. Bid toch met de psalmist: .,Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen van uw wet" (ps. 119:18).
Wat is het leven mooi van een mens, die zichzelf kan wegcijferen, die vrij is van allerlei persoonlijke gevoeligheden en ambities en alleen de zaak, de Zaak des Heren, voor ogen heeft. Mild zijn de stralen van de liefde, levenwekkend is haar kracht. Subliem zijn haar uitingen in de mens, die zichzelf offeren kan, in wie elke lage zelfzucht is gestorven en in de rust van de Heilige Geest getooid is met reinheid, eerlijkheid, ootmoed en zelfbeheersing.
„Hoe wonderbaar is uw getuigenis,
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren,
want d'oopning van uw woorden zal gewis
gelijk een licht het donker op doen klaren.
Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis
van zulk een glans een eeuw'ge nacht zou baren" (ps. 119:65 ber.).
Maar bovenal: De heerlijkheid van Christus
Ik wil er tenslotte nog voor waarschuwen: Maak de Wet niet los van Christus. Los van Christus straalt de Wet zeer zeker een enorme schoonheid uit, maar een verblindende, een koude schoonheid. Los van Christus is de Wet een onpersoonlijke verplichting. een eeuwig-geldend: „Gij zult!", een abstrakt ideaal. In Christus echter wordt de Wet tot lieflijkheid, hult zij zich in de warmte van de menselijkheid. Maar vooral: in Christus wordt de Wet tot barmhartigheid. Wanneer wij, ondanks onze sterkste inspanningen, toch „vele malen struikelen" (Jak. 3:2) en de heerlijkheid van het ideaal der Wet maar niet in ons leven kunnen verwezenlijken, dan is daar steeds weer de barmhartigheid van Jezus Christus, die haar zachte glansen over ons uitjiet en ons behoedt voor moedeloosheid. Telkens weer staan wij dan met Jezus Christus op uit de zonde en verheerlijken zo de genade Gods in Hem.
God, ik geloof in uw liefde
God, ik roem in uw ontfermingen. Uw liefde is als een vuur. Uw liefde is kracht. Uw liefde is helderheid. Uw liefde is licht. Uw liefde dringt door tot het laatste in mij. Uw liefde vormt mij langzaam om naar het beeld van uw Zoon. Uw liefde rekt zich als de vlammen tot over de einders van de eeuwigheid. God, Vader, mijn Vader, ik geloof in uw oneindige liefde. Halleluja.
Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1965
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
