VAN PARADIJS tot Paradijs
In die dagen heb ik de Bijbel weer ter hand genomen. Het was rond het midden van het jaar 1962. Een van mijn collega's in het laboratorium had mij een vraag gesteld met betrekking tot de Bijbel. Uit mezelf zou ik geen Bijbel meer hebben willen lezen. Maar hier stond opeens een „toevalligheid" voor mij en ik ging de Bijbel op zolder opzoeken. Ik las de brief aan de Romeinen. In die brief las ik, „dat niemand rechtvaardig is voor God, ook niet één" (Rom. 3:7).
Dat kon ik begrijpen. Ik kon begrijpen, dat ik met de achtergrond van mijn leven, wanneer ik zo voor God zou komen te staan, alleen het misprijzen van God kon opwekken. Ik begreep ook, dat de minste fout, al is die nog zo klein, in Gods ogen een vreselijke gruwel betekent. Ik zag de ongerijmdheid van het onderscheid tussen dagelijkse en doodzonde in. De werkelijke openbaring Gods van wat zonde is, ging voor mij open.
In het 7e hoofdstuk las ik dan: „Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig: want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde die in mijn leven is" (v. 2l-23).
In het klooster had God tot mij gezegd: „Gij zijt mijn" en ik had Hem geantwoord: „Ik ben mezelf". In dit ogenblik, toen ik op mezelf ging bouwen en de vrijheid in mezelf ging zoeken, nam de satan bezit van mij: krijgsgevangene van de wet der zonde. Mijn vrijheid was geen vrijheid.
In dit bewustzijn kon ik dan ook met Paulus uitroepen: „Ik ellendig mens! "Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (v. 24).
Als een nutteloze passie stond ik voor God. Ik stond voor de muur van de hemel, voor die gesloten poort en ik moest tegen die poort van de vertwijfeling uitroepen: „Ik ellendig mens": Ik ben niets waard, ik kan uit mijzelf niets, ik kan alleen maar zondigen, ik kan alleen maar mezelf zoeken, ik kan niet beminnen Een serie zelfaanklachten, die ik niet uit de biechtspiegel had van buiten geleerd, maar die mij innerlijk overmanden. „Ik ben een worm, en geen mens!"
Een ogenblik had ik weer de indruk, dat ik voor de ontzettende duisternis van het schrikbeeld van God, de straffende God, stond. Inderdaad, ik stond ook voor het aangezicht van die straffende God, beladen met de zonde van mijn verleden. Er kwam in mij een eerste opwelling, om weer alles in de hoek terug te slingeren, om God weer uit de weg te ruimen, om die ontzettende last weer van mij af te schudden. Ik zag de Bijbel en deze brief van Paulus als een ontzettende duistere boodschap.
Ik moest echter nog verder lezen: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? God zij dank, door Jezus Christus onze Here!"
Dit was het verlossende woord. Toen ik dit woord had gelezen en gebeden, toen kon ik mijn knieën buigen voor het kruishout, toen kon ik in al de ellende van mijn zondigheid Jezus als mijn enige Heiland in mijn leven aanvaarden. Ik kon „Ja" zeggen tot Hem, die de zonden op zich nam. Ik was vrij, vrij in Jezus Christus. Op dit ogenblik begon het ook te zingen in mijn hart. Ik had gevonden, wat ik sinds jaren had gezocht: Vrede met God!
Het paradijs van het klooster had mij geen vrede kunnen geven. Daar stond ik onder het juk van de wet. Ik had dit paradijs verlaten, om mijn eigen vrijheid uit te leven in de knechtschap aan de zonde. Nu echter zag ik het echte paradijs, het paradijs van de vrede zonder verdiensten van goede werken, zonder menselijke krachtpatserij.... een paradijs uit Gods hand.
