Ter bevestiging
Een paar kanttekeningen ter bevestiging van wat br. Muniz schrijft over de nog steeds heersende geringschatting van het huwelijken de overschatting van het celibaat.
De vrouw als duivelinnetje
In de r.k. catechismus kan men de volgende definitie lezen over de mens: „De mens is een redelijk schepsel Qods met een onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam".
In aansluiting daarop hebben de r.k. priesters onder elkaar in halve ernst en in halve humor de volgende definitie van de vrouw gegeven:
„De vrouw is een onredelijk schepsel Gods met een bedriecjelijke ziel en een verleidelijk lichaam".
De roeping van nonnen
De „Zusters van Liefde" van Tilburg hebben een brochure uitgegeven waarin zij jonge meisjes trachten te winnen voor het kloosterleven. Deze brochure is uitgegeven in....juli 1963.
In het hoofdstukje: „Hoe kom je op het idee?" lees ik:
Op dat idee kan iemand komen vanaf het moment, waarop zij ontdekt, dat er nog een veel diepere wereld bestaat dan de wereld van de uiterlijke werkelijkheid waarin wij iets aan het doen zijn, dat we „leven" noemen.
Er bestaat een diepere wereld:
die wereld is waarheid, die wereld is zekerheid, die wereld is rust die wereld is God.
En tussen de ons bekende wereld en die andere, die verdere, de nieuwe, ligt maar één stap. Die stap heet: Minne. —
Niemand kan die stap zetten, als God haar niet uitnodigt.
Maar het feit dat je die wereld moogt ontdekken, behelst al de uitnodiging: heb je zin om hier te wonen?
Dan kun je zeggen: nee, en dan is er niets gebeurd.
Je kunt ook zeggen: ja. En dan leidt God je binnen in de diepten van zijn eigen wereld. Diepten, waarvan je het bestaan nooit had vermoed.
Die wereld van God is God zelf.
Wie één keer iets mag proeven van Gods eigen vreugde, weet, dat nooit meer enige vreugde van de stoffelijke wereld haar echt bevredigen kan. Alles smaakt dan als lauwe modder.
Welnu, dat laatste: God alleen te willen, dat is maagdelijkheid. —
Maagdelijkheid is niet iets negatiefs, het is geen afstand-doen. Maagdelijkheid is positief: het is iets bezitten, helemaal bezitten. Het is het bezitten van God. Daarvoor laat je al het andere varen. Je hele wezen trekt naar God alleen.
Maagdelijkheid is de handtekening van de mens onder haar paspoort voor die diepere wereld, die wereld van God. (p. 32-33).
„Maagdelijkheid is het bezitten van God"
Wij verbazen er ons over, dat nog in 1963 zoiets kan geschreven worden. Logisch en in elk geval psychologisch ligt in deze frase de gevolgtrekking opgesloten, dat het prijsgeven van de maagdelijkheid tevens betekent het prijsgeven van het bezitten van God
Wij stellen de vraag: Is het verantwoord om meisjes op deze manier het kloosterleven voor te spiegelen? Klinkt door deze beschouwing niet een duidelijke erotische toon door? Waarom spreekt men niet eenvoudig over „liefde" tot God? Waarom gebruikt men het woord „mi nne", dat in onze taal een beslist erotische klank heeft, denkt u maar aan de verschillende afleidingen: „minnekozen, minnenijd, minnespel" enz. Trouwens elders las ik nog: „ Deze drang naar God, deze hartstocht om Hem te hebben, is de zuiverste Minne". Hoe gemakkelijk zullen meisjes met een teleurgestelde liefde door dergelijke taal in de waan worden gebracht, dat het kloosterleven toch min of meer een bevrediging zal zijn van hun minnedrift, zij het dan op gesublimeerde wijze.
Bijna nog erger
...is een brodhure, waarin redemptoristinnen meisjes ertoe trachten te bewegen om in haar orde in te treden. Deze brochure bestaat uitsluitend uit foto's en Bijblteksten. Bijv. „Ik, Jaweh, heb U in mijn ontferming geroepen, U bij de hand gevat, U gesteld tot Verbond met het volk en tot Licht voor de naties" (Jes. 42: 6). En aan het slot staat dan: „ Gods beloften vervuld, ook in deze tijd, in het kloosterleven van de Monialen Redemptoristinnen...."
Na 35 jaar kloosterleven uitgetreden
Juist dezer dagen hebben wij, in samenwerking met vrienden van Protestants Nederl and, een kloosterzuster geholpen bij haar uittreden en haar opgevangen. Het was fijn dat we naar aanleiding van onze oproep in ons vorig nummer verschillende aanbiedingen hadden gekregen om, als de Wartburg vol is, zoals nu het geval is, ex-priesters of ex-kloosterlingen herbergzaamheid te verlenen. Wij konden zo onmiddellijk zulk een gastvrij gezin inschakelen.
Deze kloosterzuster was 35 jaar in het klooster geweest. Jarenlang had ze verlangd om uit te treden. Ze meende echter dat ze daar toch nooit verlof toe zou krijgen. Zodat haar uittreden een komplete vlucht is geworden.
Maar hoevele nonnen blijven maar achter de muren, terwijl ze misschien ook tot de ontdekking zijn gekomen, dat de voorspiegeling van het kloosterleven niet aan de werkelijkheid beantwoordt en misschien ook graag weer in het gewone leven zouden willen treden, maar niet durven uit angst voor wat „ze" zeggen over haar, als een „weggelopen non" , uit angst voor de familie enz.
Noodkreet uit India
In Time van juni 1962 heeft een artikel gestaan over de Wartburg te Velp. Nog steeds krijgen wij daar reakties op.
In juni van dit jaar kregen we een brief van een priester uit India, die schreet, dat hij een open brief wilde zenden aan de 2500 concilievaders en hij vroeg of wi j dat wilden betalen (U begrijpt wel, dat wij op dat verzoek niet konden ingaan, ook al om de eenvoudige reden, dat het toch niet helpt). Daarin wilde hij het concilie verzoeken om de wet van het celibaat te milderen.
In Time van 28 aug. 1964 lazen we, dat er naar schatting in Italië 15.000 en in Frankrijk 4. 000 priesters de r.k. kerk verlaten hebben en voor verreweg het grootste gedeelte gehuwd zijn. Maar ondanks dit grote aantal van priesters, dat vanwege de harde wet van het celibaat het r.k. priesterambt heeft neergelegd, en ondanks het nog veel grotere getal priesters, die deze breuk met hun kerk en hun familie niet aandurven en psychisch niet aankunnen, en dus de wet van het celibaat klandestien overtreden, wil de paus deze ontzettende gewetensnood van tienduizenden priesters niet eens als agendapunt op het concilie zetten. En desondanks verkondigt men aan de wereld, dat dit concilie vooral een „herderlijk" concilie wil zijn en beweerde Paulus VI in zijn encycliek, dat wij alle christenen het primaatschap van hem als paus moeten erkennen en hem als „opperherder" op aarde moeten aanvaarden.
De Goede Herder, Jezus Christus, was heel anders. Hij regeerde niet met ijzeren wetten, die door menselijke willekeur zijn ingesteld en waarvan pauselijke willekeur weer dispenseren kan. De Goede Herder was bewogen met de nood van zijn schapen. De „opperherder" te Rome wil over die nood niet eens praten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