Waar blijft de roem? Waar blijft de ascese? Waar blijven de verdiensten van de goede werken? Waar blijft de rechtvaardiging uit eigen kracht? Waar blijven de „volmaakte" middelen van het kloosterleven? Ik had het steeds weer zelf geprobeerd. In de duisternis echter van de zonde moest ik erkennen, dat de mens „om niet gerechtvaardigd wordt uit Zijn genade, door de verlossing in Jezus' Christus (Rom 3:24).
Nieuw geboren
Vanaf dit ogenblik was alles nieuw in mijn leven. Nieuw geboren in en uit de Geest van God. Ik las de Bijbel nieuw, zoals ik hem nog nooit had gelezen, met de blik van de nieuwe mens, over wie staat geschreven: „gij hebt het niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem gelijk zij u geleerd heeft." (1 Joh. 2:27).
Het theologisch begrip van de kerk, zoals ik dat in mijn katholieke opleiding had leren zien, het institutionele begrip, werd in het licht van het Bijbelwoord weer tot zijn juiste proporties teruggebracht.
„Wanneer wij in het licht wandelen gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn zoon, reinigt ons van alle zonden".
(1 Joh. 1:7).
Nieuwe wegen
In de herfsttijd van het jaar 1962 vloog mijn broer Michiel, die intussen met zijn studies in Grand Rapids klaar was gekomen, naar Japan, om daar als zendeling van de Christian Reformed Church te gaan werken. Hij kwam met zijn vrouw ons bezoeken in Graz. Bij mij was het toen reeds klaar, dat ik mij ook officieel aan een christelijke gemeenschap zou aansluiten.
Door mijn broer echter, kwam ik zelf in kontakt met de Stichting In De Rechte Straat. Rond kerstmis kwam ik dan in Velp, om een eerste bespreking te voeren met Ds. Hegger, waarop dan mijn geval aan de leden van het comité zou worden voorgelegd. Ik wilde verder studeren. Nu ik het Licht van de Here had ontvangen, wist ik, dat Hij mij riep, om het ook aan anderen mee te delen.
In maart van het jaar 1963 verhuisde ik met vrouw en kind naar de Wartburg in Velp. Ik werd er met open armen ontvangen. In die tussentijd heb ik mij kunnen orienteren in de protestantse wereld. Ik kreeg gelegenheid, om mij te verdiepen in het Woord Gods. Ook mijn vrouw vond de Here en kon haar hart aan Jezus geven in de kracht van Zijn Geest.
Ik vond het zo fijn, dat niemand in een bepaalde richting werd gedwongen. Men was er van overtuigd, dat het werk van een bekering en het werk van de roeping, het werk is van Gods Geest. Door mijn vele spreekbeurten kwam ik dan ook in kontakt met de meest verschillende richtingen binnen de protestantse kerken. In de eerste tijd bracht die verdeeldheid wel wat verwarring mee. Maar toen ontdekte ik enerzijds, dat de r.k. eenheid geen innerlijke eenheid, en anderzijds, dat daar, waar werkelijk bekeerde mensen elkaar ontmoeten, de eenheid in de Geest en in het gebed aanwezig is.
Dit getuigenis is daarom geen getuigenis van of voor een kerk. Het is het getuigenis van Jezus:, dat Hij lééft. Het is ook mijn enig verlangen dit getuigenis te mogen uitdragen in deze wereld.
De Here heeft mij geleid naar dezelfde theologische school, waar mijn broer Michiel heeft gestudeerd, naar Grand Rapids. Ik wil hier mijn dank uitspreken aan allen, die in de naam van Jezus mij hebben geholpen op deze weg: aan de bewoners van de Wartburg, aan het bestuur van de Stichting I.R.S., aan al diegenen, die met hun gebed, hun sympathie en hun materiële hulp de mogelijkheid scheppen, dat dit werk voor mensen en zielen in nood, dit werk van de Here, wordt opgebouwd.
Zo wil ik dan eindigen met de. woorden van de Openbaring van Johannes: „En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet."
Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus (Openb. 22:17, 20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
